Nasrallah, opportunisme en hypocrisie

In Maleisië mogen studenten nooit demonstreren. Dat is wettelijk vastgelegd. Want zoiets leidt maar tot heethoofdig gedoe voor ambassades met dubieuze raddraaiers en met geheime financiers op de achtergrond. En trouwens, aldus de Maleisische minister van Onderwijs: „Studenten moet studeren”. In Indonesië bestaat zo’n wet niet. Zelfs als die bestond, zou niemand er zich wat van aantrekken. Dat is het verschil tussen een autoritaire en een chaotische democratie.

Dus in Indonesië is het elke dag wel ergens raak en de meegebrachte portretten laten er geen misverstand over bestaan: sjeik Hassan Nasrallah is de nieuwe held. Want anders dan de vroegere dictator van Irak, Saddam Hussein, die ook beloofde om ‘half Israël te verbranden’ maar nooit verder kwam dan wat verdwaalde scuds, blijft Nasrallah, de secretaris-generaal van Hezbollah, nu al weken raketten op Israël afvuren. En nog meer: de 46-jarige leider is een geestelijke en demonstreert met zijn zwarte tulband zijn afstamming van de profeet. Dat is van een andere orde dan destijds Saddam Hussein, die te laat in zijn carrière nog gauw probeerde als leider van de islamitische wereld tegen Israël de massa’s in de Arabische wereld en de fanatici binnen de islam te mobiliseren.

Maar of het nu de moslims in Maleisië, in Indonesië of in India betreft – het voorlopige succes van Nasrallah en de ferme teksten van vastberadenheid en vernietiging die hij spreekt, hebben een uitwerking die vergelijkbaar is met de cartoon-crisis eerder dit jaar. Radicale, luidruchtige moslimleiders worden erdoor gesterkt, gematigde voormannen doen er het zwijgen toe of mompelen hooguit wat over sympathie en matiging. En politici in deze regio zien net als een half jaar geleden de contouren van een ‘botsing der beschavingen’ en het brengt hen in een hoogst oncomfortabele positie. Want het gaat om landen die betrekkelijk westers zijn, die tot op zekere hoogte pluralisme waarderen maar die tegelijkertijd een dominante moslimbevolking kennen inclusief de verlokkingen van radicalisme en fundamentalisme.

Eind vorige week kwamen de islamitische landen in Kuala Lumpur bijeen om over de crisis in Israël en Libanon te praten. De Iraanse president Ahmadinejad herhaalde nog maar eens wat zijn Hezbollah-vrienden ook vinden: „Vrede in het Midden-Oosten is slechts mogelijk wanneer er geen Israël meer zal zijn.” De gematigde leiders van Maleisië en Indonesië spraken hem niet tegen. Lafheid, oordeelden de Amerikanen. De Wall Street Journal schreef maandag in een commentaar dat beide landen zich door hun zwijgen hebben gediskwalificeerd als leveranciers van een toekomstige vredesmacht in Libanon.

De Verenigde Staten op hun beurt hebben inmiddels ook een talent ontwikkeld om gematigde leiders in de islamitische wereld in verlegenheid te brengen. Dat is al begonnen met president Bush’ retoriek na 9/11 met ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’ en het duurt tot op de dag van vandaag.

Of het nu voortkomt uit desinteresse, provincialisme of overmoed – het effect op landen met een grote islamitische bevolking is telkens weer dat van een provocatie. Gematigden voelen zich genoopt te zwijgen, radicalen ruiken hun kans. Een radicale moslimbeweging in Indonesië meldde trots dat ze al 3.000 vrijwilligers hebben ingeschreven die zich graag bij Hezbollah willen aansluiten. De president van het land verbiedt vervolgens deze rekrutering en mag daarna uitleggen waarom een gelovige islamiet zijn broeders in Zuid-Libanon niet zou mogen helpen tegen westerse samenzweerders? Een vraag die dan natuurlijk ook weer wordt gesteld indachtig het motto: wie niet voor ons is, is tegen ons.

Op zichzelf zijn discussies over Israël en zijn positie in het Midden-Oosten vaak al zo weinig verhelderend. Het is immers een conflict met onrecht aan beide kanten en hevige morele beladenheid onder discussianten. Een betoog waarom de ene of de andere partij niet deugt, schuld heeft, c.q. moet boeten is gemakkelijk geleverd. Maar in het ene land blijft het toch wat vrijblijvender dan in het andere. Om een voorbeeld te geven: de gedaanteverandering van Dries van Agt van Saulus-naar-Paulus (of omgekeerd?) is uiteindelijk intrigerender als kwestie van human interest dan als een zaak met politieke gevolgen.

In landen met een dominante islam-bevolking ligt dat anders. Mensen met gezag hebben er hun handen vol aan om de boel bij elkaar te houden. Ze balanceren met zwijgen, dan wel met af en toe een uithaal naar links of naar rechts in een kwetsbare politieke omgeving. De Maleisische premier suggereerde dat de oorlog een Amerikaans-Israëlische samenzwering is en wees de beschuldigende vinger naar hetzelfde land dat hen achter de schermen helpt met bestrijding van het eigen terrorisme: Amerika. Opportunisme is hierbij onvermijdelijk, hypocrisie soms een gegeven.

Zoiets smoort een vrij debat en oordeelsvorming, die op grond daarvan totstandkomt. In westerse democratieën, waar de politieke mediacultuur goeddeels van nuances is gereinigd, zouden zulke dubbelzinnigheden trouwens als een boemerang terugkeren op de politieke woordvoerders zelf.

Dat is allemaal waar, maar Allah verhoede dat regeringsleiders van Pakistan tot aan Indonesië nu doen wat hun aan twee kanten wordt gevraagd: voor ons of tegen ons.