Franse diplomatie baart ‘dode letters’

President Chirac heeft vanmorgen in Toulon zijn premier en twee ministers ontboden. Want van de Franse diplomatieke ambities in de Libanon-crisis komt weinig terecht.

In minder dan een week tijd is de Franse diplomatie in de oorlog in Libanon tussen Israël en Hezbollah hardhandig met de neus op de feiten gedrukt. Ze gaven de Franse aspiraties om een voortrekkersrol te vervullen bij het zoeken naar een oplossing een gevoelige knauw.

Vorige week moest Frankrijk bakzeil halen in de Europese Unie. Parijs verkeek zich, tezamen met EU-buitenlandcoördinator Javier Solana, op de weerstand binnen de Europese gelederen tegen een oproep tot een ‘onmiddellijk staakt-het-vuren’. Onder andere het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Nederland en Tsjechië dwarsboomden de Franse optie.

Begin deze week ging Frankrijk onderuit op het internationale podium. Parijs bereikte een akkoord met Washington over een ontwerpresolutie voor de VN-Veiligheidsraad over ‘volledige beëindiging van de vijandelijkheden’. Maar dat voorstel werd door de Arabische wereld, met Libanon voorop, onmiddellijk naar de prullenbak verwezen.

Terugtrekking van Israël uit Zuid-Libanon was volgens de opponenten in het Amerikaans-Franse voorstel niet geregeld, evenmin als de status van het omstreden gebied van de zogenoemde Shebaa-boerderijen. „Onbruikbaar”, vonniste ook Rusland, dat als permanent lid met vetomacht in de Veiligheidsraad een sleutelpositie inneemt bij resoluties.

De Franse comeback aan het diplomatieke front is niet onopgemerkt gebleven. ‘Libanon-crisis zet Frankrijk weer in de diplomatieke schijnwerper’, kopte de Herald Tribune gisteren. Maar wat de buitenwacht te zien krijgt is volgens de linkse Franse krant Libération overtuigend noch bemoedigend: „Door een resolutie ten doop te houden die een dode letter zal blijven, haalt de Franse diplomatie op een bizarre manier de vredesmissie onderuit die zij juist in gang wil zetten.”

Wat mankeert Frankrijk? Vrijwel direct na de Israëlische inval in Libanon op 12 juli – in reactie op de ontvoering van twee Israëlische soldaten door de fundamentalisch-shi’itische beweging Hezbollah – etaleerde Frankrijk nadrukkelijk zijn engagement bij het zoeken naar een oplossing.

Parijs kon zich laten voorstaan op zijn goede entree in Libanon – een overblijfsel uit de periode na de Eerste Wereldoorlog toen het land Frans mandaatgebied werd. Officieel was Libanon geen kolonie, maar de Fransen deelden er wel de lakens uit.

Dat duurde tot 1946, toen de Fransen onder druk van de VS en het Verenigd Koninkrijk het veld moesten ruimen. Maar ook daarna bleef er een speciale band tussen Parijs en Beiroet. President Jacques Chirac verloor in de vorig jaar met Syrische voorkennis vermoorde Libanese ex-premier Rafiq Hariri naar eigen zeggen zijn „beste buitenlandse vriend”.

Frankrijk had nog een andere goede reden om het diplomatieke voortouw te nemen: het heeft de handen vrij en voldoende militairen paraat om de leiding op zich te nemen van een eventuele internationale troepenmacht. Die zou met een stevig VN-mandaat tussen de strijdende partijen in Zuid-Libanon moeten komen.

De VS en het Verenigd Koninkrijk hebben het daarvoor veel te druk in Afghanistan en Irak. Hetzelfde geldt voor Duitsland (in Afghanistan en Congo), dat bovendien zijn belaste geschiedenis van de jodenvernietiging tegen heeft, bij de vervulling van een militaire rol aan grens van Israël.

„Frankrijk kon terugkeren op het diplomatieke toneel omdat niemand anders beschikbaar was”, zegt Dominique Moïsi telefonisch vanuit Parijs waar hij senior-adviseur bij het Institut Français des Relations Internationales (IFRI).

Moïsi heeft begrip voor het Franse engagement bij het oplossen van de crisis in het Midden-Oosten. En hij begrijpt ook wel dat Frankrijk bij de bestrijding van Hezbollah de samenwerking met de VS laat prevaleren. „Frankrijk wil zo spoedig mogelijk een staakt-het-vuren. De enige manier om dat te bereiken is een akkoord met de Amerikanen.”

Maar een noodzakelijke voorwaarde is nog geen voldoende voorwaarde, onderkent Moïsi. Ook hij kan niet om de constatering heen dat de Franse aanpak verontrustend tekortschiet. „Het lijkt wel alsof Washington en Parijs zijn gewikkeld in een wedloop in neergang van Amerikaanse invloed in de wereld en Franse invloed in Europa.”

Midden-Oostenexpert Muriel Asseburg van de Stiftung für Wissenschaft und Politik in Berlijn kwalificeert de huidige Amerikaans-Franse inspanningen in een bijdrage op de SWP-website ook als ondermaats. De discussie is volgens haar, mede door toedoen van Frankrijk, snel versmald tot het sturen van militairen.

Zo’n ‘stabilisatiemacht’ heeft volgens Asseburg echter alleen zin als zij óók gericht is op versterking van de fragiele Libanese regering én wanneer zij deel uitmaakt van een politiek proces dat gericht is op een veelomvattende oplossing van het Israëlisch-Arabische conflict. Beide noties mist zij node.

Daarbij komt de internationale gemeenschap er volgens Asseburg niet onderuit om ook acht te slaan op de „legitieme belangen” van de landen die Hezbollah ideologisch, logistiek en financieel steunen, in het bijzonder Syrië en Iran. In dit verband bestempelt zij het isoleren van Syrië door de VS en Frankrijk en het negeren van Iran door de VS als „contraproductief”.