De werkboekjes waren ‘leugenboekjes’

Voor de oorlog brachten de ‘Braams’ groente rond, nu staalbeton. Vandaag het vijfde deel van een serie over mensen bij wie mobiliteit al sinds generaties in de familie zit.

Grootvader Gerard – van 1907 – begon met zijn zwager Wim een transportbedrijfje, ze noemden het Bramo. Met als ondertitel: Braam & Moonen, grote tute [loonzakjes, FR], lage lone. Het materieel bestond uit één paard, één wagen en een stokoude Ford, waarmee in het Gelderse Weurt groente en fruit uit eigen tuin en boomgaard werden rondgebracht. De oorlog kwam en de wagens verdwenen voor vijf jaar onder het hooi.

De door de geallieerden en bezetters achtergelaten vrachtwagens waren een goudmijn voor de toenmalige transportondernemers en weldra bestond het wagenpark van Bramo uit Engelse Bedfords en Commers en een Duitse Henschel. Daarbij voegde zich in 1951 de eerste vaderlandse DAF.

Grootvader Gerard kreeg in 1935 een zoon en noemde hem Gerard. Die begon in 1961 voor zichzelf en nam in 1967 twee wagens van zijn vader over, inclusief de daarbij behorende vergunningen. Hij vervoerde er zand en grind mee, dat eigenhandig opgeschept en weer uitgeladen diende te worden. Later werden dat bouwmaterialen en betonstaal. Licht onderhoud aan de wagens werd zelf gedaan.

Het bedrijfspark groeide uit tot negen stuks en evenzoveel chauffeurs. Net als nu werden de wagens gefinancierd, soms wel tot een bedrukkende zestig procent, de gasolie kostte 15,2 guldencent per liter en de rittijden werden opgeschreven in werkboekjes, door de chauffeurs én hun bazen liefkozend leugenboekjes genoemd. De maximaal toegestane tijd achter het stuur was zestig uur per week en dat gold ook voor de ritten in het buitenland. Via een ingewikkeld systeem, een wiskundige waardig, werd daar stevig de hand mee gelicht.

Ook de getallen waarmee de rijtijden werden aangegeven, werden het slachtoffer van enthousiast gepruts: van een drie werd een acht gemaakt, een 1 kon met wat geduld tot een vier, zeven of tien worden omgebouwd. Deze lucratieve vrijstaat duurde vijf jaar, tot in 1974 de meedogenloze tachograaf verscheen.

Het was de Braams opgevallen dat de Duitse politie, ofschoon ze die naam absoluut niet mee had, destijds heel wat soepeler en menselijker met de chauffeurs omsprong dan hun Nederlandse collega’s. En of ik dat maar even wil opschrijven. Gerard trouwde in het tweede jaar van zijn bedrijf en kreeg in de zesendertig daaropvolgende maanden drie zonen: Bas, Maerten – niet Maarten, dan vond oma niet chic genoeg – en jawel, weer een Gerard.

Ook deze drie Braams vonden hun plek in het wegvervoer. Bas heeft nu een onderneming met veertien auto’s, Maerten handelt in vrachtwagens en Gerard nam in 2000 het bedrijf van zijn vader over, dat inmiddels Eurobraam heette. Met als voornaamste klanten opdrachtgevers in het zuiden van Duitsland en in Zwitserland. Gerard senior en junior zijn overtuigde aanhangers van een kleinschalig bedrijf, de chauffeurs kennen elkaar en de directie van naam en gezicht en ze zijn soms al tientallen jaren in dienst.

Vroeger werd er dagelijks gevoetbald en koffiegedronken met de chauffeurs. Op vrijdagavond was er een pot bier en een plank met kaas, ui en worst. Nu is er eenmaal per jaar een bedrijfsfeest en met Kerst wordt er gezamenlijk gegeten. Verrekte men vroeger in de winterdag van de kou en smolt men ’s zomers weg, nu is er airconditioning aan boord, een magnetron, een Duitse telefoon, want veel goedkoper, en een gps. Maar onderweg eten, dat doen de chauffeurs – net als vroeger – zelden, want dat is veel te duur. En hoewel ze er liefhebberij in hebben om permanent te klagen over de tegenvallende inkomsten, het was en is nog steeds – voor degene die in het bezit zijn van de juiste papieren – een prima betaald beroep.

Gerard senior heeft een aantal vrachtwagens bewaard dat in bouwjaar varieert tussen 1943 en 1981 en waaraan hij met tussenpozen sleutelt. Zijn favoriet is een in wit en blauw gespoten Henschel die volgens hem zijn tijd ver vooruit was. Het is volgens Gerard senior de reden waarom Henschel vroegtijdig ter ziele ging. Junior leest elk vakblad en zíjn merk is het Zweedse Scania, waarin zich dan wel een achtcilinder dient te bevinden. Het is de Ferrari onder de vrachtwagens en bezorgt zijn berijder prestige onder collega’s.

Junior is de trotse vader van een zoon van zes weken en hoewel senior tijdens het gesprek steeds waarschuwt dat men de jeugd toch vooral vrij moet laten in zijn keuzes, heeft junior alvast de kinderkamer voorzien van kleurige vrachtwagenfolders en -modellen.