Rauw dagelijks leven uit verloren gewaande tijd

Tentoonstelling: Johan Bendiksen, Satellieten. Randgebieden van de voormalige Sovjet-Unie. T/m 31/10 in het Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam. Inl.: (020) 5310310 of www.jhm.nl. Catalogus bij uitgeverij Jan Mets, € 35.

Soms hoef je geen enkele moeite te doen om het verleden binnen te wandelen. Die sensatie heb je bijvoorbeeld bij het werk van de Noorse fotograaf Jonas Bendiksen (1977), dat nu in het Joods Historisch Museum hangt. Bendiksen reisde de afgelopen acht jaar door de randgebieden van de voormalige Sovjet-Unie en legde precies datgene vast waarvan je dacht dat het niet meer bestond. Lenin en Stalin zijn in die wereld alom aanwezig, de hamer en sikkel siert nog menige cafémuur, armoede is er meer regel dan uitzondering.

Kun je Moskou tegenwoordig een modern kosmopolitisch centrum noemen, de stad Soesji in het jarenlang door burgeroorlog geteisterde Nagorno-Karabach doet nog altijd denken aan de armoede van de Sovjet-Unie uit de jaren zeventig. In Soesji maakte Bendiksen dan ook een van zijn mooiste foto’s. Twee mannen, van wie er een zo uit De Gebroeders Karamazov lijkt te zijn weggelopen, zitten aan een tafeltje met daarop een aangevreten appel, wat brood en vlees. Tegen de muur staan wat plastic flessen drank. Achter hen, tegen het raam, zijn parallel aan elkaar twee éénpersoonsbedden opgesteld met daar tussenin een houtkacheltje waarvan de afvoerpijp door het raam naar buiten loopt. De muren zijn kaal, aan het plafond brandt een armoedig peertje. In de zitting van een stoel zit een gat. Aan alles in die kamer zie je dat dit het enige is dat ze hebben. Hun leven in dit nachtasiel lijkt uit praten en wachten te bestaan, praten en wachten tot het niet meer hoeft. Zo’n tafereel heeft iedere Ruslandreiziger tijdens de jaren van het communisme wel eens gezien. En tot je grote verbazing bestaat het nog steeds en is het in al zijn rauwheid zelfs door een jonge fotograaf vastgelegd.

Een nostalgicus is Bendiksen niet, al heeft hij een goed gevoel voor de Sovjet-nostalgie zoals die wordt beleefd door de etnische Russen in Transdnjestrië. Sinds zij zich hebben afgescheiden van Moldavië, zouden ze zich het liefst weer met Rusland verenigen. In dit Oost-Europese kruidvat vol kernraketten maakte Bendiksen een aantal verstilde foto’s van het plaatselijk uitgaansleven: een paaldansende striptease in een nachtclub met een beschroomd kijkend publiek, een militair die een biertje drinkt in een hip café waar portretten van Marx en Lenin de muur sieren, de priesterlijke wijding van een in het ijs uitgehakt kruisvormig stuk rivier, ook dit kan allemaal zo uit die ‘goede oude Sovjet-tijd’ komen.

Die stemming van ‘vroeger’ herken je eveneens op de foto die Bendiksen maakte in Abchazië, dat zich in 1993 na een burgeroorlog losmaakte van de vroegere Sovjetrepubliek Georgië. Russische toeristen en dagjesmensen hangen er in 2005 rond op een strand aan de Zwarte Zee: een jongen springt van een scheepswrak, een vrouw met een chagrijnige toet kijkt om, en dan is er ook nog dat mijmerende dametje in bloemetjesjurk. Weemoed, plezier, verlangen, wantrouwen. Bendiksen heeft er een scherp oog voor.

Ongekend mooi zijn zijn foto’s van mensen in de vrieskou, op straat of in een autobus. Net als de twee mannen in het flatje lijken ook zij te wachten op iets onbestemds. Maar in werkelijkheid is het ’s ochtends vroeg en zijn ze in de bus op weg naar hun werk. De foto die Bendiksen in de joodse autonome republiek Birobidzjan maakte van drie vrouwen gekleed in pelsjassen, die bij min veertig in de donkere ochtendkou op een bushalte staan te wachten, is een ander hoogtepunt van deze fraaie tentoonstelling. Als ik niet had geweten dat het om een documentaire foto ging, had ik gemeend een scène uit Tsjechovs Kersentuin te zien. Vooral de wijze waarop twee van hen een gesprek met elkaar voeren en de derde berustend voor zich uitstaart verraadt het theatrale dat je in Rusland overal tegenkomt. Bij Bendiksen verlang je ernaar, maar zie je tegelijkertijd hoe bedrieglijk het is.