Nog maar 27 overvallen per week

Het Engelse Bristol is bezig zijn imago van ‘drugscentrum’ af te schudden. Samenwerking tussen politie en opvangcentra heeft geleid tot minder criminaliteit. Onzeker is echter of er genoeg overheidsgeld beschikbaar blijft.

Floris van Straaten

Op zijn elfde begon Luke te experimenteren met drugs, zoals de meeste van zijn vriendjes uit het naargeestige flatgebouw aan de rand van Bristol waar hij opgroeide. Zijn ouders hadden geen werk en bekommerden zich nauwelijks om hem. Vijf jaar later was hij verslaafd aan heroïne. „Sommige van mijn leeftijdgenoten zijn al dood”, zegt Luke, nu 27 jaar oud.

Luke daarentegen oogt fit, zowel fysiek als mentaal. Een paar jaar geleden greep hij een kans om deel te nemen aan een afkickprogramma. Sindsdien is hij ‘schoon’. Nu helpt hij als vrijwilliger bij CAAAD, een opvangcentrum in de verpauperde wijk Barton Hill, om anderen van de drugs af te brengen. „Het is van cruciaal belang de verslaafden weer zelfvertrouwen te geven”, zegt Rowan Miller, CAAAD-projectcoördinator. „Wij proberen hen daarbij te helpen.”

Bristol is met zijn 380.000 inwoners de grootste stad in zuidwestelijk Engeland. Het is een welvarende plaats met een universiteit, florerende bedrijven en een gevarieerd uitgaansleven. Maar de stad staat ook al een paar decennia bekend als een van de grootste drugscentra van het land. Bristol telt 8.000 verslaafden, terwijl nog eens 25.000 mensen af en toe drugs gebruiken. Ruim 4.000 verslaafden zijn onder behandeling.

Toch meent Tim Lee, hoofdinspecteur van politie, dat het ergste inmiddels achter de rug is. „Een jaar of vijf geleden was het veel ernstiger”, zegt hij, „Dealers uit Jamaica introduceerden toen naast heroïne crack-cocaïne. Dat spul werkt kort maar hevig, waarna de verslaafde weer een nieuwe dosis wil. Zo had hij plotseling twee keer zoveel geld nodig voor zijn drugs als eerst en dat leidde tot een golf van criminaliteit.”

Onderzoek van de politie wees uit dat er op vluchten van het Caraïbisch gebied naar Heathrow en Gatwick soms tientallen koeriers tegelijk zaten met condooms vol drugs in hun maag. Een niet onaanzienlijk deel daarvan ging rechtstreeks naar Bristol, gelegen op slechts anderhalf uur rijden van de grote vliegvelden.

Zowel in het Caraïbisch gebied, als op de luchthavens en in Bristol zelf volgde er actie. Dankzij nauwe samenwerking met opvanginstanties voor verslaafden en de lokale gemeenschap, ook Jamaicanen, is de criminaliteit inmiddels afgenomen. „Een jaar of vier geleden hadden we honderd overvallen per week, nu is dat gedaald tot 27”, zegt Lee. „Ik geloof dat Bristol het langzamerhand niet meer verdient te worden gestigmatiseerd als drugscentrum.”

Wie op een zomeravond wandelt langs Stapleton Road, een rommelige straat die al jaren drugshandel en prostitutie aantrekt en die door sommigen wordt aangemerkt als de gevaarlijkste straat van Europa, merkt niet veel bijzonders. Niemand klampt de voorbijganger aan of hij heroïne wil kopen. Hij wordt niet beroofd en evenmin liggen er spuiten of naalden op straat. Nergens ook vallen groepjes mannen te bespeuren, die elkaar gehaast verdachte pakketjes toestoppen. Wel staan er enkele opvallend luxueuze auto’s voor de winkeltjes en snackbars.

Het aantal verslaafden in de stad blijft echter onveranderlijk hoog. Hoe rampzalig de gevolgen kunnen uitpakken, bewijst het geval van Henk (52), een Hagenaar die in 1990, op reis met een vriend, in Bristol bleef plakken. Zijn jarenlange drugsgebruik heeft diepe groeven op zijn gezicht achtergelaten, maar schrijnender is dat hij zijn rechterbeen mist. „Vier jaar geleden was ik klinisch dood”, zegt Henk. „Het is een wonder dat ik nog leef. Ik bleek door alle injecties met heroïne en cocaïne bovendien gangreen in mijn been te hebben en de artsen hebben dat toen afgezet. Ik woog toen nog maar 38 kilo, minder dan de helft van mijn normale gewicht.”

Inmiddels is Henk weer aardig opgeknapt en na een afkickprogramma heeft hij de laatste vijf weken geen drugs meer aangeraakt. Ook Pip, een 38-jarige man uit het zuiden van Wales, die eveneens op de makkelijk beschikbare drugs van Bristol is afgekomen, hoopt na vijftien mislukte pogingen van de drugs af te zijn. Hij heeft in geen acht maanden drugs aangeraakt, de langste periode sinds hij op zijn elfde lijm begon te snuiven.

Het nijpende drugsprobleem ontwrichtte het leven in de hele stad via de criminaliteit. Het noopte het gemeentebestuur tot een geïntegreerde aanpak, waarbij politie en opvanginstanties nauw samenwerken. Als de politie nu iemand arresteert, kijkt ze met een test direct of hij aan de drugs is. Zo ja, dan wordt contact opgenomen met de opvangorganisaties.

„De verslaafden hebben hulp nodig”, zegt Sarah Wilson, manager van Safer Bristol, een samenwerkingsorgaan dat mede voor dit doel is opgezet door de gemeente. „Het heeft geen zin hen een tijdje in de gevangenis te gooien en dan weer vrij te laten. Dan gaan ze toch meteen weer stelen om aan drugs te komen. We moeten de schakel tussen misdaad en drugs zien te doorbreken.” De opvangorganisaties in Bristol proberen de verslaafden daarom uit hun sociale isolement te trekken. Ze bieden veilige plaatsen aan, waar schone naalden voor hun spuiten verkrijgbaar zijn.

Van belang is ook de rol van de huisartsen. Zo’n 85 procent is bereid drugsverslaafden te helpen. In veel gevallen voorzien ze de verslaafden, in overleg met de opvangorganisaties, ook van methadon en andere alternatieven voor hun drugs. Bovendien proberen de gemeente en de opvangorganisaties de verslaafden fatsoenlijk te huisvesten en enig onderwijs te bieden, zodat ze wellicht in aanmerking komen voor een baan.

De greep van de opvang op de verslaafden is groter dan in veel andere Britse steden. Of alle programma’s nog lang kunnen worden voortgezet is echter de vraag. „Tot nu toe kregen we geld van de regering uit een aparte pot”, zegt Maggie Telfer van het Bristol Drugs Project, een opvangorganisatie. Er is echter sprake van dat de programma’s tegen drugsgebruik vanaf 2008 onder de hoede van de Nationale Gezondheidsdienst (NHS) zullen vallen. Dan moeten ze concurreren met de fondsen voor heup- en hartoperaties en andere ingrepen. „We vrezen dat veel van wat we hebben bereikt, dan weer verloren gaat”, zegt Telfer.