Het blijft speculeren over Fidels broer

Degenen die hopen dat na het overlijden van Fidel Castro diens broer Cuba zal laten kennismaken met democratie, zullen bedrogen uitkomen. De Chinese aanpak ligt meer voor de hand, betoogt

Brian Latell.

Bijna een week heeft Raúl Castro nu kunnen genieten van een voorproefje van de rol waarop hij zo lang heeft moeten wachten. De jongere broer van Fidel en ’s werelds langstdienende Defensieminister fungeert momenteel tijdelijk als president van Cuba en als leider van de Communistische Partij. Als zodanig trekt hij nu in het openbaar aan de touwtjes – een positie die hij misschien spoedig permanent zal bekleden.

Als dat gebeurt, zullen degenen die smachten naar een snelle overgang naar democratie in Cuba teleurgesteld worden. Toen ik mijn biografie schreef over de twee gebroeders Castro, ontdekte ik dat Raúl tegenstrijdiger is en emotioneel ingewikkelder in elkaar steekt dan Fidel, waardoor hij minder voorspelbaar is dan zijn oudere broer, die de wereld zo goed heeft leren kennen.

Ondanks zijn langdurige staat van dienst en een week van speculaties over de betekenis van zijn nieuwe rol voor de toekomst van Cuba, roept de raadselachtige tweeslachtigheid van Raúls karakter veel vragen op. Zal hij, als hij straks echt aan de macht komt, zijn toevlucht nemen tot de meedogenloosheid van zijn vroege revolutionaire jaren, toen hij opdracht gaf tot talloze executies? Of zal de barmhartigheid die Raúls familie en vrienden hem toedichten, ertoe leiden dat hij zal breken met het geliefde beleid van zijn broer?

Op dit moment staat niemand er beter voor dan hij om leiding te geven aan het Cubaanse volk, waarvan 75 procent geen andere leider heeft gekend dan Fidel. Raúl is altijd de bekwaamste bestuurder van het regime geweest en de enige onmisbare bondgenoot van zijn broer. Hij is nu 75 en heeft lang leiding gegeven aan het leger en de veiligheidsdiensten, en grote delen van de economie onder controle gehad. De afgelopen maand is hij steeds intensiever de Communistische Partij gaan besturen. Hij is misschien al sinds vorig jaar opgetreden als een soort regent voor Fidel, die zijn beslissingen amendeerde.

In een recente toespraak zinspeelde Raúl erop dat hij zich als leider misschien coöperatiever zou opstellen en een van de topfuncties in het land aan een burgerpoliticus zou kunnen afstaan. Vice-president Carlos Lage, een internationaal gerespecteerd economisch planner, zou voor zijn loyaliteit kunnen worden beloond met het presidentschap. Andere vooraanstaande burgerpolitici – onder wie de voorzitter van de Nationale Assemblee, Ricardo Alarcon, en minister van Buitenlandse Zaken Felipe Perez Roque – zullen de opvolging van Fidel door zijn broer waarschijnlijk niet aanvechten. Zijn gezag ontleent Raúl aan de grondwet en aan het feit dat hij herhaaldelijk als Fidels favoriete opvolger is aangewezen.

Zijn troonsbestijging zou alleen in gevaar kunnen komen als er scheuringen optreden binnen de strijdkrachten. Op z’n minst één invloedrijke rivaal, voormalig Politburo-lid en minister van Binnenlandse Zaken Ramiro Valdes, probeert misschien nu al het gezag van Raúl te ondermijnen. En de loyaliteit van de lagere militaire kaders is moeilijk in te schatten.

Raúl heeft zijn reputatie van meedogenloosheid meer dan verdiend. In een interview met een Mexicaanse journalist in 1993 mat hij zich vrijwillig de bijnaam ‘de Verschrikkelijke’ aan – een erkenning van zijn bloedige rol als de voornaamste beul uit de beginjaren van de Cubaanse revolutie. Volgens een voormalige guerrillastrijder „wedijverden” Raúl en Ernesto ‘Che’ Guevara destijds „in moorden en wreedheden”. Eind jaren vijftig leidde hij honderden executies door vuurpelotons en gaf hij soms zelf het genadeschot.

Raúl ontwikkelde zijn bloeddorst vijftig jaar geleden in Mexico, toen Fidel hem opdroeg een jong lid van hun rebellenbeweging te vermoorden, dat door Fidel niet langer werd vertrouwd. Het bevel kwam aan de vooravond van het vertrek van de broers uit een klein havenstadje aan de kust van de Golf van Mexico, om aan hun reis naar Cuba te beginnen, waar zij een opstand wilden ontketenen. De moordpartij was bedoeld om Raúls revolutionaire gezindheid te beproeven – een test die hij met vlag en wimpel doorstond, ook al toonde hij decennia later alsnog berouw.

Jarenlang was Raúl de meest onverzoenlijke stalinist van de revolutie en de betrouwbaarste vriend van het Kremlin in Cuba. Hij leidde de vervolging van dissidenten, persoonlijke rivalen en anderen die uit de gunst vielen bij Fidel. Maar zijn wereldbeeld begon te veranderen toen de Sovjet-Unie uiteenviel en de subsidies opdroogden. Geconfronteerd met een economische crisis ging Raúl meer pragmatisme tentoonspreiden. Hij stuurde betrouwbare militaire officieren naar Europa, waar zij bedrijfstechniek studeerden om het bestuur van de door het leger geleide bedrijven te verbeteren. En hij begon toe te staan dat militairen zich met zakelijke activiteiten gingen bezighouden – met name in Cuba’s toeristische sector.

Anders dan Fidel heeft Raúl ook een barmhartige kant. Een aantal familieleden en voormalige bondgenoten van de Castro’s, die in ballingschap verblijven, hebben hem tegenover mij in warme bewoordingen beschreven. Hij is vaak zorgzaam en gaf ooit een persconferentie om de geboorte van een kleinkind bekend te maken. Hij blijft Vilma Espin trouw, die al meer dan 47 jaar zijn vrouw is en nu een ernstige ziekte heeft. Hij geniet ook van zijn rol als pater familias. Hij was in 1989 helemaal kapot toen Fidel bleef aandringen op de executie van Arnaldo Ochoa, een nauwe vriend en veelvuldig onderscheiden generaal, die er door het regime van werd beschuldigd zich met drugshandel te hebben ingelaten.

Als Raúl Fidel opvolgt, zullen zijn leiderschap en zijn houding tegenover de Verenigde Staten waarschijnlijk andere prioriteiten weerspiegelen dan die van zijn broer.

Meer dan eens heeft Raúl in de Cubaanse media gesproken over de deugden van vraag en aanbod – een concept dat voor Fidel onbespreekbaar is gebleven. Sinds de jaren negentig lijkt Raúl voorstander te zijn geweest van beperkte marktgeoriënteerde hervormingen, waaronder meer ondernemerschap van burgers. Hij zou waarschijnlijk proberen de Chinese aanpak te kopiëren: economische hervormingen zonder politieke opening.

Raúls topgeneraals onthouden zich van Fidels vinnige anti-Amerikaanse retoriek, en hebben zich tijdens bijeenkomsten in Cuba hartelijk betoond jegens delegaties van gepensioneerde Amerikaanse officieren. En toen voor het eerst Al-Qaeda terroristen werden opgesloten op de Amerikaanse marinebasis in het Cubaanse Guantánamo Bay, werd Raúl in de officiële Cubaanse pers geciteerd met de verzekering dat zij na een eventuele ontsnapping naar Cubaans grondgebied onmiddellijk zouden worden teruggestuurd. Fidel heeft zoiets nooit gezegd.

Maar Raúl begrijpt de Verenigde Staten niet zo goed als Fidel, die de Amerikaanse politiek altijd met intense belangstelling heeft gevolgd. Raúl ontmoet zelden Amerikanen en is in geen decennia officieel door een Amerikaanse mediavertegenwoordiger geïnterviewd. Hij heeft zijn vakanties doorgebracht op verscheidene plekken in de Sovjet-Unie, maar is slechts één dag in de Verenigde Staten geweest – in april 1959.

Destijds leek Raúl de radicaalste van de twee gebroeders Castro, ideologisch rechtlijniger en meer anti-Amerikaans. Maar het kan zijn dat Fidel en hij van rol hebben gewisseld. Fidels dochter Alina Fernandez vertelde me in 2004 vanuit haar ballingschapsadres in Miami dat haar oom Raúl „de meest praktische van de twee is.” Als hij eenmaal aan de macht is, zou Raúl wel eens tot de overtuiging kunnen komen dat zijn regering betere betrekkingen met de Verenigde Staten moet nastreven, en dat met name een eind moet komen aan het tientallen jaren oude economische embargo tegen Cuba. Omdat hij Fidels charisma mist, weet hij ongetwijfeld dat hij méér zal moeten doen om tegemoet te komen aan de verlangens naar verandering onder het volk. Prioriteit zal zijn te zorgen voor brood, in plaats van Fidels revolutionaire ‘spelen’.

Er zijn een paar unilaterale stappen die Raúl kan zetten om de patstelling met Washington te beëindigen. Hij kan bijvoorbeeld de wens uiten om met Amerikaanse veiligheidsinstanties samen te werken op het gebied van de terreurbestrijding. Hoe zou zo’n voorstel, als het serieus is, geweigerd kunnen worden? En het huidige Amerikaanse beleid – het embargo en het reisverbod, de Helms-Burton Act uit 1996, de opname van Cuba op de door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken opgestelde lijst van internationale steunpilaren van het terrorisme – zou dan steeds onhoudbaarder worden.

Zo’n Cubaans initiatief is misschien te veel om op te hopen; eenmaal aan de macht kan ‘Raúl de Verschrikkelijke’ er ook voor kiezen vast te houden aan het repressieve beleid van zijn broer. „We hebben meer dan genoeg kanonnen om ons te verdedigen”, waarschuwde hij het Cubaanse volk na demonstraties in 1994. Maar hij kan zich geen ‘Plein van de Hemelse Vrede’ veroorloven. De strijdkrachten die hij heeft grootgebracht, zullen waarschijnlijk in tweeën splijten als zij opdracht krijgen op burgers te schieten; een burgeroorlog op het eiland zou voor hem het slechtst denkbare scenario zijn, maar ook voor Cuba en de Verenigde Staten.

Het is onmogelijk om te voorspellen hoe lang Raúl zou kunnen blijven regeren. Zijn gezondheid laat misschien te wensen over na jaren van zwaar drankgebruik. Hij is een slechte spreker, wordt eerder gevreesd dan bewonderd door het volk, en heeft nooit een grote nationale crisis hoeven bezweren. Als zich scheuringen voordoen binnen de strijdkrachten, kan zijn ambtsperiode van korte duur zijn.

Raúl zal voor sommigen in de Verenigde Staten onaanvaardbaar zijn – vanwege zijn bloedige staat van dienst, of gewoon omdat hij een Castro is. De Commissie voor Hulpverlening aan een Vrij Cuba van de regering-Bush bevestigde onlangs het traditionele beleid van verzet tegen een eventuele troonsbestijging door Raúl. Maar diens critici moeten bedenken dat hij wellicht slechts een overgangsfiguur is, die de basis kan leggen voor stappen naar een democratischer Cuba.

Hoe het leven na Fidel zich ook zal ontwikkelen, de waarheid over zijn fascinerend complexe jongere broer hoeft voor Amerikaanse functionarissen niet moeilijk te ontdekken te zijn. Mijn gok is dat ze erachter zullen komen dat ze met hem kunnen samenwerken.

Brian Latell is hoofdonderzoeker aan de Universiteit van Miami en auteur van ‘After Fidel: The Inside Story of Castro’s Regime and Cuba’s Next Leader’ (Palgrave Macmillan).

© LA Times/Washington Post