Harde lijn en hand over het hart

Minister Verdonk voert een streng uitzettingsbeleid van uitgeprocedeerde vreemdelingen maar zegt ook de hand over het hart te strijken. De rechter prikt dat nu door.

Minister Verdonk (Vreemdelingenzaken, VVD) heeft een gespannen verhouding met het recht, blijkt uit een beschouwing in het Juristenblad van 16 juni door de Nijmeegse hoogleraar rechtssociologie C.A. Groenendijk. Hij is voorzitter van de Commissie-Meijers, een kritisch gezelschap deskundigen op het gebied van internationaal vreemdelingen-, vluchtelingen- en strafrecht. „Grote woorden, minder daden en riskante ideeën”, zo typeert Groenendijk de aanpak van de bewindsvrouw.

Een voorbeeld is haar plan om de verplichte inburgeringstoets uit te breiden tot genaturaliseerde „oudkomers” terwijl geboren Nederlanders zijn vrijgesteld. Zo creëert Verdonk twee soorten Nederlanders, is de kritiek. Haar weerwoord is dat een „adequaat referentiekader” ontbreekt, zodat ze, met andere woorden haar gang kan gaan. Maar dat kader bestaat wél. Een Europees verdrag over nationaliteit zegt dat overheden onderscheid tussen geboren en genaturaliseerde onderdanen moeten vermijden. Premier Balkenende verklaarde trouwens al op 5 september 2002 in de Tweede Kamer dat „er slechts één soort Nederlander is”.

De jongste aanvaring tussen Verdonk en het recht betreft de manier waarop zij schrijnende gevallen behandelt. De minister had haar politieke visitekaartje afgegeven met een draconisch besluit om 26.000 uitgeprocedeerde vreemdelingen te verwijderen. Ze moest wel beloven dat zij schrijnende gevallen persoonlijk zou bekijken en zonodig de hand over het hart zou strijken. Er kwam een stortvloed van verzoekschriften van uitgeprocedeerden om de bewindsvrouw te overtuigen dat zij in aanmerking kwamen voor een positieve beslissing. Voor de meesten liep dat uit op een afwijzing. Dan is al gauw de vraag: „waarom een ander wél en wij niet?”

Minister Verdonk weigerde een antwoord te geven op deze vraag, hoewel deze elementair is voor goed bestuur – en een goede bestuurder. Een menselijk gezicht moet geen willekeur worden. De minister beriep zich op het „discretionaire” karakter van haar afwijkbevoegdheid, waarvoor per definitie geen criteria zouden zijn te geven. De kennisgeving dat zij in het individuele geval geen gebruikmaakt van haar uitzonderingsbevoegdheid vond zij „een feitelijke mededeling die ik niet vatbaar acht voor bezwaar en beroep”.

Even leek Verdonk daarmee weg te komen. De Raad van State besliste in januari 2004 dat de smeekschriften aan de minister geen aanvraag tot verblijf in de juridische zin opleveren, zodat ze buiten de administratieve rechtsbescherming vallen. Maar als ze een verwijzing bevatten aan een juridische bepaling vielen ze er volgens de Raad weer wél onder. Langs deze wat omslachtige weg heeft de vraag „waarom zij wel en wij niet?” dan toch de rechter bereikt.

Dat was voor Verdonk geen reden haar beslissingen inzichtelijk te maken. De Rechtbank Amsterdam heeft dat begin juli niet geaccepteerd. Van de 26.000 uitgeprocedeerden zijn nu 19.000 afgehandeld. De minister heeft pakweg 700 keer bij schrijnende gevallen de hand over het hart gestreken. De rechter vindt het onaannemelijk dat daar geen enkele lijn in zou zitten. Bovendien kan Verdonk niet alles zelf afdoen, al sprak ze van „zúlke stapels, hier op de kamer, avond na avond met de mensen van de IND”. In de praktijk moet ze de hand over haar hart vaak overlaten aan die mensen. Daar zal toch intern wel iets over zijn afgesproken.

Verdonk kan lering trekken uit de zogeheten witte-illegalenkwestie, begin jaren ’90. Staatssecretaris Kosto (Vreemdelingenzaken, PvdA) kondigde een harde aanpak af van deze mensen, die hier vaak al lang zaten. Ook híj streek de hand over het hart. In honderden gevallen. En in stilte. Deze bleek echter niet houdbaar.

Kosto vertrok naar de Raad van State – die prompt zijn opvolger en partijgenote Schmitz sommeerde uitsluitsel te geven over de humanitaire criteria die zij hanteerde. Schmitz trok de logische consequentie en stelde een beleidslijn op, waarop de Haagse politiek over haar heen viel omdat dit de verkapte legalisering van illegalen zou zijn die juist was afgewezen.

Onwelkome discussie zal ook nu wel een motief zijn waarom minister Verdonk zo hardnekkig weigert uitsluitsel te geven. Toch hoort er een beleidslijn te komen als het om meer dan incidentele gevallen gaat. Dat heeft de minister op 5 februari 2004 trouwens zelf aan de Tweede Kamer geschreven. Het beeld van een harde lijn met toch een menselijk gezicht heeft Verdonk publicitair geen windeieren gelegd. Bijna de helft van die 19.000 afgehandelde gevallen heeft toch maar mooi een verblijfsvergunning gekregen, heet het.

Dat mooie percentage heeft echter niets te maken met ruimhartigheid van Verdonk, stelt Groenendijk koeltjes vast, maar gaat al jarenlang op. Meestal dankzij de rechter en niet de minister.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl