Geloof uit het verdomhoekje

Nog leger zullen de kerken niet worden, volgens recent onderzoek van het SCP. Maar ook niet voller. De helft van de jongeren vindt religie niet meer belachelijk of ouderwets, maar naar de kerk gaan ze niet.

Ruim 1.400 jongeren in Zutphen op de vijfde jaarlijkse ‘vormseldag’ van het Aartsbisdom Utrecht in mei. Vierhonderdduizend gelovige jongeren op de katholieke Wereldjongerendagen vorig jaar in Keulen. En de EO-jongerendag – dit jaar georganiseerd onder de titel Enter the Mystery – trok 32.000 bezoekers.

Jongeren en kerk: dat zit wel goed, lijkt het. „Een misverstand”, zegt Joep de Hart, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). „Kerken stromen vol met jongeren, wordt gezegd. Maar dat beeld klopt niet.” De kerken zijn juist leeg.

Vorige maand verscheen in het tijdschrift Religie en Samenleving een voorpublicatie van ‘Godsdienstige veranderingen in Nederland’, een onderzoek van JosBecker en Joep de Hart. Eén conclusie luidt dat de ontkerkelijking in Nederland „vrijwel volledig tot stilstand is gekomen”. Dat lijkt een positieve ontwikkeling. Maar De Hart zegt: „We noemen dat het bodemeffect. Degenen die nu nog bij de kerk zitten, blijven daar ook zitten.”

In 1997 schatte het SCP dat 73 procent van de bevolking in 2020 buitenkerkelijk zou zijn. Die prognose wordt nog steeds onderschreven. Sterker nog, „het plafond van ruim zeventig procent is in zicht”, aldus het onderzoek in Religie en Samenleving. Onder jongeren is de buitenkerkelijkheid het hoogst.

Maar als het aantal jonge kerkgangers daalt, hoe valt het succes van de jongerendagen dan te verklaren? „Jongeren organiseren hun kerkelijkheid beter”, zegt Joep de Hart. Ze treden meer naar buiten. In de media bijvoorbeeld. De Hart noemt dit „optisch bedrog”. De veranderingen, legt hij uit, geven een vertekend beeld. „In de kerk komen niet méér jongeren. Maar ze zitten op een kluitje. Ontkerkelijking treft de jongeren net zo hard.”

Dat zegt ook Monique van Dijk-Groeneboer, godsdienstsociologe aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (KTU). Zij presenteerde vorig jaar de resultaten van het onderzoek Geloof ff checken, een vijfjaarlijkse enquête van de KTU onder ruim duizend katholieke vierde- en vijfdeklassers. Ook Van Dijk ziet een daling in het aantal jonge kerkbezoekers. „Maar als jongeren besluiten naar de kerk te gaan, doen ze dat ook goed", zegt ze. „Dan kiezen ze écht. Ze dragen hun geloof letterlijk uit. Dan lopen ze het hele jaar met een armbandje van de Wereldjongerendag. Zo hebben ze het gevoel niet alleen in het geloof te staan.”

Dit verklaart ook het succes van de jongerenkerken, die het net als de religieuze mega-evenementen goed doen. Van Dijk: „Die groep jongeren komt vaak uit een wat meer behoudende kerk. Ze zijn blij wanneer ze het geloof in een eigentijdser vorm mogen vieren. Dat event-achtige trekt enorm.”

Jongeren die kerkelijk zijn, manifesteren zich als groep dus duidelijker. Joris Kregting van onderzoeksbureau Kaski, dat zich onder meer bezighoudt met religie en samenleving, noemt dit het ‘harde-kern-effect’. Kregting deed onderzoek naar katholieke jonggelovigen tussen de achttien en dertig jaar. En constateerde dat de groep jongeren die binnen de kerk overblijft „steeds compacter wordt” en „een hechtere groep vormt”.

Na de zestigplussers zijn jongeren de actiefste leden binnen de kerk. Waar het geloof bij de ouders nog in het verdomhoekje zat, durven hun kinderen er voor uit te komen. Kregting: „Deze jongeren hebben zelfvertrouwen. Ze schamen zich niet voor hun geloof.”

Hoewel dat laatste een verklaring zou kunnen zijn, blijkt de vraag waarom gelovige jongeren zich als groep duidelijker manifesteren, lastig te beantwoorden. Monique van Dijk constateert in haar onderzoek Geloof ff checken dat identiteit kiezen en uitdragen belangrijk is voor jongeren. Ook de open houding van buitenkerkelijke jongeren draagt er mogelijk toe bij dat gelovige jongeren gemakkelijker met hun religieuze identiteit in de openbaarheid treden. Van Dijk: „Meer dan de helft van alle jongeren vindt religie niet belachelijk, ouderwets of achterhaald.”

Sterker nog; jongeren staan open voor geloof. Joep de Hart van het SCP constateert dat ideeën die traditioneel tot het christendom behoren, populair zijn onder jongeren. „Je ziet dat bidden toeneemt. En ook het geloof in wonderen en leven na de dood. Maar als je hen vraagt of ze in god geloven, dan ontkennen ze dat.”

Jongeren zijn niet zoals hun ouders verbitterd en teleurgesteld in het geloof en hebben met de kerk „geen ruzie”, zegt De Hart. „Maar de kerk komt bij hen simpelweg sporadisch in het vizier.”

En daar, zegt de Hart, in die „religieuze muzikaliteit” ligt dan misschien een potentieel voor de kerk. „Maar dan moeten ze zich wel een beetje aanpassen.”