Effect van genen tijdens leven niet constant

Een seksuologe veronderstelde kennelijk dat genen er voor zorgen dat mannen zich minder voor hun uiterlijk schamen dan vrouwen. Heleen Mees vindt dit ”natuurlijk lariekoek” (Opiniepagina, 28 juli). Haar betoog getuigt niet van veel kennis van zaken. Zij schrijft: ”Als het genetisch zou zijn, en schoonheid dus bepalend voor de overlevingskansen van meisjes en vrouwen, dan zou op grond van de evolutietheorie verwacht mogen worden dat meisjesbaby`s `mooier` zijn dan jongensbaby`s.”

1. In de evolutietheorie gaat het niet in de eerste plaats over overlevingskansen maar over `fitness`. Dit is de mate waarin genen naar volgende generaties worden doorgegeven. Uiteraard hebben overlevingskansen en fitness met elkaar te maken (wie eerder sterft heeft vaak minder kansen zijn genen door te geven) maar het zijn geen uitwisselbare begrippen: genen van kortlevende individuen met veel nakomelingen kunnen best meer in volgende generaties voorkomen dan genen van langlevende individuen met nauwelijks nakomelingen.

2. Fitness hangt niet zozeer af van schoonheid als wel van seksuele aantrekkelijkheid. Ook deze begrippen overlappen elkaar slechts ten dele: veel mensen vinden gazellen mooi maar slechts weinig mensen vinden deze diersoort seksueel aantrekkelijk.

3. Het effect van de genen is tijdens het leven niet constant. Seksuele aantrekkelijkheid is pas functioneel als een vrouw vruchtbaar is. Baby`s moeten vooral zorgen dat ze ouderzorg opwekken. Genen die daar voor zorgen vergroten hun fitness, bij zowel jongens als meisjes. Vandaar dat jongens- en meisjesbaby`s weinig van elkaar verschillen.