Commerciële prenten van Bruegel

Tentoonstelling: Bruegel geprent. Kon. Bibliotheek van België, Brussel. T/m 27/8 (zo. en 15/8 gesloten). Cat. uitg. Kunstboek), 272 blz., € 19,90. Inl.: 0032-2-5195398, www.bruegel06.be

‘Boeren-Bruegel’ en ‘Peer den drol’ zijn bijnamen van de Antwerpse schilder Pieter Bruegel de oude (ca. 1525-1569). Hij wordt zo genoemd om hem te onderscheiden van kunstenaars met dezelfde achternaam, zoals zoons Pieter de jonge, om zijn fantasievolle voorstellingen ‘Helse Bruegel’ genoemd, en Jan, die om zijn subtiele stofuitdrukkingen bekend werd als ‘Fluwelen Bruegel’.

De bijnamen van de stamvader duiden erop dat zijn naam vooral werd geassocieerd met zijn voorstellingen van boerenbruiloften en andere vrolijke, volkstaferelen. De kunstenaarsbiograaf Karel van Mander schreef al in 1604 dat Bruegel zelf van het platteland afkomstig was, en dat beeld heeft de visie op de kunstenaar lange tijd bepaald. Toch heeft de kunstgeschiedschrijving al lang ingezien dat een veelzijdig oeuvre als dat van Bruegel in de zestiende eeuw alleen tot ontwikkeling kon komen in de economische, sociale en intellectuele omstandigheden van een stedelijke omgeving. Bruegel was landman van geboorte, maar zijn carrière speelde zich af in de steden Antwerpen en Brussel.

Een opvallend aspect van het werk van Bruegel, dat bij uitstek kon gedijen in de humanistische renaissancecultuur van de grote stad, wordt gevormd door zijn ontwerpen voor prenten. Een expositie in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel toont uit eigen bezit alle 84 prenten waarvoor Bruegel het voorbeeld leverde, samen met enkele van Bruegels oorspronkelijke pentekeningen. De prenten resulteren uit de samenwerking tussen Bruegel en de Antwerpse uitgever Hiëronymus Cock. In 1546 had Cock in Rome kennisgemaakt met de nieuwe bedrijfstak van de prentenuitgeverij. Terug in Vlaanderen begon hij zijn eigen uitgeverij-prentenwinkel, die hij ‘Aux quatre vents’ doopte, vanuit de ambitie voorstellingen uit alle windstreken aan de man te brengen. In de nog weinig bekende Bruegel, die ook net uit Italië was teruggekeerd, vond hij de ideale ontwerper: artistiek begaafd en van veel markten thuis. De geëxposeerde prenten getuigen ervan: van weidse Alpenlandschappen tot allegorische series van deugden en ondeugden, van een reeks uitbeeldingen van spreekwoorden tot een collectie portretten van zeeschepen.

Cock zal de thema’s hebben voorgeschreven; opvallender is dat ook de stijl waarin Bruegel werkte soms door commerciële overwegingen moet zijn bepaald. Was aanvankelijk de Italiaanse renaissance in het zestiende-eeuwse Vlaanderen hét voorbeeld, later kwam er meer belangstelling voor oude, noordelijke tradities. Zo begon Bruegel omstreeks 1556 te werken in de manier van de veertig jaar eerder overleden Hiëronymus Bosch, met bizarre fantasiewezens en hellevuren. Cocks handelsgeest ging zover dat hij de prent ‘De grote vissen eten de kleine’ (1557), die is gemaakt naar een tekening van Bruegel, liet voorzien van de naam van Bosch als ontwerper.

Ook andere prentontwerpen van Bruegels hand, getuigen van een nauwe, consciëntieuze samenwerking met zijn uitgever. Anders dan bij Italiaanse uitgevers, waar gespecialiseerde graveurs nogal eens de vrije hand kregen in hun interpretaties van globale ontwerptekeningen, leverde Bruegel gedetailleerde composities, die door de graveur tot in de kleinste arceringen kon worden nagevolgd. Dat hij zelf ook een begenadigd prentkunstenaar moet zijn geweest, blijkt uit de enige ets die van zijn hand bekend is. Het blad toont een sfeervolle voorstelling van een landschap met konijnenjagers. Dit werk doet vermoeden hoeveel fraaier de prenten eruit hadden gezien als de ontwerper ze steeds zelf had uitgevoerd.