Bij Dekker liggen hemel en hel dicht bij elkaar

Gisteren maakte Erik Dekker (35) bekend dat hij zijn wielerloopbaan beëindigt. Profiel van een man die in zijn carrière veel hoogte- en dieptepunten kende. „Ik offerde me te veel op voor anderen.”

Weinig typeert de wielrenner Erik Dekker beter dan zijn laatste grote meesterwerk, over 252,2 kilometer van Parijs naar Tours, op 10 oktober 2004. Hij gaat mee in een vroege ontsnapping, dat is goed voor de kansen van ploeggenoot Oscar Freire. Onderweg begint hij zich gaandeweg rijk te rekenen. „Als we op vijftig kilometer nog vier minuten hebben… op dertig kilometer nog twee… dan kan het!” Maar 25 kilometer voor de finish is het verschil slechts een minuut. Dekker lost zijn medevluchters op de klimmetjes, maar ziet op een viaduct het peloton al onder zich door rijden. Kansloos? De eerste achtervolgers halen hem in. Op het tandvlees blijft hij bij, en in een split-second analyseert hij de situatie. Even de indruk geven dat hij op is. Dan ineens… een demarrage in volle finale! Matthias Kessler is een taaie tegenstander, maar in de laatste rechte lijn blijkt Dekker sterker. Vlak voor het aanstormende peloton wint hij de prestigieuze wereldbekerwedstrijd.

Zo kon het Rabo-boegbeeld schitteren op hoogtijdagen. Lef, koersinzicht en pure klasse. Achteraf vaak aangevuld met aangename staaltjes Drentse relativering. „Mijn eerste ritzege in de Tour was geweldig, maar dit was de mooiste wedstrijd die ik heb gewonnen. Gewoon door de manier waarop. Bizar. Niemand had het raar gevonden wanneer ik als 110de was geëindigd, twintig seconden achter het peloton. Dan had ik fysiek dezelfde topprestatie geleverd. Maar niemand had het een superdag genoemd.”

Na zijn zege in Parijs-Tours waren superdagen dun gezaaid. Dekker dacht hardop na over stoppen en plande de eindstreep aan het einde van dit seizoen. Een verschrikkelijke val met zijn gezicht op het asfalt in de Touretappe naar Valkenburg vervroegde het afscheid met drie maanden. „Dat is erg, maar de val zelf vond ik veel erger”, relativeerde Dekker gisteren op een persconferentie waar werd aangekondigd dat hij vanavond in het criterium in Emmen zijn laatste wedstrijd rijdt en per direct zal worden ingewerkt als ploegleider van Rabobank. Meer dan andere renners had Dekker oog voor het minieme verschil tussen succes en falen. „Hemel en hel liggen dicht bij elkaar”, zei hij al in 1999.

Als bescheiden Drents jochie zag hij het van dichtbij, blijkt uit een in 2004 verschenen biografie. Naast serieuze problemen in het wielergekke gezin, was er de ontsnapping op de fiets. Bij de Peddelaars geldt de jonge Erik al als een uitblinker, in de nationale jeugdselecties is er geen houden meer aan. Dekker wint veel en van alles. Als er iets tegenzit, rekent hij daar direct mee af. Heeft de buitenwacht kritiek op bondscoach Piet Kuijs, van jongs af aan aan zijn steun en toeverlaat? Dekker wint zilver op de Spelen van Barcelona. „Hij kwam na de streep naar me toe rijden en vroeg of we nu hadden bewezen dat ik een goede coach was”, herinnerde Kuijs zich later. Aarzelt Cees Priem om hem een profcontract te geven? Dan tekent Dekker toch bij Jan Raas.

Na een goed najaar in 1992 blijven de resultaten uit. Italiaanse en Spaanse renners hebben een veel betere begeleiding, medisch en trainingstechnisch. Dat verandert pas als Rabobank de ploeg van Raas gaat sponsoren, en Geert Leinders wordt aangetrokken als ploegarts en trainer. In de Tour van ’97 vindt een omslag plaats in zijn denken. „Ik offerde me misschien te snel voor anderen op”, zei hij daarover. Hij wint de Ronde van Nederland en concludeert: „Ik kan wereldtop worden.”

De twee jaar erna is er veel tegenslag. Hamstringblessure, val in de eerste rit van de Tour ’98, spierscheuring. En vooral: een paar dagen voor het WK van 1999 in Verona wordt bij Dekker een te hoge hematocrietwaarde geconstateerd. Dat kan duiden op gebruik van het bloeddopingmiddel epo en leidt in die tijd tot een startverbod van veertien dagen. „Een rottijd”, zei hij over de periode die volgde. „Dan barstte mijn vrouw in huilen uit, dan ikzelf. Een hel, echt waar.”

Op vakantie in Mexico besluit Dekker vanuit de diepste diepte dat hem maar één ding te doen staat: terugvechten. Met steun van Kuijs, Leinders en Rabo, dat een oorzaak achterhaalt voor zijn te hoge hematocrietwaarde: een stuwbandje dat te strak om de arm zat. Uitgerekend dan breekt hij in Parijs-Nice zijn elleboog. Op het nippertje haalt Dekker de Tourselectie. Vanaf de eerste dag vliegt hij erin. In de achtste etappe volgt de beloning. Een solo naar Villeneuve-sur-Lot, in extase over de streep. En het houdt niet op. Ook de elfde en zeventiende rit zijn voor Dekker. Na de Tour rijdt hij iedereen zoek in de Clasica San Sebastian. „Ik schrok ervan toen ik het op de video terugzag.”

Drie Tourritten en een wereldbekerwedstrijd, maar nog is de honger niet gestild. Op een tweede plaats in de Ronde van Vlaanderen van 2001 volgt een sprintzege tegen Lance Armstrong in de Amstel Gold Race. Dekker wint een Tourrit, de wereldbeker, en wordt gekozen tot Sportman van het jaar. „Erik weet nu hoe de hazen lopen”, concludeert Hennie Kuiper in een tweegesprek in januari 2002. Als de oud-topper de deur uit is, maakt Dekker zijn volgende ambitie bekend: eerste worden op de wereldranglijst. Hij wint de Tirreno-Adriatico. „Het gaat te goed”, dolt ploegarts Leinders. Dan komt Dekker ernstig ten val in de vroege finale van Milaan-Sanremo. Heupbreuk, het begin van het einde.

Op ‘één been’ rijdt Dekker de Tour van 2002. Het seizoen erop mist hij door een mysterieuze knieblessure. Pas in 2004 kent hij eindelijk weer hemelse momenten, vooral in het najaar. Zijn laatste twee seizoenen blijven grote overwinningen uit, en is hij vooral belangrijk voor jonge ploeggenoten als Thomas Dekker. Is het raar dat hij nu, na 69 overwinningen en zoveel tegenslag, niet nog eens wil terugknokken? In de ploegleidersauto is de hemel misschien iets verder weg, maar het risico om terug te vallen naar de hel is een stuk kleiner.