Zwemploeg stapje voorwaarts

Met zeven medailles deed het Nederlandse zwemmen een kleine stap voorwaarts bij de EK in Boedapest. Maar in de breedte blijft het behelpen. „Sommigen mis-sen gewoon kwaliteit.”

Mark Hoogstad

Haar levensmotto stond onlangs te lezen op de website van haar zwemvereniging De Water Kip (DWK) uit Barneveld: „Het is leven is een groot feest en jij bent uitgenodigd.”

Een feest waren de Europese kampioenschappen in Boedapest niet voor Rieneke Terink. Met een beschamende 2.08,66 – ruim vier seconden boven haar persoonlijk record – stond de 22-jarige zwemdebutante donderdag aan de basis van de voortijdige eliminatie van de estafetteploeg op de 4x200 meter vrije slag.

Terink was niet de enige Nederlandse die teleurstelde in de Hongaarse hoofdstad. Wat te denken bijvoorbeeld van Bastiaan Tamminga? Met de vierde inschrijftijd begon de breedgeschouderde sprinter aan de 50 meter vlinderslag, als de anonieme nummer 24 klauterde hij uit het water.

Nederland won weliswaar zeven medailles (twee goud, twee zilver en drie brons), goed voor de achtste plaats in het eindklassement, maar maakte slechts een bescheiden stap voorwaarts. Slechts twintig procent van de persoonlijke records werd verbeterd – een magere score.

Toch deed chef-coach Jacco Verhaeren zijn best vooral de positieve punten te belichten, toen hij gisteravond de eindbalans opmaakte. Hij roemde de teamsfeer, prees zijn manager („zonder hem ben ik niets”) en bekende vooral tevreden te zijn over „de opstanding van Inge Dekker”.

Eindelijk had de 20-jarige sprintster, vrijdag winnares van de 100 meter vlinderslag, naar haar mogelijkheden gezwommen. Verhaeren kan slechts hopen dat zijn pupil een mentale horde heeft genomen.

Bemoedigend was daarnaast het optreden van twee tieners, Ranomi Kromowidjojo (15) en Nick Driebergen (18). Beiden gedijden in de sfeer van samen- in plaats van tegenwerking – tot voor kort de norm binnen de nationale ploeg. Ook Moniek Nijhuis en Chantal Groot (brons) presteerden naar behoren in het Alfréd Hajós-zwemcomplex, zij het op onderdelen die niet of nauwelijks tot de verbeelding spreken: 50-meternummers zonder olympische status.

Maar verder? De kloof tussen top en subtop is eerder groter dan kleiner geworden, zo bewees ‘Boedapest’. Verhaeren was dan ook somber gestemd toen de breedte van zijn selectie ter sprake kwam. „Met deze groep moeten we het straks doen in Peking (Olympische Spelen 2008, red.), maar sommige mensen hebben gewoon niet de kwaliteit om uit te groeien tot een degelijke topzwemmer, die de estafetteploeg door de series kan loodsen bijvoorbeeld.”

Als oorzaak voor het in sommige gevallen schrijnende gebrek aan kwaliteit verwees Verhaeren naar de dagelijkse praktijk in Nederland.

Aan het aantal trainingsuren (gemiddeld twintig per week) ligt het niet, wel aan de invulling van de trainingen. „Het gaat erom wat je als trainer in die beschikbare tijd doet. Op dat punt valt nog veel te verbeteren.” Binnenkort wil de technisch directeur met de betrokkenen om tafel.

Zorgwekkend is en blijft bovendien de eendimensionale samenstelling van de selectie, waar de sprinters domineren. Op de zware, trainbare nummers schittert Nederland al jaren door afwezigheid, alle bondsinitiatieven ten spijt. „We moeten af van de 50-metercultuur”, liet Verhaeren zich al eens ontvallen.

In Boedapest was Sebastiaan Verschuren de witte raaf. Op de 1.500 meter, de marathon onder de zwemnummers, bleef de 17-jarige debutant met 15.48,37 (negentiende) ruim boven zijn persoonlijk record.

Ook Pieter van den Hoogenband bleef ver verwijderd van zijn toptijden, maar dat was geen wonder. De drievoudig olympisch kampioen keerde in Boedapest, ruim een jaar na zijn zware hernia-operatie, terug in competitie. Hij deed dat op grootse wijze; VdH zegevierde op de 200 vrij en eindigde, ondanks een gebrek aan explosiviteit en coördinatie na zijn revalidatie, als derde op de 100 vrij.

Aan de boorden van de Donau bewees Van den Hoogenband ditmaal ook op het droge zijn meerwaarde. Sinds zijn privé-coach Verhaeren in maart werd gepromoveerd tot algemeen technisch directeur bemoeit het 28-jarige boegbeeld zich nadrukkelijk met zijn collega’s. Hij is de primus inter pares en zo wordt hij, anders dan voorheen, ook gezien.

„Met die vorige generatie ben ik opgegroeid. Voor hen was ik de Pieter van de competitie en de flauwekulwedstrijden, terwijl ik me wel doorontwikkelde tot olympisch kampioen. Nu is het anders. Ze kijken niet tegen me op, maar deze groep pikt de dingen wel makkelijker op.”

Van den Hoogenband voelt zich niet te beroerd zijn kennis te delen nu het Nederlandse zwemmen volgens hem aan daadkracht heeft gewonnen. Verdwenen zijn de „excuus-Truusjes”, en dat is in zijn ogen al een overwinning op zich.

„Als ik zeg dat de sfeer goed is, bedoel ik uiteraard niet dat we samen liedjes verzinnen en spandoeken maken. Iedereen beseft dat dit een groot titeltoernooi is, en geen schoolreisje.”

EK in Boedapest,pagina 12