Retourtje Borgolungo

Tijdens mijn vakantie in Italië keek ik, liggend aan het zwembad van Borgolungo, naar mezelf. De wielerspieren lagen te rusten onder een bruine huid, de voetbalknieën staken trots naar voren en van een buikje was geen sprake. „Hiermee moet het gebeuren, kerel”, sprak ik mezelf moed in.

Ik had direct bij thuiskomst twee jongensdromen te verwezenlijken. De voetballer De Jong mocht in de eerste week van augustus tijdens de open dag van Feyenoord aantreden in een volle Kuip tegen oud-spelers, daags erop vormde de wielrenner De Jong een koppel met Johan Museeuw in een dernykoers in Oostvoorne.

Voetbal en wielrennen schijnen elkaar niet te verdragen. Spieren willen niet uitgerekt worden tijdens een zware koers en meteen daarop de schokken opvangen van een sprint op een veld.

Die wedstrijd in de Kuip zou ik wel doorkomen. Ik had de weken ervoor nog een paar keer gevoetbald en bovendien stonden we met elf man op het veld. Fietsen doe je alleen. Ik moest in Italië op een huurfiets kilometers maken.

In het hete appartement lag ik loom op de bank voor de tv. Ik bestudeerde de geheimen van de profs in de Tour. Kon ik hier in Italië mijn bloed verversen bij de apotheek? En wat was infuus in het Italiaans?

Om mezelf te testen reed ik naar Volterra, met een klim van negen kilometer aan het slot. Kapot boven bij de stadspoort. In een bar cappuccino, flesje water, broodje en koek naar binnen gepropt. Afdalen. De terugweg werd een marteling.

De Tour haal je niet meer op bruine boterhammen. Nou, voor een retourtje Borgolungo had ik graag een receptje voor testosteron bij de farmacia afgehaald, dan maar een vergrote pipo met gezwollen dopneus als bijverschijnsel in de koersbroek.

De volgende dag trapte ik iedere plastic bal die vanuit het zwembad mijn kant op rolde met een ferme trap terug tegen de kindersnoetjes in het water. Voor het voetbalpotje in het stadion hoefde ik niet veel meer te trainen.

Op de terugweg naar Nederland las ik in mijn hotel een e-mail: Museeuw kwam niet naar Oostvoorne, ik was ook geschrapt. Daar had ik dan zoveel voor getraind? Thuis in Rotterdam rende ik als een bezetene een rondje rond de Kralingse Plas. De wielerspieren verzetten zich massaal toen ik over een grasveld sprintte. Pure roofbouw op een lichaam dat weigerde twee sporten te combineren.

D-day. Via de spelerstunnel liep ik het veld op van de volle Kuip. Na twintig meter in wandelpas hoorde ik een enorm applaus. Zou het publiek het zien, dat afgetrainde lijf? Ik glunderde en zwaaide maar eens. Toen ik omkeek, zag ik dat John de Wolf achter me liep. Ik sprong maar snel een paar keer omhoog naar een denkbeeldige bal.

Ik liep me leeg. In de laatste minuut probeerde ik Regi Blinker de bal af te pakken. Ik ging door mijn knie. Ik hield me sterk maar wist; morgen naar het ziekenhuis.

In het Erasmus MC keek de kniedokter naar de röntgenfoto. Geen breuk, geen scheurtje. Hij wees naar mijn botten: „Ongelooflijk, geen spoortje van slijtage. Ik zie dat je altijd heel zuinig bent geweest op je lichaam.”

De volgende avond zag ik op tv – met een zak ijs op mijn knie – dat Michael Boogerd had gewonnen in Oostvoorne. In barre weersomstandigheden. Maar goed dat ik daar niet aan de start verschenen ben. Een ongeluk komt nooit alleen.