Pappen en nathouden tot er toch plek is

De Bureaus Jeugdzorg liggen onder vuur. Ze moeten kinderen beschermen die worden mishandeld maar dat lukt moeizaam. Ze moeten papieren invullen, bellen, smeken om een logeerplek en nog eens papieren invullen. En dat kost tijd. „Laatst heb ik ’s nachts honderd kilometer gereden met twee baby’s. In de buurt was geen plek vrij.” Deel drie van een serie over organisaties die onder vuur liggen.

Twee maanden geleden, in het weekend van 3 en 4 juni, kwam de crisisdienst van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in actie: in Katwijk waren groepjes Gothic-jongeren van plan om op 6 juni, om zes minuten over zes ’s avonds, collectief zelfmoord te plegen. Althans, dat hadden ze onderling afgesproken. Ze zouden samen van een flat springen. Het getal zes heeft symbolische waarde voor sommige Gothic-aanhangers. Een klasgenoot van een van de Gothic-jongeren uit Den Haag hoorde van het zelfmoordplan, vertelde het aan zijn ouders die de politie waarschuwde. Die belde de crisisdienst. Een aantal jongeren werd op plekken ondergebracht waar zij in de gaten werden gehouden. In elk geval tot na de zesde juni. En ze kregen hulp.

Het voorval kreeg nauwelijks aandacht van de media. „Zo gaat het meestal”, zegt Lisa Taffijn van de crisisdienst van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland. „Gelukkig zijn ze niet gesprongen, er waren geen doden. Mogelijk voorkwamen we een drama, zoals we vaker doen. Aandacht is er alleen als het níet lukt om een drama te voorkomen. Als er iets misgaat, komt het uitgebreid in alle kranten.” Ze pakt een map met krantenknipsels uit de kast. „Dan geldt: hoe bloediger en ellendiger, hoe interessanter.”

De Bureaus voor Jeugdzorg bestaan pas een paar jaar maar ze lagen van meet af aan onder vuur. Ze zijn er om kinderen te beschermen. Elke keer dat er een kind overlijdt, wijzen betrokkenen en de buitenwereld met een beschuldigende vinger naar Bureau Jeugdzorg. Waren de wachtlijsten korter geweest, was het overleg tussen de hulpverleners beter en de bureaucratie minder, dan hadden die kinderen nu nog geleefd. „De schuld ligt dan bij ‘een instantie’ en niet bij de ouders of andere betrokkenen”, zegt Sylvia Verhoog, vertrouwensarts bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in Gouda. Zij vindt de kritiek op de bureaus soms terecht, maar meestal ook erg makkelijk.

Savanna, de driejarige peuter die in 2003 overleed na langdurige mishandeling door haar moeder en stiefvader, werd symbool voor het falen van Jeugdzorg. Het meisje stond onder toezicht van een gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland. De gezinsvoogd schatte de situatie niet goed in en liet het meisje bij haar moeder. Het is nog steeds niet duidelijk of de gezinsvoogd strafrechtelijk wordt vervolgd. In Nederland overlijden jaarlijks naar schatting 50 kinderen aan mishandeling door ouders of stiefouders, tussen de 50.000 en de 80.000 kinderen worden mishandeld.

Tanja Appels, gezinsvoogd bij Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in Leiden, zegt dat een zaak als Savanna ook haar zou kunnen overkomen. „Ik ben voortdurend aan het wikken en wegen. Welke beslissing is het meest verantwoord voor dit kind?” Haar cliënten denken meestal niet constructief mee. De gezinsvoogd is hen opgedrongen. Tanja Appels overlegt op kantoor met collega’s en een gedragsdeskundige. „Een kind uit huis plaatsen ís traumatisch. Dat adviseer je alleen als het echt niet anders kan. Maar je weet nooit helemaal zeker of je de juiste beslissing neemt.”

In 2004 zochten 34.000 ‘derden’ contact met een van de meldpunten, een stijging van negentien procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Dat zijn bezorgde buitenstaanders – een leraar, de huisarts, een verloskundige. Of iemand uit de omgeving: een zus of de buurvrouw. Bijna een kwart van de gemelde zaken werd in behandeling genomen door de Raad voor de Kinderbescherming, omdat ouders zich verzetten tegen bemoeienis. Het meldpunt Zuid-Holland heeft twee of drie keer per jaar te maken met het overlijden van een kind, zegt Sylvia Verhoog. „Dat heeft grote impact. Je wil het liefst ieder kind redden. Maar je kunt niet alles vóór zijn.”

Verhoog is voor het signaleren van kindermishandeling afhankelijk van een melding. „Kindermishandeling moet je durven zien”, zegt zij. „Mishandelde kinderen liggen meestal niet bont en blauw in een hoekje. Ook lichamelijke of psychische verwaarlozing is kindermishandeling.” Zelfs een huisarts ziet dat lang niet altijd.

Zoals bij de jonge, depressieve, alleenstaande moeder met twee meisjes van een en drie jaar die Verhoog kort geleden bezocht. „Het viel me meteen op dat de meisjes extreem rustig waren, apathisch bijna. Dat gedrag krijg je als ouders niet reageren op de pogingen van hun kinderen om contact te maken. Maar je moet het herkennen. Je moet niet denken: ‘wat een goedopgevoede, rustige kinderen’.”

En zelfs als de mishandeling gesignaleerd wordt, wil dat niet zeggen dat een kind snel geholpen wordt. De weg naar daadwerkelijke hulp is lang. Eerst bekijken hulpverleners in een ‘screening’ welke hulp kind en ouders nodig hebben. Dan volgt een ‘indicatie’ waarmee het kind en de ouders worden doorverwezen naar die instelling die de hulp biedt. Bijvoorbeeld drie keer per week therapie voor een hyperactief kind in combinatie met intensieve gezinsverzorging om de ouders te ondersteunen. Zo’n indicatierapport – met allerlei doelen waaraan de hulpverlening moet voldoen – is weken lang in de maak.

Linda van den Stouwe werkt voor de afdeling screening en intake in Alphen aan den Rijn. Zij geeft toe dat haar werk voor een groot deel uit administratie bestaat. „Maar cliënten hebben recht op een goed onderbouwd besluit. En een indicatie is maar zes maanden geldig. Daarna is een herindicatie nodig. Zo staat het in de wet.” Gezinsvoogd Tanja Appels: „Vroeger was een hulpverleningsplan op één A-4tje genoeg. Nu moet je beschrijven wat de doelen zijn die je met de hulp wil bereiken. Zodat de cliënt weet waar die aan toe is.” Vervolgens hebben veel van de instellingen waar Jeugdzorg naar verwijst, een wachtlijst.

De vijftien Bureaus Jeugdzorg zijn juist opgericht om de zorg voor kinderen in nood efficiënter te laten verlopen. Eén loket, wilde het kabinet, waar alle kinderen en ouders terecht zouden kunnen voor problemen in de opvoeding – van heel licht (een vraag over bedplassen) tot heel zwaar (extreme verwaarlozing en mishandeling). Het aantal gezinnen dat hulp krijgt van Jeugdzorg stijgt: in 2005 waren het er bijna 60.000, en dat is buiten de gezinnen die hulp opgelegd krijgen. In 2004 waren het er circa 52.000. De bureaus moeten ook voorkomen dat cliënten zelf langs instellingen (Riagg, tehuizen) moeten trekken om hulp te zoeken.

Critici vinden de weg via Bureau Jeugdzorg niet efficiënter maar juist omslachtig. Bovendien worden cliënten en de hulpverleners opgezadeld met allerlei papieren ballast, schreef Felix Dronkers, beleidsmedewerker bij een instelling voor jeugdhulpverlening in Noord-Nederland vorige maand in het Tijdschrift voor Jeugdzorg. „Bureau Jeugdzorg is een dramatische, peperdure beslissing gebleken.”

De afdeling van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland in Leiden zit in een kantoorgebouw op de derde verdieping. In de ene vleugel zit de jeugdbescherming (gedwongen hulpverlening), in de andere zit de vrijwillige hulpverlening. De kamer van Lisa Taffijn zit in de vleugel van de vrijwillige hulpverlening. In de ontreddering van een crisis zijn mensen sneller geneigd hulp te accepteren, zegt zij. Een eenvoudige crisis kan dan snel worden opgelost. Bijvoorbeeld een crisis die is ontstaan doordat ouders hun opvoedingsstijl niet aanpassen als hun kind opgroeit. Ze proberen hun veertienjarige in toom te houden met een systeem van straffen en belonen. „Zo’n ‘fase-crisis’ is aan te pakken door om te tafel te gaan zitten en de problemen te bespreken. Ouders zijn daarna opgelucht. Ze bellen me als ze weer problemen hebben: ‘Lisa, ik geloof dat we weer een fase-overgang hebben, kun je even langskomen?’”

Lisa Taffijn komt ook in gezinnen waar het volledig uit de hand is gelopen; ouders met psychiatrische problemen of een verslaving, schulden, slechte woning en zwaar verwaarloosde kinderen. Dan is meer nodig dan een goed gesprek. Via Bureau Jeugdzorg wordt gekeken welke hulp het gezin nodig heeft en of ze die vrijwillig willen accepteren.

De schroom van ouders om hulp te vragen is groot, constateert Linda van den Stouwe, van de intake in Alphen. „Ouders associëren Bureau Jeugdzorg met heel zware opvoedingsproblemen. Ze voelen zich losers als ze om hulp vragen. Ze denken dat wij hun kinderen zullen afpakken. Kinderen die hier komen vragen vaak: ‘Moet ik nu naar een tehuis?’ Uithuisplaatsingen komen voor, maar dat zijn de extreme gevallen.” Ze vindt de angst om hulp te vragen jammer. „Ouders modderen daardoor te lang door. Als ze hier komen heb je ze met wat adviezen vaak zo weer op het goede spoor.”

Alleen bij lichte problemen, die in maximaal vijf gesprekken zijn af te handelen, blijft een cliënt ‘binnen’ bij Bureau Jeugdzorg. Linda van den Stouwe zou ouders en kinderen wat langer willen begeleiden. „Soms is een probleem niet in vijf gesprekken op te lossen, maar wel in tien. Dat mag nu niet, dan moet ik doorverwijzen.” Bart Groeneweg, algemeen directeur van de Bureaus Jeugdzorg Zuid-Holland en Haaglanden vindt dat een handicap. „Ik zou willen dat Bureau Jeugdzorg lichte hulp meer zelf zou kunnen bieden. Dat is efficiënter. Nu zijn er voor de vervolginstellingen vaak weer wachtlijsten. Wij worden daarop aangekeken.”

Wachtlijsten. Iedereen binnen Bureau Jeugdzorg heeft ermee te maken. Na een indicatie voor vervolghulp, komen de kinderen bijna altijd op de wachtlijst. Dat kán vervelende gevolgen hebben. Bijvoorbeeld als een jongen van zestien thuis de boel kort en klein slaat, maar de zorginstelling heeft een wachtlijst van een halfjaar. Linda van den Stouwe: „Dan is het erg prettig als je intussen wel hulp mag bieden.” De gemeente Alphen geeft het Bureau Jeugdzorg geld om die overbruggingshulp te bieden. Die hulp is alleen beschikbaar voor inwoners van Alphen. „Voor andere cliënten bel je met instellingen om te kijken of ze niet al eerder iets kunnen doen”, zegt Van den Stouwe. „Pappen en nathouden tot het kind aan de beurt is.”

Bij de crisisdienst bestaan geen wachtlijsten, er moet altijd meteen hulp worden geboden in geval van crisis. De definitie van crisis: van langer wachten zou tot dodelijke ongelukkig komen. Er moet op dat moment iets gebeuren, anders gebeuren er ongelukken. Als een kind niet thuis kan blijven, begint het bellen langs instellingen. ‘Heb jij plaats? Voor één nachtje?’ Op de kamer van Lisa Taffijn in een kantoorpand in Leiden liggen zakken kinderkleding in allerlei maten, een maxi cosi en een autostoeltje. „Een collega had laatst een kind bij zich met een luier en één schoen. Dan zoeken we hier wat kleding bij elkaar en gaan we bellen voor een crisisplaats. Laatst heb ik midden in de nacht honderd kilometer gereden met twee baby’s”, zegt ze. „In de buurt was geen plek vrij.”

Kinderen die volgens Bureau Jeugdzorg in hun ontwikkeling worden bedreigd en die ouders hebben die hulp weigeren, krijgen ook te maken met een wachttijd: zij moeten wachten tot de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van Bureau Jeugdzorg onderzoek heeft gedaan en advies heeft uitgebracht aan de kinderrechter. Als de kinderrechter besluit het kind onder toezicht te stellen of uit huis te plaatsen dan komt de zaak terug bij Bureau Jeugdzorg, bij de gezinsvoogdij. Die procedure kan enkele maanden duren. Directeur Bart Groeneweg vindt dat te omslachtig. „Wat mij betreft”, zegt hij, „mag de Raad worden opgeheven. Zij doen het onderzoek dat Bureau Jeugdzorg al deed, nog eens dunnetjes over. Als mensen zeggen dat de jeugdzorg bureaucratisch werkt, hebben ze híer een punt. Alleen kunnen we er weinig aan doen, zo staat het in de wet.”

Tanja Appels is zo’n gezinsvoogd. In een fulltime baan begeleidt een voogd twintig kinderen – hooguit twee uur per kind per week – het zijn complexe zaken. Vaak zijn verschillende instanties bij een gezin betrokken, van gespecialiseerde gezinsverzorging tot psychiatrisch verpleegkundigen. Appels verleent dan geen hulp, ze organiseert de hulp voor het kind. En ze kijkt of de hulp goed verloopt. Ze is casemanager. De hulp die zij biedt, is verplicht en stuit dan ook op weerstand in gezinnen.

Ook Willem Thijssen, jeugdreclasseerder bij Bureau Jeugdzorg in Gouda, noemt zichzelf casemanager. Hij heeft alleen jongeren boven de twaalf jaar onder zijn hoede die ernstige delicten hebben gepleegd en die mogelijk recidiveren. Ook hij komt af en toe bij de gezinnen thuis. En ook hij stuit op weerstand. „Bij mij is het heel eenvoudig”, zegt hij. „Het is slikken of zitten. Als een jongen niet komt opdagen voor een gesprek, zeg ik: Oké, ik meld het aan de officier. Kan je je straf gaan uitzitten. Meestal komen ze dan snel aan, met smoezen.”

Maar casemanagers zitten ook veel achter het bureau; te bellen met de school, crèche, consultatiebureau, huisarts, behandelaars of de wijkagent. Zij zijn spin in het web. Zij weten welke hulp een kind krijgt, zij moeten ervoor zorgen dat de hulpverleners van elkaar weten hoe zíj vinden dat het met een bepaald kind gaat. Als iemand het bijvoorbeeld onverantwoord vindt dat een kind thuisblijft.

De kritiek op Bureau Jeugdzorg is vaak dat de hulp onvoldoende op elkaar is afgestemd. De brand in Roermond in 2002, waarbij een vader zijn huis in brand stak waardoor zes van zijn kinderen overleden, wordt vaak als voorbeeld genoemd. Meer dan twintig instanties waren bij dat gezin betrokken. Dat was een extreme zaak, maar hulp coördineren is altijd lastig. Vandaar de casemanager. Appels: „Er is er altijd iemand op vakantie of zwanger of die maar drie dagen werkt.” Soms zou ze het liefst zelf gaan helpen, in plaats van zorgen dat anderen hun werk doen. „Komt er zo’n joch van zeventien langs die gewoon aan de slag moet. Ik leg dan uit dat hij zich moet inschrijven bij uitzendbureaus maar eigenlijk moet er iemand met hem mee. Anders gebeurt het niet. Ik heb de neiging om dat zelf te doen, dat is sneller dan iemand anders daarvoor te organiseren.”

Kevin (15) klopt op de deur. Stekeltjeshaar, spijkerbroek en witte sneakers. Willem Thijssen kijkt meteen een stuk strenger. Drie jaar geleden zat Kevin elke week op het politiebureau, hij zat een jaar in de jeugdgevangenis. Een harde kernklant, noemt Willem Thijssen hem. Nu heeft hij al drie maanden geen strafbaar feit gepleegd en daar is Kevin, zegt hij, „best wel blij mee”. Hij vindt de jeugdreclassering wel streng. Overdag moet hij naar een centrum voor jeugdpsychiatrie. ‘s Avonds moet hij om tien uur binnen zijn en de wijkagent komt regelmatig langs om te controleren. Kevin heeft een baantje als afwasser.

Vroeger werkte Thijssen in de verslavingszorg, vijf jaar geleden begon hij bij de jeugdreclassering. „Zo’n jongen heeft nog zijn toekomst voor zich. Daarvoor loop je toch een stapje harder.” De bedoeling is dat de jongens geen strafbare feiten meer plegen. „Dat lukt niet altijd”, zegt Thijssen. „Het liefst wil ik dat het goed met ze gaat, dat ze een opleiding volgen, een baan en een vriendinnetje krijgen. Maar als zo’n jongen niet meer op straat hangt en overlast veroorzaakt, is er ook wat gewonnen.”