Het geluk van de buren

„Er klinkt een piano – Chopin – en daarginds/ buigt wuivend de top van een boom in de wind” schreef Jan Hanlo in een gedicht waar ik aan moest denken toen ik stemmen uit het buurhuis hoorde, gewone stemmen van mensen die aan tafel gaan met de deuren open, een zomeravond. „Soms hoor ik ook lopen op het portaal// en hoor ik het spreken van de buren/ en hun bescheiden grillen en kuren”. De buren hebben twee kleine kinderen, en blijkbaar deden ze wie het best een wolf na kon doen of zoiets, want je hoorde een diepere stem „bwoehoehoegh!” zeggen en dan een licht stemmetje „boeboeboe!” en even later werd er een liedje gezongen over handjes op je bolletje en je handjes op de tafel en daarna werd het stil, alleen hoorde je vaag wat gerammel van vorken en messen.

Heel idyllisch was het in de overigens stille zomeravond. Ik zat in de tuin en keek naar het weiland met de schapen en ik dacht: „Ze zijn gelukkig, mijn buren, hopelijk weten ze dat zelf ook.” Want wat ik hoorde was geluk. Gezinsgeluk.

Niet lang daarvoor had ik een boek gelezen van een beeldend kunstenares, Manja Moos dat Kinderen van Utopia heette, met als ondertitel ‘over het proces van wennen aan een leven zonder eigen kinderen’. Nu ik de kindergeluiden uit het buurhuis hoorde dacht ik aan Manja Moos. Aan hoe ze geërgerd en boos is dat andere mensen hun leven steeds zo afmeten aan de kinderen ‘dat was vóór ik Roosje kreeg’, ‘toen ging Tijmen nog niet naar school’. Alsof die mensen zélf geen leven hebben, schrijft ze kribbig. En hoe ze het zouden vinden als zíj ging zeggen ‘o, toen was onze vierde behandeling net mislukt’. Net zo is ze kwaad wanneer bij een interview met een succesvol iemand staat dat hij of zij kinderen heeft en hoeveel. Ze noemt dat „de verwarring tussen een prestatie en een lotsgebeurtenis”, en acht het volkomen „irrelevant”.

Ach. Je ziet er eigenlijk vooral aan dat Manja Moos toen ze dat schreef nog bepaald niet gewend was aan een leven zonder eigen kinderen. Want als je er niet aan gewend bent, doet alles pijn. En alles klinkt als gericht tégen jou, jij die je niet voortplant, jij dorre akker, kale stronk, jij die buiten het leven staat. Iedereen lijkt kinderen te hebben. Iedereen lijkt erover te praten. Iedereen lijkt je met dat praten buiten te sluiten, van je moeder die zegt dat ze nooit gedacht had dat ze een kleinkind zó leuk zou vinden, tot de collega’s die praten over eerste tandjes. Dan kan iemand die niets liever wil dan zelf kinderen krijgen het ook ineens zeer irrelevant vinden om te weten dat een ander ze wel heeft. Het betekent: hou je mond over die kinderen. De onlogica van het gevoel. Men verbiedt zichzelf om te denken dat het pijn doet, liever is men boos.

Later gaat het beter. Ook bij Manja Moos. Er is een ander kind waar ze op past, elke dinsdag. Mensen vragen: is het van jou? Moet ze toch weer wat verzinnen als iemand volhoudt dat het kind echt op haar lijkt. Ja, zegt ze, „op dinsdag lijkt hij op mij”. Dat is levenskunst.

Maar het echte probleem van de kinderloosheid zit nog ergens anders. Niet in al die leuke kinderen die er op de wereld zijn en die allemaal niet bij jou horen, niet bij de leegte in je armen al is het daar wel leeg – daar kan iemand mee leren leven. Het diepere probleem is dat van de zingeving. Wat heeft een leven voor zin als het zich niet voortzet. Wat doen de jaren die gaan komen ertoe als er toch niets meer komt. Ouders verzekeren ijverig dat het met kinderen ook niet altijd zo leuk is en nee, dat is het zeker niet. Sommige kinderen zijn een bron van problemen, anderen worden ziek of zijn ongelukkig – het bestaan van ouders is allesbehalve gerust. Maar zinledig is het niet.

Manja Moos citeert de brief van een vriendin die boos is op Frans Thomése omdat die in zijn boek Schaduwkind schrijft over de betekenis die zijn leven krijgt op het moment dat zijn dochter geboren wordt: „Ineens wist ik wat ik deed, ik moest iets kleins en liefs in leven zien te houden”. De vriendin is woedend. Voor haar betekent het: het leven was niets waard totdat ik een kind kreeg. En ze betrekt dat op zichzelf: mijn leven is niets waard omdat ik geen kind kreeg.

Ik heb me wel eens in een gedicht voorgesteld dat de engel die Maria komt aanzeggen dat ze een kind gaat krijgen, nu eens iets heel anders aangekondigd zou hebben: dat er géén kind komt. Dat de opgave niet is om uitverkoren te zijn tot iets heel bijzonders (een gevoel wat bijna alle jonge moeders hebben), maar tot het dragen van een weinig spectaculair lot – een kinderloze vrouw te zijn. De engel zou komen uitleggen: er is veel groei in de wereld, maar niet bij jou. „Ik ben hier gekomen om je te zeggen/ dat het echt winter en hoe je moet leven/ nu alles veel kaler.” Maak het warm, zegt de engel, maak het licht. Hou van je man. „Welzalig de vrouw die groot in haar hof staat/ en goed is het huis dat ontvangt wie er komen.”

Zulke dingen laat je zo’n engel dan zeggen, om je te verzoenen, om je het gevoel te geven dat je een opdracht uitvoert, dat er niet alleen iets is uitgebleven, maar dat er ook een vraag gesteld is waarop jíj – dorre tak, los uiteinde – het antwoord bent.

En op een dag zit je in de tuin en hoor je de buren zingen en denk je: ze zijn gelukkig. En misschien moet je even iets wegduwen. Maar dan kun je denken: ik ook.