Godsdienst doet er weer toe ...

Jongeren zijn weer nieuwsgierig naar het geloof, ziet Antoine Bodar.

‘Dat moet je niet afstraffen.’

Priester Antoine Bodar (61) ontvangt in zijn cel, hartje Rome. Een vloer van geglazuurde plavuizen, een oud balkenplafond, een tafel, een boekenkast en een bed. Buiten brandt de zon. Binnen wordt getranspireerd.

Sinds deze zomer is Bodar bijzonder hoogleraar Christendom, Cultuur en Media aan de Universiteit van Tilburg. Hij blijft in Rome wonen, maar zal twee keer per jaar twee weken college geven. „Het gaat niet om propaganda voor de katholieke kerk. Maar ze weten wie ik ben. Het is een signaal, dat ze mij hebben gevraagd.”

Bodar vindt de leerstoel als op zijn lijf geschreven. Hij werkt sinds zijn twintigste voor radio en televisie. Hij was vijfentwintig jaar actief aan de Universiteit van Leiden, waar hij onder meer filosofie van de kunst doceerde. Hij studeerde kunstgeschiedenis, geschiedenis, literatuur, theologie en filosofie. Sinds 1992 is hij priester.

„Het aardige aan het feit dat ze mij hebben gekozen, is dat de Universiteit van Tilburg een aantal jaren geleden het woord ‘katholiek’ uit de naam heeft geschrapt. En nu nemen ze mij in dienst. Iedereen weet waar ik voor sta. Ik zal objectief lesgeven, al mijn kennis en ervaring combineren, maar buiten de colleges om ben ik uiteraard ook priester.”

Media en christendom. Wat hebben die met elkaar te maken? Mag een kerk de media aanwenden om de boodschap te verspreiden?

„Ik denk het wel. Maar het gaat erom dat je het bescheiden doet. Zeker in de media, want als je in die wereld gelovig bent, beschouwen ze je als iemand die niet helemaal volwassen is geworden. In Nederland is godsdienst lange tijd iets geweest dat in de privé-sector hoorde. Ik denk dat het land ontwaakt is. Godsdienst doet er weer toe. Het hoort thuis in het open bare domein.”

We zagen u met Jan Mulder in een Postbankreclame op een motor door Rome rijden. Waar ligt de grens van het openbare domein voor de kerk?

„Ik heb begrepen dat gelovigen mijn optreden doorgaans leuk hebben gevonden. Mensen die uit de kerk zijn gestapt, waren kritischer. Bisschop Muskens van Breda vond ’t niks. Ik vond het leuk om dit uitgerekend met zo’n mopperaar als Mulder te doen, die altijd afgeeft op het geloof. Met zo’n spotje geef je als priester aan dat je middenin het leven staat. En de opbrengst was voor een goed doel: de herinrichting van het priesterkoor in de Sint-Jan van ’s-Hertogenbosch.’’

Het aantal gelovigen onder jongeren is teruggevallen, tot dertig procent. Maar diezelfde jongeren komen nu veel openlijker uit voor hun geloof dan jongeren van twintig jaar geleden. Hoe verklaart u dat?

„Jongeren zijn niet gewend aan godsdienst, omdat hun ouders de kerk tabee hebben gezegd. Juist door een gebrek aan kennis en doordat de contrabeweging van hun ouders is uitgesleten, zijn jongeren weer nieuwsgierig – en religieus aan het winkelen. Dat moet je niet afstraffen. Je moet heel mild uitleggen waarom het christelijk geloof is zoals het is. Ik laat zien dat het katholieke geloof een vrolijk geloof is. In mijn colleges in Leiden had ik altijd het meeste succes als ik voorlas uit de Confessiones van Augustinus: ‘Heer Heer, maak mij kuis, maar nu nog niet’.’’

Maar wat als die geïnteresseerde jongeren de bekende vragen over het condoomstandpunt van de kerk en andere heikele kwesties ter sprake brengen?

„Ik probeer dat een beetje af te houden. Je moet er altijd over praten. Maar het is belangrijk je te realiseren – en dat is moeilijk voor Nederlanders – dat de katholieke kerk de ethische lat zeer hoog legt. Dat is omdat de kerk altijd het ideaal zal uitdragen. Tegelijk weet de moederkerk heel goed dat haar kinderen zich niet altijd naar de regel gedragen. Er is altijd een spanning tussen de theorie en de praktijk, het ideaal en het leven. Dat hoort bij de katholieke kerk.’’

Dus er zijn wetten, maar het is ieders eigen verantwoordelijkheid of hij die navolgt of niet?

„Nou, zo sterk zou ik het niet willen uitdrukken, maar er zijn wetten en we moeten gewetensvol met die wetten omgaan. Ik denk dat veel jonge mensen meer hebben aan een helderheid die streng is.

De leer draag je uit op de preekstoel. Maar in de biechtstoel, als je naast iemand zit, ben je natuurlijk toch het lam. Het kan voorkomen dat je als priester aan iemand die problemen heeft een ander advies geeft dan wat de kerk leert.’’

Is dat niet hypocriet?

„Zo zouden veel protestanten het noemen. Maar zo is het leven. En ik ben natuurlijk een echte katholiek. Ik vind Nederland een benepen land. Er is geen compassie. Als je in Amsterdam naar de tram rent, wacht de bestuurder niet. Als zijn schema zegt dat hij moet rijden, vertrekt hij. Hier in Rome wacht de tram dan. En als je een keer te weinig geld hebt, zeggen ze hier: laat maar zitten.

„Het is nog zoveel menselijker. En religie is meer verweven met de cultuur. Nederland is radicaal met doordrammen. Het ik-zeg-wat-ik-denk van Pim Fortuyn is verworden tot ik-praat-ik-zeg-maar-ik-denk-niet. Er is sprake van een enorme vergroving. Nederlanders heten een tolerant volk te zijn, maar dat is helemaal niet zo.’’

Maar Nederland is wel tolerant voor homoseksuelen.

„Ik vind Nederland juist een doordramland op dat terrein. Ik zeg in een nieuw boekje dat homofilie een afwijking is, maar als je dat doet, deug je niet. Ik hoor het normaal te vinden. Maar ik erger me vreselijk aan die Gay Parades op de Amsterdamse grachten. Die moet ik me laten welgevallen, terwijl ze daar iets presenteren waar geen normale homofiel mee uit de weg zou kunnen.’’

Maar hoe kijkt u dan aan tegen het homostandpunt van de kerk en het document over homopriesters? Is dat niet intolerant?

„De kerk stelt dat iemand die diepgewortelde homoseksuele neigingen heeft, niet gewijd mag worden. Maar ze omschrijft niet wat dat dan is. Dat is verstandig. Als je als priester celibatair leeft, is er volgens mij niets aan de hand. Ik zou niet willen dat de kerk ‘gehomoseksualiseerd’ werd.

Maar dat is ze toch al?

„Ja, dat zegt men altijd. Maar daar ben ik het niet mee eens. En ik meen dat ik er meer kijk op heb dan een buitenstaander. Maar laat ik zeggen: zoals je meer hetero’s aantreft tussen stratenmakers en bouwvakkers, zo tref je onder priesters, kunstenaars en schrijvers meer mensen met die andere oriëntering aan. In het huis waar ik woon, oordeelt men vrij hard over homoseksualiteit. Er wordt gewoon nooit over gesproken.

„Ik draai het probleem liever om. Ik zie niet zozeer dat de kerk er moeilijk over doet. De kerk is ook kritisch over gescheiden mensen of over ongehuwd samenwonenden. In mijn ogen maakt de drammerige homoseksuele wereld er een probleem van.

„Ik herinner me dat de overleden Nederlandse uitgever Johan Polak, met wie ik bevriend was, me eens heeft gezegd: ‘de 21ste eeuw wordt religieuzer dan de twintigste. En homoseksuelen zouden wel eens meer vervolgd kunnen worden, omdat ze zo drammen.’ Ik ben geneigd het met hem eens te zijn.’’