Een kale man met een aardappelachtig gezicht

In het vliegtuig naar Nice, waar ik van plan was om zes weken uitrusten in een lang weekend te persen, een heel ontspannend idee, zag ik een kale man met een aardappelachtig gezicht. Hij zat met zijn gezin aan de andere kant van het gangpad. Ik kende die man ergens van.

Zijn vrouw kende ik niet, zijn zoontjes ook niet. Op de manier die vrienden en familie van mij kennen, probeerde ik ze subtiel af te luisteren om erachter te komen wie die man was. Subtiel afluisteren kan ik echter niet, dus ik hing over het gangpad, met samengeperste, geconcentreerde oogjes, en een halfopen mond. (Mijn mond gaat altijd openhangen als ik ergens heel goed naar kijk of luister. Vroeger, tijdens het tv-kijken, sloeg mijn broertje dan met zijn vlakke hand tegen mijn kin, zodat mijn mond dichtklapte. Heel attent.)

De man sprak met die harde ‘herken-mij’-toon die acteurs vaak hebben. In cafés, als iedereen ze negeert omdat Nederlanders bekende mensen graag zeer actief negeren, bestellen ze dan bijvoorbeeld hard gillend een koffie verkeerd. En dan trommelen ze theatraal op de toonbank, of ze doen iets ostentatiefs met hun sleutelbos.

Hij moest dus een acteur zijn. Maar van wat? Was hij ooit een lijk in Baantjer? Een oer-soapie? Ik wachtte op het bevrijdende moment dat het hersenklepje ‘niet erg bekende acteurs van wie je dan wel weer het gezicht herkent’ zou openvallen. Zo’n klepje valt altijd open op momenten dat je er helemaal niet op zit te wachten, namelijk pas zes jaar later, om drie uur ’s nachts.

Hetzelfde probleem had ik onlangs met de naam van de vogel uit Pluk van de Petteflet die altijd ‘Prrr-talieloe!’ zegt. Iemand zei ‘Prrr-talieloe!’ tegen mij, en vervolgens waren we drie kwartier bezig om te bedenken hoe die vogel ook alweer heette. „Er zit iets vogelachtigs in zijn naam, dat wel, maar er zit ook iets niet-vogelachtigs in”, waren de onbehulpzame manieren waarop we de naam probeerden op te roepen. Uiteindelijk kwam de vogelnaam naar boven, een week later, en nu is hij alweer weg. Ik scheep jullie daar nu mee op.

De kale, aardappelachtige man uit het vliegtuig was makkelijker. Ineens had ik het: hij was de manager uit die Albert Heijn-reclames. Wist ik zeker. Dacht ik. Hoopte ik. Hield ik het maar op.

En dan nu: ‘Prrr-talieloe!’ Een vogelachtige vogelnaam. Succes.