De band hield op met spelen, een agent blies op zijn fluit

De neergestorte trap bij de Oudegracht in Utrecht zakte volgens ooggetuigen in een paar seconden weg. Na het ongeluk speculeerden omstanders over doden en gewonden, maar niemand kon het hun vertellen.

Catherina Dijkstra wilde met twee vriendinnen van de kade af op het bovenste platform van de trap gaan staan. Maar toen, zegt ze, was het platform opeens verdwenen. De band op het podium in de gracht speelde hard, dus ze hoorde geen geschreeuw. Ze zag alleen de trap die in de diepte wegzakte. En al die mensen die erop hadden gestaan en nu over elkaar heen vielen. „Het gebeurde allemaal in een paar seconden.” Dat was om kwart voor tien, zondagavond.

Nu is het half elf en staat ze met haar vriendinnen achter het roodwitte lint op de brug bij het stadhuis. Ze kijkt naar de hulpverleners die beneden bij het water aan het werk zijn. Af en toe drukt ze haar handen tegen haar gezicht. „Zo erg”, zegt ze. „Het is zo erg.”

Een jongen ligt, ingepakt in aluminiumfolie, op een van de boten waar net nog werd gedanst. Twee andere jongens liggen in de sloep waarop de trap voor een deel is terechtgekomen. De mensen in die sloep zijn het hardst geraakt. Duikers met zuurstofflessen op hun rug kijken of ze nog mensen kunnen vinden in het water.

Er was geen paniek, zegt Catherine Dijkstra. „Mensen begonnen elkaar meteen te helpen. Ze probeerden die trap weer omhoog te duwen om de mensen die eronder lagen eronderuit te trekken.” De band, Zuco 103, hield op met spelen. Een agent op een fiets blies hard op zijn fluit. Na een paar minuten kwamen van alle kanten politiewagens aanrijden. Meteen daarna kwamen de ambulances en de brandweerwagens.

„Ik zat met een vriendin op de brug ertegenover”, zegt Max Heywood. „Ik hoorde haar ‘Oh, my God’ roepen. Ik keek en toen zag ik mensen vallen. Ik zag ze zo door de lucht vliegen. Daarna zag ik handen, veel handen, van mensen die probeerden iets omhoog te duwen. En toen zag ik dat de trap was ingestort. Mensen gebaarden naar de band op het podium. ‘Hou op, hou op!’, riepen ze. Na twee minuten was het opeens heel erg stil. Daarna hoorde ik de sirenes van de politieauto’s.”

Om half elf is het nog steeds stil rond de plaats waar het ongeluk is gebeurd. Vanaf de brug bij het stadhuis heeft iedereen een goed uitzicht. Niemand hoeft voor te dringen om iets te zien. Er wordt zacht gepraat. Dertig gewonden, zestig gewonden, misschien wel een dode. De jongen die in aluminium is gewikkeld, die zal wel zwaar gewond zijn. Kijk, ze houden hem vast, hij mag zich niet bewegen.

Een woordvoerster van de politie komt elk kwartier feiten melden. Eerst zegt ze dat er vijf zwaargewonden zijn. Later zijn het er acht, van wie er drie in ‘kritieke toestand’ zijn. Tien lichtgewonden. Dat van die dode heeft ze ook gehoord. Ze kan het niet bevestigen.

Om kwart over elf vraagt een jongen die net is komen aanfietsen of de namen van de mensen die gewond zijn geraakt al bekend zijn. Hij probeerde een vriendin te bellen die bij het festival was. Haar telefoon werd door iemand anders opgenomen, iemand die haar tas blijkbaar had gepakt. „Mist u iemand”, vraagt de politiewoordvoerster. „Als u iemand mist, dan mag u nu met mij meekomen.” De jongen aarzelt. Hij weet niet zéker, zegt hij, of zijn vriendin bij het festival was.

Tegen half twaalf probeert een moeder haar zoon van een jaar of zestien bij de brug weg te trekken. „Kom”, zegt ze. „We gaan naar huis.” De jongen duwt haar weg. „Ik wil zien wat er met die daar gebeurt”, zegt hij. Hij wijst naar de jongen in aluminiumfolie. „Ik denk dat hij dood is.” Zijn moeder trekt hem mee. „Ik denk dat er heel veel doden zijn”, zegt ze. „We horen het wel op de televisie.”

Dan komen er twee mannen van de ambulance met een brancard. De jongen wordt er voorzichtig opgelegd. De twee jongens in de sloep zitten nu rechtop. Een van hen buigt zich een paar keer naar voren, hulpverleners staan om hem heen. Journalisten vragen aan de politiewoordvoerster of het waar is dat alle trappen van de kades naar de werven in Utrecht gerenoveerd zijn, behalve deze. Ze vragen of het waar is dat deze trap net was afgekeurd. Maar de politiewoordvoerster kan er niets over zeggen.