‘Amerikaans pensioen’ gevaar voor werknemer

De sluipende overgang naar nieuwe pensioenregelingen moet gestopt worden, menen R.M.W.J. Beetsma en B.M.S. van Praag. Ze willen eerst een nieuwe wet.

Vrij ongemerkt dreigt in de pensioenwereld een revolutie op gang te komen, die voor de werknemer op de lange termijn desastreus kan uitpakken. Bedoeld wordt de trend om over te gaan van het in Nederland gebruikelijke ‘defined benefit’-pensioensysteem naar het in Amerika veel gebruikte ‘defined contribution’-systeem. Waar gaat het om?

Defined benefit (DB) is de gebruikelijke pensioenregeling in Nederland. Deze regeling, waarbij de pensioenuitkering (benefit) vooraf wordt vastgelegd, ziet er als volgt uit. De werknemer en de werkgever betalen ieder jaar een pensioenpremie aan het bedrijfspensioenfonds. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd gaat de pensioenuitkering in. Bij een volledige opbouw is deze in de regel 70 of 75 procent van het eindloon of van het middelloon, gecorrigeerd voor inflatie of gekoppeld aan een voor de pensioengerechtigde relevante loonindex. De werknemer weet precies waaraan hij toe is, als hij met pensioen gaat.

Voor de werkgever bergt deze DB-regeling wel enig risico in zich. Hoewel in principe van een spaarpotconstructie sprake is – waarbij een kapitaal bijeen wordt gespaard dat de werknemer op zijn oude dag kan opeten – kunnen de reserves op het moment van uitkering onvoldoende blijken. De oorzaak kan een te hoog ingeschat renteniveau zijn, een daling van de effectenbeurs, of een sneller gestegen loon en/of hogere inflatie dan waarop gerekend was bij het vaststellen van de premie.

Maar in het verleden is dit nooit een groot probleem gebleken. Door het verhogen van de premies voor de actieve werknemers of door bijpassen door het moederbedrijf bleek het altijd mogelijk om aan de gewekte verwachtingen te voldoen. (Omgekeerd bleken de reserves ook wel eens hoger dan de uitstaande verplichtingen vereisten. Vaak eigenden de moederbedrijven zich een deel daarvan toe om de winst op te krikken.) Maar hoe dan ook, onder het DB-systeem loopt het moederbedrijf altijd nog een risico, ook nadat de premies al betaald zijn.

Nieuwe internationale regels voor de jaarverslaggeving eisen nu dat de contante waarde van dit risico op de bedrijfsbalans zichtbaar wordt gemaakt als een toekomstige verplichting, terwijl dat vroeger niet hoefde. Dit betekent dat nieuwe een aftrekpost wordt opgevoerd op het eigen vermogen, een aftrekpost die varieert met de gunst der tijden, terwijl het bedrijf daar geen invloed op heeft.

Materieel verandert door deze regels eigenlijk niets voor een fatsoenlijk bedrijf dat zijn toezeggingen aan werknemers wil nakomen. Die latente verplichtingen zijn er – of ze nu wel of niet formeel op de balans staan.

Maar de werkgevers zijn zich de omvang van die latente verplichtingen gaan realiseren en zich bewust geworden van de risico’s die deze met zich meebrengen. Zij proberen zich steeds meer van deze risico’s te ontdoen door deze bij de pensioenverzekerde – de werknemer – zelf neer te leggen. Dat betekent dat de werkgever na de premiebetaling van elke verplichting bevrijd is (defined contribution), terwijl de werknemer – individueel of als collectiviteit – zijn pensioenpremie moet beleggen.

Er is een gevaar dat dit DC-systeem nadelig kan uitpakken voor de werknemers. De huidige werknemer loopt extra risico’s voor zijn pensioen, door instorting van de beurs of door een uitholling door inflatie. In het oude DB-systeem werden deze risico’s gedeeld met de toekomstige werknemers en de aandeelhouders van het moederbedrijf. Maar onder een DC-systeem lopen de gepensioneerde werknemers als enigen het risico. Ervaringen in de VS laten zien dat rentefluctuaties desastreuze gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van de annuïteit (de maandelijkse pensioenuitkering) die de werknemer bij ingang van zijn pensioen van zijn gespaarde kapitaal kan aanschaffen. Daar komt bij dat de eigen beleggingsverantwoordelijkheid een financiële kennis vereist die de meeste werknemers niet hebben.

Om de extra risico’s onder een DC-systeem af te dekken zouden de pensioenpremies omhoog moeten. Het zijn precies de voor die risico’s zichtbaar gemaakte kosten waarvan de werkgevers zich willen ontdoen. Wanneer die risico’s vertaald zouden worden in verhogingen van de huidige pensioenpremies, dan wordt het voor werkgevers een stuk minder aantrekkelijk om over te gaan op een DC-stelsel.

Voor werknemers is het zaak om zich goed te realiseren wat de overgang van een DB- naar een DC-systeem inhoudt. Een actuarieel eerlijke overgang van DB- naar DC-systeem is alleen mogelijk wanneer werkgevers bereid zijn de pensioenpremie op een structureel hoger niveau te brengen.

De vraag is natuurlijk of ook de functie van het pensioenfonds niet verandert onder een DC-systeem. Wanneer de werkgever elke verantwoordelijkheid voor de toekomstige pensioenen heeft afgekocht, is er geen enkele reden waarom deze nog in het fondsbestuur zou blijven zitten. Het zou zelfs tot de vreemde situatie kunnen leiden dat de werkgever met zichzelf onderhandelt.

Met een DC-systeem is er ook geen reden meer dat de werknemer zijn pensioenverplichtingen moet onderbrengen bij een fonds dat gekoppeld is aan het moederbedrijf, zoals nu meestal het geval is. Binnen een DC-systeem zou elke werknemer kunnen kiezen bij welk fonds hij zijn pensioenverzekering kan onderbrengen.

Gezien de onrustbarende ontwikkelingen in de Verenigde Staten denken wij dat de gevolgen van een overgang naar DC in Nederland sterk worden onderschat. Deze overgang wordt afgedaan als ‘technische aanpassingen’, en ‘actuariële fijnslijperij’. Maar in feite gaat het om een uitermate belangrijke, ongunstige en zeer moeilijk terug te draaien ontwikkeling in een van onze belangrijkste arbeidsvoorwaarden.

Als men er toch voor kiest dient een DC-premie hoger te zijn dan een DB-premie om de risicoverschuiving af te dekken. Een publiek onderzoek ter zake en een verdere verfijning van de nu bij de Tweede Kamer liggende nieuwe Pensioenwet lijkt daarom dringend gewenst. Totdat deze meningsvorming heeft plaatsgevonden zou een moratorium op zijn plaats zijn.

R.M.W.J. Beetsma is hoogleraar macro-economie en B.M.S. van Praag is universiteitshoogleraar, beiden aan de Universiteit van Amsterdam.