Als een stuiterbal over de baan

Sprinten is in de atletiek een fascinerende, maar dopinggevoelige discipline. Volgens velen is de mooiste 100 meter de olympische finale van 1988 in Seoul, hoewel zeven van de acht finalisten vroeg of laat zijn betrapt op doping.

Vraag kenners naar de mooiste 100 meter ooit en tien tegen één dat de olympische finale van 1988 in Seoul wordt genoemd. Nog altijd is de tijd van winnaar Ben Johnson ongeëvenaard: 9,76 seconden bij een topsnelheid van 43 km/u.

Alles wat een sprint zo boeiend kan maken, kwam toen samen. Uitzonderlijke bezetting, adembenemende race, onovertroffen tijd. Er was één smetje: van de acht finalisten zijn de zeven snelste op doping betrapt. Winnaar Johnson nog voor afloop van de Spelen, Carl Lewis, Linford Christie, Calvin Smith, Dennis Mitchell, Robson da Silva en Desai Williams kort erna of later in hun carrière.

Met het argument dat doping die dag de kansen egaliseerde, onthouden de liefhebbers zich van een moralistische veroordeling. Elke keer als een indrukwekkende sportprestatie mede door doping is geleverd, leidt dat bij sportadepten wel tot ambivalente gevoelens, maar slechts bij hoge uitzondering tot een categorische afwijzing van de sport. Het geweten knaagt, de bewondering blijft. En de belangstelling neemt niet of nauwelijks af. Bij grote atletiektoernooien wordt steeds opnieuw uitgekeken naar de 100 meter, zelfs in het besef dat er doping in het spel kan zijn.

Het is de tragiek van sprinten – en veel andere sporten waar de aanbidding en het grote geld samenvloeien – dat de schoonheid ervan wordt besmet met doping. Was het niet Ben Johnson, dan wel de negenvoudige olympisch kampioen Carl Lewis. En was het niet de Britse mastodont Linford Christie, dan wel de huidige olympisch, wereldkampioen én wereldrecordhouder Justin Gatlin. Maar de interesse ebde niet weg.

En dat zal evenmin het geval zijn nu Gatlin recentelijk is betrapt op testosteron, een steroïde die schijnbaar veilig werd bevonden. Maar die opvatting blijkt een misvatting, want in een tijdsbestek van enkele maanden werd onder de sprinters naast Gatlin zowel de Hongaar Gabor Dobos als de Noor Aham Okeke op testosteron gepakt.

Wigert Thunnissen, de Nederlandse bondscoach van de sprinters, noemt het „te dom voor woorden” dat een atleet tegenwoordig op een relatief eenvoudig traceerbaar middel als testosteron wordt betrapt. „Waarbij ik het opvallend vind, dat Gatlin in eigen land is gepakt, omdat Amerika de naam heeft dopingzaken te verdoezelen. Nee, daar heb ik geen bewijzen voor. Maar uit betrouwbare bron weet ik bijvoorbeeld dat tijdens een trainingskamp op de universiteit van UCLA in Los Angeles, ter voorbereiding op de Olympische Spelen van 1996 in Atlanta, alleen buitenlandse atleten out-of-competion gecontroleerd werden; Amerikanen bleven systematisch buiten schot.”

Hoewel Thunnissen zijn kop niet in het zand steekt, is doping voor hem geen item. „Het houdt me gewoon niet bezig. We hebben in de sport met elkaar afgesproken het niet te gebruiken, dus houd ik me daaraan. Wie dat wel doet, is stompzinnig. Doping bevordert het herstel en je kunt er meer werk door verzetten, maar je gaat er echt niet harder door lopen. Zonder te trainen win je op doping zeker geen 100 meter. Ik vind de discussie ook zo hypocriet. Begrijp me goed, ik ben tegen doping, maar de manier waarop met overtreders wordt omgegaan, bevalt me niet. Overal wordt vals gespeeld. Ik rijd ook wel eens te hard; de ene keer krijg ik een bekeuring, de andere keer niet. De opwinding over de deelname van de Engelsman Dwain Chambers na een schorsing van twee jaar vanwege het gebruik van de designerdrug THG vind ik ook zo overdreven. Hij heeft zijn straf uitgezeten en mag dus weer meedoen, zo simpel is dat.”

Het stoort Thunnissen dat hij zo vaak over doping moet praten als zijn sport ter sprake komt. De bondscoach houdt zich vooral bezig met de complexe werkelijkheid, dat sprinten een moeilijk te doceren discipline is. „De sprint is een raar nummer, omdat het in wezen heel simpel is, maar wel heel nauw luistert. De combinatie van souplesse, kracht en snelheid maakt het dat je secuur te werk moet gaan. Het is erg verleidelijk om voortdurend ‘hoog intensief’ te trainen. Maar dat kan niet, omdat je ook het chassis moet onderhouden om de motor goed te laten lopen. En dan heb je als sprinttrainer ook nog eens te maken met sensibele mensen, mannen die bovendien in de adrenaline zwemmen. Het gaat er dan om de juiste snaar te raken. En ik geef toe: dat lukt me niet altijd. Komt waarschijnlijk omdat ik zelf hordeloper ben geweest; die zijn doorgaans flegmatiek.”

Als de esthetiek van sprinten ter sprake komt, noemt Thunnissen zonder nadenken Asafa Powell, de Jamaicaan die het wereldrecord (9,77 seconden) deelt met Justin Gatlin. „Die heeft zo’n mooie stuiterende pas”, spreekt de coach vol bewondering. „Dát is wat een sprinter moet hebben: kort contact met de grond, anders sta je te lang stil. En dat heeft Powell van nature; die gaat als een stuiterbal over de baan. Prachtig vind ik dat. Ja, ik ben geneigd te zeggen dat genetisch wordt bepaald of iemand wel of niet goed kan sprinten. Ik zie dat bij Patrick van Luijk, een jongen die nog maar anderhalf jaar bezig is en nu al aan de EK meedoet. Een prachtige atleet, die hoog op de benen staat. Maar wat wil je, hij heeft een Jamaicaanse vader. Dat zal deels de verklaring zijn. Want het is een feit dat Caribische jongens samen met de West-Afrikanen het meeste talent voor sprinten hebben. Zij hebben de goede bouw en een ideale spiervezel.”

Maar sprinten is ook zwoegen en zwelgen in nostalgie, zoals dat het geval is met de 36-jarige Belg Erik Wijmeersch, de Europese indoorkampioen op de 200 meter van 1996, die in 2002 was gestopt, na een nicotineverslaving – „ik rookte drie pakjes sigaretten per dag” – een half jaar later zijn rentree maakte, recentelijk twaalf dagen in voorarrest heeft gezeten op verdenking van handel in dopingproducten en toch aan de start staat van de 100 meter op de Europese kampioenschappen in Gotenburg. Gekker kan het verhaal van een sprinter niet zijn. „Maar ik ben een gelukkig mens. Want als je twaalf dagen hebt vastgezeten, heb je leren relativeren”, zegt hij zonder een spoor van cynisme.

Maar hoe kan een sportman in korte tijd aan nicotine verslaafd raken? „Door een keer met wiet te experimenteren”, vertelt Wijmeersch. „Een vriend rookte het en ik wilde het proberen. Mijn lichaam reageerde hevig, ik vermoed vanwege het lage vetpercentage. Kort erna was ik verslaafd, ongelooflijk. Nu zit ik op vijf à zes sigaretten per dag; dat is te combineren met het trainen voor de 100 meter.”

Wijmeersch is in Gotenburg, omdat hij formeel niet op doping betrapt is, wel voor de handel in dopingproducten. Maar volgens de sprinter is dat flauwekul „Er zijn negen tabletten gevonden in de kamer die ik aan mijn Cypriotische trainer Iannis Marcolides verhuur. Daar zit een substantie in die tot een positieve uitslag bij de controle kan leiden. Wat weet ik niet. En het kan me niet schelen, want ik gebruik die tabletten niet.”

Die aanklacht ziet Wijmeersch als een stok om de hond de slaan, omdat hij door een misverstand, zoals hij zelf zegt, tweemaal niet aanwezig was bij een out-of-competition-controle. „De beschuldiging is absurd; ze denken me op die manier te pakken. Maar waarom zou ik handelen? Ik heb een eigen bouwbedrijf en verdien 20.000 euro per maand. Ik heb dat niet nodig. Ik sprint omdat het mijn hobby is. Ze vroegen me ook of ik groeihormonen en het middel IGF kende. Natuurlijk, heb ik gezegd, ik lees ook kranten. Maar dat werd weer geïnterpreteerd als actief naar doping informeren. Als niet kan worden bewezen dat ik die tabletten gebruik, is er een onschuldig mens opgesloten. En dat zou vervelend zijn, want dat gaat ze geld kosten, omdat mijn naam is besmeurd.”