Zwemster ‘Inge II’ laat verleden achter zich

Eindelijk deed zwemster Inge Dekker gisteren bij de EK zwemmen wat ze volgens betrokkenen al veel eerder had moeten en had kunnen doen: winnen.

Mark Hoogstad

Boedapest, 5 Aug. - Het was een klein mysterie, ook voor haarzelf. Wat Inge Dekker ook deed of probeerde, een behoorlijke finale zwemmen, dat lukte haar maar niet. Sinds haar internationale seniorendebuut, nu bijna vijf jaar geleden (EK kortebaan in Antwerpen), vertoonde haar prestatiecurve steevast hetzelfde patroon: snel in de series, minder snel in de halve finales, traag in de eindstrijd.

Onbedoeld stond Dekker daarmee symbool voor wat al eens gekscherend de ‘Hollandse ziekte’ is genoemd. Het was om gek van te worden, met name voor de hoofdpersone zelf. „Ik moet leren finales te zwemmen”, verzuchtte ze dinsdag al, op de tweede dag van de Europese titelstrijd in Boedapest, en die wijze woorden leken vooral voor haar eigen oren bestemd. Want Dekker wist als geen ander waar het aan schortte: wel het talent, niet het killersinstinct.

Bloednerveus meldde de 20-jarige sprintster, in de wandelgangen ook wel ‘Inge II’ genoemd (naar meervoudig wereld- en olympisch kampioene Inge de Bruijn), zich gisteren even na zessen in de voorstartruimte. Chef-coach Jacco Verhaeren vergezelde haar, op weg naar de finale van haar favoriete nummer, de 100 meter vlinderslag. „Ik haat dit”, vertrouwde ze haar trainer toe. Die bleef daarop maar even langer in haar buurt dan gepland. „Ik heb toen maar geprobeerd vooral de positieve kanten te benadrukken van het zwemmen van de finale; gewezen op de ambiance, op de volle tribunes, want je moet wat als trainer, nietwaar?”

Die woorden sorteerden het gewenste effect. Conform haar status – met de snelste tijd doorgedrongen tot de eindstrijd – nam Dekker brutaalweg de leiding, om die vervolgens niet meer af te staan. Ook al sloeg de verzuring in de slotmeters onbarmhartig toe. Haar winnende 58,35 betekende andermaal een verbetering van haar persoonlijke toptijd (58,42).

Met een blik die vooral ongeloof uitstraalde, meldde Dekker zich na afloop in de mixed zone, waar ze vooral bewees geen last te hebben van een gebrek aan zelfkennis. „Jacco heeft me een stuk zekerder gemaakt dan ik ben”, bekende de geboren Drentse. „Als hij het gelooft, dan moet ik het ook wel geloven, toch?” Verhaeren is niet voor niets de trainer van drievoudig olympisch kampioen Pieter van den Hoogenband en, in een eerder stadium, van haar succesvolle naamgenote De Bruijn.

Voor harde conclusies was het nog te vroeg, al wilde Dekker best bekennen dat het warempel leek alsof ze een mentale horde had genomen. Met andere woorden: dat ze had afgerekend met het finalesyndroom, dat haar nu al bijna vijf jaar lang achtervolgde. In Boedapest vielen gisteren, na twee teleurstellende optredens (50 vlinder en 100 vrij), eindelijk alle puzzelstukjes op hun plaats. „Je moet van tevoren weten wat je moet doen”, zo klonk het ineens opvallend zelfverzekerd uit de mond van de studente psychologie.

Maar aan de opdracht had Dekker zich niet gehouden. Van een vlekkeloze race was, aldus Verhaeren, geen sprake. Haar tijd duidde daar al op. „Wie wil meedoen met de wereldtop, die moet in de 57 zwemmen”, wist de oud-rugslagzwemmer uit Rijsbergen, die zijn pupil evenwel geen verwijt wenste te maken ondanks haar te hoge slagfrequentie (aantal slagen per minuut). „Ik heb de afgelopen weken veel van haar gevraagd, vooral in tactisch opzicht. Haar wereld is op z’n kop gezet. Ze pikt het snel op, maar doet nog altijd ‘maar’ zes van de tien dingen goed. Om volgend jaar bij de WK ook mee te doen, zal ze die andere vier dingen ook goed moeten uitvoeren.”

Twee maanden geleden waagde Dekker de stap. Ze brak met de bedaagde coach, met wie ze tot op de dag van vandaag („Ik ga hem vanavond zeker bellen”) een innige band onderhoudt: Dick Bergsma. Maar de inzichten van de trainer van Topzwemmen West-Nederland stroken niet met die van de compromisloze Verhaeren, de eerder dit jaar tot algemeen technisch directeur gepromoveerde hoofdcoach uit Brabant. En dus werd Dekker voor het blok gezet: wilde ze haar topsportcarrière redden, dan moest ze kiezen. Voor een van de twee olympische steunpunten: Amsterdam of Eindhoven.

Het werd die laatste optie, de thuisbasis van Verhaeren en boegbeeld Van den Hoogenband. Maar Dekker twijfelde, en haar aarzeling was begrijpelijk. Drie jaar geleden had ‘Eindhoven’ al eens een visje bij haar uitgeworpen. Zeer tegen de zin van het enige vrouwelijke lid uit de toenmalige Philips-profploeg, Hinkelien Schreuder, die prompt haar veto uitsprak. Het devies van de in Hongarije anonieme Schreuder werd opgevolgd, wat door Dekker weer werd uitgelegd als een scherpe motie van wantrouwen.

Dank ging gisteren ook uit naar Van den Hoogenband, die zich intern meer en meer opwerpt als mentor. Anders dan voorheen wordt ditmaal ook geluisterd naar de wijze zwemlessen van de kopman. „Pieter kan uitleggen en mensen opzwepen, zoals ik dat niet kan”, zei Verhaeren. „Soms lijkt hij net een assistent-coach.”