Vreemde in eigen land

In Spiti krijgt de non korting in het restaurant en hoeft ze nergens af te dingen. Wie het hogere dient, betaalt lagere prijzen. Vanzelfsprekend. Maar buitenlanders denken daar anders over.

De bus vertrekt pas aan het eind van de middag. Mijn reisgenote, een non, kijkt nieuwsgierig rond in het stoffige centrum van Kaza, het hoofddorp van Spiti. Niets is meer zoals zij zich uit haar jeugd herinnert. „So many shops”, verzucht ze gelukzalig. Voor haastig opgetrokken gebouwtjes hebben Indiase handelaren hun waren uitgestald: jerrycans, gasflessen, plastic emmers. Op wrakhouten steigers staan magere donkere mannen te metselen of te schilderen. In het voorjaar is Spiti volgestroomd met gastarbeiders uit de bloedhete, zwaar corrupte staat Bihar. Kaza beleeft een boom omdat toeristen voor nieuwe inkomsten zorgen.

De meeste buitenlandse bezoekers in dit hooggelegen Himalaya-rijkje zijn jonge Israëliërs die op sputterende Enfield motoren uit het laagland omhoog zijn geklauterd. Hun haar is in sjaals gewikkeld om zich te verweren tegen de hier niets ontziende zon Op die manier lijken ze precies op de plaatselijke boeren die met hun kleine tractoren over de stofstraten schokken. De Israëliërs kijken immer stuurs voor zich uit, alsof ze helemaal alleen zijn in deze oudtestamentische steenvallei. „They very sad, because their country big war”, licht de non begripvol toe.

Toch weet zij aan enkele Israëlische voorbijgangers het begin van een glimlach te ontlokken door ze vrolijk te begroeten met ‘Djule!’ De kleine non is dan ook een ontroerende verschijning in haar bloedrode pij met de kloeke sportschoenen eronder. Om zich te beschermen tegen de wind draagt ze een koperkleurige muts over haar kale hoofdje, een donkere zonnebril zorgt ervoor dat ze niet verblind wordt door het licht.

We krijgen korting in het restaurant waar we momo’s, gevulde broodjes, eten omdat de eigenaresse niet het volle pond wil berekenen aan een non. Zelfs bij de Indiase handelaars, die een ander geloof aanhangen, hoeft ze nauwelijks af te dingen. Want een vrouw die haar leven in dienst heeft gesteld van het hogere, vragen ze de allerlaagste prijs. Het is dan ook vanzelfsprekend dat, wanneer de bus arriveert, zij, en daardoor ook ik, de beste plaatsen krijgen toegewezen, vlak achter de chauffeur.

Als we in het dorpje Tabo aankomen is het al donker. Op de tast volgen we een pad langs een beekje waardoor gletsjerwater gorgelt, totdat we bij een meer dan duizend jaar oud tempelcomplex aankomen. In de grote hal flakkert slechts een enkele kaars, gelukkig heb ik op aanraden van de non een zaklantaarn meegenomen. Wandschilderingen in gedempte kleuren worden gevangen in mijn cirkel van licht. Achter ons klinken de stemmen van monniken die hun avondgebed prevelen. Godinnen met ronde borsten zweven hoog boven ons. Bodhisvatta’s behangen met prachtige sieraden kijken kalm op ons neer. Boeddha is eeuwig op reis, gezeten op een statige, witte olifant.

We blijven sprakeloos rondkijken tot het licht in mijn hand dooft; de batterijen zijn leeg. „Morgen komen we terug”, stelt de non mij gerust en we kloppen aan bij het kloosterpension. De monnik die ons te woord staat weet niet zeker of er nog wel twee bedden vrij zijn. Hij opent een paar deuren waarachter we jonge Israëliërs treffen. „No smoking! No drinking! No boys!” instrueert de monnik een paar meisjes met gepiercte navels en neusringen.

„No problem”, beëindigt de non onze vruchteloze zoektocht. Ze kent een familie in het dorp die ons zeker onderdak zal willen geven. Zo zitten we die avond in de grote woonkamer van een uit leem opgetrokken boerderij. De non onderhoudt zich in het Spiti met de grootmoeder des huizes, een vrouw met een gegroefd gezicht dat uit hout gesneden lijkt. Ik schuif aan bij de kleindochters die een Bollywood video aan het bekijken zijn. We lachen om de twee Indische geliefden op het scherm. Ze bellen elkaar voortdurend mobiel en besluiten elke gezongen zin met de woorden ‘dot com’.

De volgende dag blijkt er geen bus terug naar Kaza te zijn. We lopen het dorp uit in de hoop een lift te vinden. Wegwerkers nemen ons een stukje mee in hun vrachtwagen. Dan bevinden we ons alleen tussen de hemelshoge kale pieken. Een jeep nadert. „O, daar zitten heel weinig mensen in”, ziet de non al van ver. Ze heeft gelijk. Als de wagen vlakbij is, zie ik vijf Westerse passagiers die aandachtig het landschap in zich opnemen.

Jonge, sportieve dertigers, het zouden Nederlanders kunnen zijn. Ik vermoed dat ze afritsbare broeken dragen en degelijke wandelschoenen om in de bergen te kunnen lopen. Hun rugzakken liggen achterin opgetast, in de ruimte waar zich twee klapbankjes bevinden waarop, als een jeep Spitians vervoert, zeker zes mensen passen.

De blonde man voorin spreidt zijn twee handen om duidelijk te maken dat ze ons niet kunnen meenemen. De non kijkt het voertuig verwonderd na. „Ze zijn vol”, zeg ik. „Maar achterin dan?” vraagt ze. „Daar ligt hun bagage.” De non geeft niet op. „Dat hoort toch bovenop het dak?” „Daar wordt het stoffig”, zeg ik. De non zegt niets meer. Ze is te bescheiden om haar sterkste argument te gebruiken: in Spiti laat je een non niet langs de kant van de weg staan.