Verlossing, uw naam is vrouw

In de zeventiende eeuw raakte het jodendom in de ban van een Messias. In deze heilsbeweging gingen vrouwen voorop, iets ongehoords in de patriarchale joodse traditie. Een loot van de beweging verhief zelfs een vrouw tot verlosser. Dirk Vlasblom

“Het jodendom heeft de reputatie uitgesproken patriarchaal te zijn”, zegt Ada Rapoport-Albert, “en die reputatie is volkomen verdiend. Het klassieke rabbijnse jodendom, dat ontstond in het eerste millennium van de huidige jaartelling, sluit vrouwen uit van religieuze ambten, van een rol in de eredienst en al helemaal van de status van profeet of Messias.”

Rapoport-Albert, hoogleraar joodse geschiedenis aan het University College in Londen, is even opvallend als haar onderwerp. Haar lange haren draagt ze losjes gevlochten op de rug en de vlecht reikt tot haar kuiten. Er liggen aantekeningen voor haar op de lessenaar, maar daar heeft ze weinig oog voor. De lezing ontstaat terwijl ze vertelt, en vertellen kán ze.

Ze neemt haar gehoor mee naar een zeventiende-eeuwse joodse beweging, waarin vrouwen optraden als voorgangers en profetessen, een ongehoorde vorm van ketterij. In Polen ging een latere, achttiende-eeuwse loot van die beweging zelfs over tot de verering van een vrouw als ‘Moeder van God’. Het was een tijd waarin binnen de joodse diaspora, van Aden tot Amsterdam, het leergezag der rabbijnen wankelde onder de golven van een heilsverwachting, gewekt door een zelfverklaarde Messias.

Ada Rapoport-Albert is geboren in Israël en studeerde in Engeland. Ze legt de laatste hand aan een boek over vrouwen in het jodendom. In mei verzorgde ze in Amsterdam de Palache-Rosenthal-lezing, die jaarlijks georganiseerd wordt door de leerstoelgroep ‘Hebreeuws en joodse studies’ van de Universiteit van Amsterdam en de Bibliotheca Rosenthaliana. Het thema ontleende Rapoport-Albert aan een hoofdstuk van haar nieuwe boek: ‘De vrouwelijke Messias’.

Rapoport-Albert: “Het jodendom kent een galerij gefrustreerde verlossers, te beginnen bij Adam, die volgens de joodse traditie de eerste potentiële Messias was. Maar Adam had Eva, die zijn messiaanse project de grond in boorde door te bezwijken voor de slang. Alle volgende kandidaat-verlossers – Mozes, David en hun opvolgers – waren getrouwd, maar hun vrouwen speelden geen enkele rol.”

catastrofes

De mêlee van volks messianisme waarin joodse vrouwen juist wél een vooraanstaande rol kregen, wortelt in een tragische episode van de joodse geschiedenis. Die wordt gemarkeerd door catastrofes als de verdrijving van de joden uit Spanje (1492) en Portugal (1497) en de bloedige pogroms door Kozakken in de Oekraïne (1648). In die bewogen anderhalve eeuw herleefde de Messiasverwachting en daarbij speelde mystiek een grote rol.

De Thora (de Hebreeuwse bijbel) voorspelt een goddelijk eindoordeel en verlossing. De klassieke rabbijnen vertaalden dit als de komst van een door God gezonden Gezalfde, de Messias, een afstammeling van koning David. Deze mens zal met Gods hulp het joodse volk bevrijden uit de ballingschap die begon met de verwoesting van de tempel door de Romeinen (70 na Chr.).

middeleeuwen

Onder invloed van de Kabbala raakten veel gelovigen ervan overtuigd dat de komst van de Messias kon worden versneld. De Kabbala (‘overlevering’), de mystieke interpretatie van de Thora, dateert uit de Middeleeuwen. Dit systeem pretendeert inzicht te bieden in de aard van de godheid. Volgens Isaak Luria, een zestiende-eeuwse kabbalist uit Galilea, kunnen gebed en naleving van de joodse wet in mystieke zin bijdragen aan ‘herstel van de wereld’, zodat de schepping wordt zoals hij is bedoeld.

Deze inzichten werden populair. In 1665 werd in Smyrna (Izmir), in het hart van het Ottomaanse rijk, een manisch-depressieve mysticus uitgeroepen tot Koning Messias: Shabbetai Tsvi. Deze Turkse jood had al eerder blijk gegeven van een messiaanse roeping, maar stuitte toen op kritiek. Hij trok naar Jeruzalem, waar hij zich verdiepte in de mystieke leer van Isaak Luria. Een jonge Palestijnse jood en kenner van de Kabbala, Nathan van Gaza, raakte ervan overtuigd dat Shabbetai Tsvi de Messias was die hij in een visioen had gezien. Hij wierp zich op als diens ‘profeet’ en besloot Shabbetais messiaanse boodschap uit te dragen.

De Israëlische historicus Gershom Scholem schreef een biografie van Shabbetai Tsvi. Dankzij Nathans propagandawerk, vertelt Scholem, verspreidde het nieuws over de komst van de Messias zich razendsnel. Er ging een golf van hoop en ontroering door de joodse diaspora, van Jemen en Marokko tot Polen, de Nederlanden en Engeland. Verreweg de meeste joden geloofden dat deze Messias de tempel zou herbouwen en een eeuwig vredesrijk stichten. Wie argwaan koesterde tegen Shabbetais aanspraken, durfde daar niet voor uit te komen, zo hartstochtelijk en massaal werd zijn boodschap omarmd. Heel wat joden deden hun goedlopende zaak van de hand, laadden alle huisraad op een kar en trokken richting Palestina.

onrust

Het economische leven in het Ottomaanse Rijk draaide om joodse handelaren en de Turkse autoriteiten vreesden sociale ontwrichting als gevolg van de onrust in de joodse gemeenschap. Nog geen jaar nadat Shabbetai Tsvi was uitgeroepen tot Messias, werd hij ontboden naar Constantinopel, waar hij werd opgepakt en voor de sultan geleid. Hij werd ondervraagd en voor de keus gesteld: de dood of bekering tot de islam. Shabbetai Tsvi koos voor het laatste. Hij kreeg een pensioen van de sultan en werd verbannen naar Dulcigno (Ulcinj), in het uiterste zuiden van Montenegro, waar hij in 1676 stierf.

Rapoport-Albert: “Shabbetais geloofsafval onthutste de gelovigen, maar Nathan van Gaza formuleerde een verklaring voor deze stap in kabbalistische termen, en die overtuigde velen. Zij dachten dat Shabbetai Tsvi nog steeds de Messias was en dat hij zich voor een tweede maal zou manifesteren. De joodse mystiek kent immers reïncarnatie van de ziel.”

De messiaanse beweging bleef bestaan, maar ging geleidelijk ondergronds. Ze viel uiteen in vele sekten, die in de loop van de achttiende eeuw steeds nieuwe verlossers omhelsden: in Polen, Bohemen en Moravië, in delen van Duitsland en in Palestina. In al die sekten speelden vrouwen een opvallende rol. Deze breuk met de patriarchale joodse traditie begon bij Shabbetai Tsvi.

Ada Rapoport-Albert: “Scholem wijdde in zijn vuistdikke biografie een paar bladzijden aan de rol van vrouwen in Shabbetais beweging. Ik nam deze fragmenten als uitgangspunt voor mijn onderzoek en stond versteld van wat ik vond.” Ze ontdekte in het optreden van deze Messiasfiguur een heuse ‘libertair-egalitaire agenda’.

getuige

“Thomas Coenen, predikant van de Nederlandse kooplieden in Smyrna en een betrouwbare getuige, beschrijft in zijn boekje

Jonge, ongehuwde vrouwen traden alom, van Smyrna (de huidige Turkse stad Izmir) tot op het Griekse eiland Korfoe op als profetessen en verkondigden dat Shabbetai Tsvi de ware Messias was. Vrouwen kregen visioenen van profeten als Elijah en Mozes, die boodschappen doorgaven. Rapoport-Albert: “Zulke religieuze ervaringen hadden vanouds alleen de meest geleerde, in de Kabbala doorknede rabbijnen, zeker geen vrouwen. Maar de mensen namen hun visioenen serieus en luisterden naar hen.”

Vrouwen kregen van Shabbetai Tsvi ook een plaats in de eredienst. Rapoport-Albert: “Een paar dagen na zijn kroning als Messias verschafte Shabbetai Tsvi zich met geweld toegang tot de synagoge van Smyrna, een bolwerk van verzet tegen zijn persoon. Samen met zijn getrouwen stormde hij naar binnen, hij schoof de voorganger aan de kant, legde de Thora-rol waaruit deze voorlas terzijde en nodigde zijn volgelingen – mannen én vrouwen – uit om de voorlezing over te nemen. Voortaan liet hij ook vrouwen voordragen uit de bijbel, voor een gemengd publiek. Dit was ongehoord.”

paradijs

De beweging van Shabbetai Tsvi nam afstand van het rabbijnse jodendom. He messiaanse tijdperk was ingegaan en daarin was

Deze emancipatoire tendens zette door in de vele joodse sekten van achttiende-eeuws Oost-Europa, waarin Shabbetais beweging zich vertakte. Eén van deze sekten, de zogenoemde frankisten, verhief behalve de leider ook diens dochter tot cultfiguur. De beweging is genoemd naar Jacob Frank (1726-1791), een Poolse jood die wegens ketterij werd vervolgd door de Poolse rabbijnen.

Hij brak uiteindelijk met het jodendom en samen met een groep aanhangers bekeerde hij zich demonstratief tot het katholicisme. Hij kwam al snel in aanvaring met de kerkelijke autoriteiten, toen die doorkregen dat deze bekeerlingen niet Jezus, maar Jacob Frank vereerden als Messias. Frank werd in 1760 opgepakt en geïnterneerd in het Poolse bedevaartsoord Czestochowa. In 1770 begon het Russische leger zijn opmars door Polen. De meeste volgelingen van Frank vluchtten naar het westen. Zelf bleef hij achter met een paar getrouwen, en met zijn dochter Eva.

In het klooster in Czestochowa werd een beroemde icoon bewaard: de Zwarte Madonna. Zij werd ook vereerd als symbool van de Poolse vrijheidsstrijd. Rapoport-Albert: “In deze jaren van afzondering ontstond een nieuwe leer. Frank werd geïnspireerd door de kracht van de Zwarte Madonna, die door de katholieke Polen werd gezien als laatste bastion tegen buitenlandse overheersers. Hij zag in haar het uiterlijke omhulsel van de shechina (tegenwoordigheid), volgens de Kabbala het tiende, vrouwelijke aspect van de godheid.

“Hij schreef: ‘Via deze schil, de christelijke moeder Gods, komen we bij de kern van de messiaanse vrucht, de ware Heilige Maagd’. Aan zijn volgelingen schreef hij: ‘Dwazen! Hoe konden jullie geloven dat de Messias een man zou zijn? Waarom hebben Adam, Mozes, David en Shabbetai Tsvi gefaald? Omdat zij mannen waren! Omdat de messiaanse ziel alleen door een vrouw kan worden belichaamd.” Frank was opgesloten met zijn dochter Eva en langzamerhand ging hij haar identificeren met de ware Heilige Maagd. “Nu we een vrouwelijke verlosser hebben’, schreef hij, ‘kan het messiaanse project worden voltooid’.”

Toen de Russen in 1772 Czestochowa bezetten, kwam Frank vrij. Hij bracht zijn laatste levensjaren door in Offenbach, waar een excentrieke Duitse vorst hem een paleis ter beschikking stelde. Rapoport-Albert: “Dit ‘hof’ werd het centrum van de cultus van de ‘verlossende maagd’. Na de dood van Eva’s vader in 1791 werd zij het middelpunt. Ze bleef ongetrouwd, en dat was cruciaal voor haar identiteit. Ze was een eenvoudige vrouw, die een dergelijke positie nooit had gezocht.

“Maar op den duur wist zij de gemeenschap niet bij elkaar te houden. Eén voor één lieten de geldschieters verstek gaan. Bij haar dood, in 1816, werden in het paleis stapels onbetaalde rekeningen gevonden.”