Van pro naar anti

Ooit plakten Nederlanders stickers op hun auto: „Ik sta achter Israël”. Klein, dapper land, vond men. Maar het ‘Israël-gevoel’ is aan het verdwijnen. „Ik had zo graag gezien dat het hun wel was gelukt een normaal en rechtvaardig land te worden.”

Telefoon. Een man vertelt dat hij sinds zondag met zijn hele familie ruzie heeft. Iedereen was altijd voor Israël. Maar nu is hij de enige. Wat moet hij zeggen tegen zijn broers en zussen? Welke argumenten zijn er nog?

E-mail. Een vrouw schrijft dat ze jarenlang kritiekloos achter Israël heeft gestaan, uit schaamte voor wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, en uit respect voor wat er in het land tot stand werd gebracht. Maar nu? Wat gaat ze doen als er een demonstratie komt tegen de misdaden van Israël tegen weerloze kinderen? Meelopen!

Meer e-mails, tientallen e-mails – allemaal na afgelopen zondag verzonden naar het CIDI, het Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël. Veel zijn van het genre gooi een atoombom op Israël en jammer dat Hitler zijn werk niet heeft kunnen afmaken. Maar er zijn ook andere, van mensen die er trots op zijn dat hun ouders of hun grootouders in de oorlog onderdak hebben geboden aan joodse vluchtelingen en nu niet meer weten wat ze moeten vinden van het land dat in Libanon burgers vermoordt. „Oog om oog, tand om tand, in plaats van liefde en vergeving.”

Het zijn reacties op de raketaanval van Israël, zondag, op een flatgebouw in Qana, Libanon. Ongeveer zestig mensen vonden de dood, onder wie veel vrouwen en kinderen. „Mijn vrienden vragen me ook hoe ik dit nog kan uitleggen”, zegt Wim Kortenoeven. „Ik kan het niet uitleggen.” Hij hoopt dat hij dat zal kunnen als er onderzoek is gedaan naar de toedracht.

Wim Kortenoeven vervangt Ronny Naftaniël, die de directeur is van het CIDI en anders altijd het woord voert. Maar die is met vakantie. Nu zit hij op Naftaniëls kamer – op een bovenverdieping in de Haagse binnenstad – en probeert ervan te maken wat ervan te maken valt.

Hij stuurt de hele week al e-mails terug naar de mensen die het CIDI gemaild hebben. Hij verwijst hen naar een Libanese website, www.libanoscopie.com, waarin wordt gezegd dat Hezbollah de aanval van Israël heeft uitgelokt door zelf een raket op het dak van het flatgebouw te plaatsen. En dat er eerst invalide kinderen naar dat flatgebouw waren gebracht. „Ik kan niet nagaan of dat waar is”, zegt hij. „Maar ik vind dat mensen dit moeten weten.”

Hij verwijst ook naar http://eureferendum.blogspot.com, een website waarop foto’s van de puinhoop na de aanval met elkaar worden vergeleken. Foto’s van een reddingswerker met een dood meisje, steeds op een andere plek en op een ander tijdstip, in andere kleren soms en tussen andere mensen. Doesn’t Hezbollah have anyone else the media can photograph?, staat erbij.

Soms helpen die e-mails, zegt Wim Kortenoeven. De man die ‘moordenaars’ naar het CIDI mailde en verder niets, mailt daarna dat hij zichzelf wat wil nuanceren. Hij is geen voorstander van Hezbollah en geen antisemiet. Qana, schrijft hij, toont aan dat ‘jullie ALLEMAAL niet goed wijs zijn’.

Maar soms worden mensen nog bozer. Dan schrijven ze ‘het zal wel’ terug, of ‘er zijn genoeg bewijzen van het tegendeel’. Dan vertellen ze dat ze zelf hebben gezien hoe Israëlische soldaten op de kustweg van Naqoura naar Tyrus tekeer gingen tegen Palestijnse ‘burgers en met name kinderen’. „Tot bloedens toe. De details bespaar ik u.”

Het Israëlgevoel van Nederlanders. Wat is ermee gebeurd? Het Polygoon Journaal liet violen en trompetten aanzwellen toen het in juni 1967, ten tijde van de Zesdaagse Oorlog, berichtte over de jonge mannen die zich naar de Nederlandse Zionistenbond in de Johannes Vermeerstraat in Amsterdam spoedden. Ze kwamen zich melden als vrijwilliger voor het Israëlische leger.

De politicoloog Fred Grünfeld, die onderzoek deed naar het imago van Israël in Nederland, noemt in zijn proefschrift ook de stickers die mensen in die tijd op hun auto plakten, Ik sta achter Israël. Premier Den Uyl die later in de Jaap Edenhal in Amsterdam duizenden betogers vóór Israël en tégen de Arabieren toesprak. De marsen naar het Israëlische consulaat, met vlaggetjes in de hand, Wij houden van Israël. De buttons met het gezicht van Moshe Dayan erop, de Israëlische minister van defensie. Het was geen sympathie meer, zei de Israëlische ambassadeur van toen later bij zijn afscheid. Dit was identificatie.

Identificatie met een land dat in zes dagen de legers van Egypte, Jordanië en Syrië had verslagen en daarna de Gaza-strook, de Sinaï, de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogte bezette. Het was het begin van de Palestijnse vluchtelingenkampen. Maar dat kon niemand in Nederland wat schelen, Palestijnen bestonden niet eens. Nederlanders herkenden zichzelf in het kleine, dappere Israël dat zich zo goed wist te verweren tegen die grote en gemene Arabieren. Zo hadden zij zich zelf in de Tachtigjarige oorlog tegen de Spanjaarden verweerd.

En nu?

Deze week meldde het onderzoeksbureau TNS NIPO dat 39 procent van de Nederlanders sinds het uitbreken van het conflict tussen Israël en Hezbollah in Libanon negatiever over Israël is gaan denken. Nog maar een op de drie Nederlanders heeft begrip voor de acties van Israël tegen Hezbollah.

In 2003 zei 74 procent van de Nederlanders dat ze Israël als het grootste gevaar voor de wereldvrede zagen. Dat was in een enquête die in opdracht van de Europese Commissie was uitgevoerd. In andere Europese landen zag gemiddeld 59 procent van de mensen Israël als het grootste gevaar.

Dries van Agt, die van 1977 tot 1982 CDA-premier van Nederland was en Israël ‘een broeder in benauwenis’ noemde, schaamt zich er ‘heel diep’ voor dat hij de moordpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in 1982 voor de Tweede Kamercommissie heeft proberen te verdedigen. „Onthutsend”, zegt hij nu. Van Agt heeft van alle Nederlanders misschien wel de grootste ommezwaai gemaakt van pro naar anti.

In een interview met Radi Suudi van de Nederlandse Moslim Omroep, vorige week donderdag, relativeert hij zijn eigen positieve houding tot in de jaren tachtig door te zeggen dat ‘behoudens anderhalve man en een paardenkop gans Nederland als één man en één vrouw achter Israël stond’. Hij was met ‘datzelfde sop overgoten’. Maar nu niet meer. Nu vindt hij het gedrag van Israël tegenover de Palestijnen ‘misdadig’. In juni 2005 sprak hij zich er voor het eerst openlijk over uit op de opiniepagina van de Volkskrant.

Radi Suudi is de zoon van een Palestijnse vader die eerst nieuwslezer was bij BBC Worldservice en later bij de Wereldomroep werkte. Zijn vader, zegt hij, werd door Nederlanders heel lang behandeld als een NSB’er, ‘erger dan erg, mensen spogen hem in zijn gezicht’. Hij herinnert zich de somberheid die na juni 1967 over zijn vader kwam, nu zou hij zéker nooit meer kunnen terugkeren naar het land waar hij geboren was. „Zo vreemd”, zegt hij, „om op televisie zulke andere dingen te horen dan we van familie in Jeruzalem en Ramallah hoorden.” Bij hen thuis was juni 1967 een trauma, zegt hij. Maar in het interview met Van Agt is daar niets van te merken. Radi Suudi vraagt hem wat hem van inzicht had doen veranderen. Was Israël toen dan zoveel anders dan nu?

Dries van Agt antwoordt dat zijn twijfel over Israël begon in de jaren negentig, toen hij ambassadeur van de Europese Unie in Washington was. Maar de ‘schellen vielen hem pas echt van de ogen’ toen hij bestuurslid van de Universiteit van Bethlehem werd, op de Westelijke Jordaanoever. Toen begon hij in te zien dat Israël een ‘bezetter was, een hardvóchtige bezetter, erop uit om de Palestijnse bevolking te vernederen, te vertráppen’. Hij vertelt een verhaal, zo erg dat hij er wel om kan ‘schreien’. Een Palestijnse jongen kwam te laat op een examen, ook al was hij om vijf uur opgestaan. Bij het laatste checkpoint – het gebouw van de universiteit was al in zicht – hadden Israëlische soldaten hem gedwongen om uit het raam van zijn auto te klimmen en op handen en voeten naar het wachthuisje te lopen, blaffend. „En toen hij zelfs dát had gedaan”, zegt Van Agt, „toen begonnen die Israëlische soldaten te láchen. Kijk, wij hebben het altijd al gezegd, Palestijnen zijn honden.”

Dat de SP’er Harry van Bommel voor de Palestijnen opkomt, is minder opmerkelijk. De SP is, met GroenLinks, de partij die het felst anti-Israël is. Wel opmerkelijk is dat Harry van Bommel vroeger anders over Israël dacht. Ook hij heeft een ommezwaai gemaakt, alleen eerder dan Van Agt en misschien minder radicaal. „Begrijp me goed”, zegt hij. „Persoonlijk ben ik niet anti-Israël.”

Op zijn zeventiende, zegt hij, heeft hij serieus onderzocht of hij in een kibboets zou gaan werken. Dat was in 1979, na de Zesdaagse Oorlog, na de eerste oliecrisis van 1973 en na het begin van de Libanese burgeroorlog in 1975. Het was idealisme, het idealisme dat Wim Kortenoeven, niet-joods, van het CIDI ook had. Israëliërs, dat waren boeren die van woestijn landbouwgrond hadden gemaakt en zingend sinaasappels verbouwden, samen voor een gemeenschappelijk doel. Zoals Nederlanders hun land hadden veroverd op de zee en achter gezamenlijk opgeworpen dijken hun koeien lieten grazen.

Later, in 1981, leerde Harry van Bommel in Nederlandse militaire dienst het pantservoertuig YP408 besturen, het type dat werd gebruikt door de VN-troepen in Libanon. Hij wilde worden uitgezonden. Dat het er niet van kwam, deed niets af aan zijn betrokkenheid met Israël, zijn sympathie voor een land dat door al zijn buurlanden werd bedreigd en zelf zo hard werkte om een utopie te verwezenlijken.

Het was het bloedbad van Sabra en Shatila dat hem van inzicht deed veranderen. Op de avond van 16 september 1982 waren christelijk-Libanese falangisten, geholpen door het Israëlische leger, de kampen binnengetrokken en vermoordden met messen en bijlen zeker duizend, en misschien veel meer, Palestijnen. De Verenigde Naties zeiden later dat het genocide was. Harry van Bommel begon nu sympathie te voelen voor die andere underdogs van het Midden-Oosten, die niet eens een eigen staat hadden en het slachtoffer waren van een ‘vilein spel’ van de Israëlische overheid.

„Mijn kritiek op Israël is steeds groter geworden”, zegt Harry van Bommel. „Maar met pijn in mijn hart. Ik vind het zo erg dat ze hun eigen glazen ingooien. Ik had zo graag gezien dat het hun wel was gelukt om een normaal en rechtvaardig land te worden.”

Twee weken geleden liep Harry van Bommel mee in een demonstratie tegen de Israëlische aanval op Libanon. Hij hield ook een toespraak, waarin hij opriep tot onmiddellijke wapenstilstand. Wat vindt hij ervan om naast radicale moslims te lopen voor wie Israëliërs allemaal joden zijn die zo snel mogelijk de dood in moeten worden gejaagd?

„Daar baal ik natuurlijk van”, zegt hij. „Maar ja. Ik kom door mijn werk wel vaker in aanraking met personen bij wie ik me niet thuisvoel. Ik kan ermee leven omdat ik achter de centrale eis van de demonstratie sta, een staakt-het-vuren.”

Verklaringen waarom het Israël-gevoel aan het verdwijnen is. De media en de beeldcultuur, waardoor één foto van een kinderlijkje meer teweegbrengt dan duizend persverklaringen. WO II die nu verder weg is dan veertig jaar geleden, waardoor ook de Holocaust verder weg is, en het schuldgevoel bij Nederlanders daarover. En dan de secularisering, waardoor steeds minder mensen Israël zien als het Beloofde Land en de aanspraken van joden op dat deel van de wereld niet meer als van God gegeven beschouwen. Volgens Dries van Agt vinden zelfs veel CDA’ers nu dat de bijbel geen argument meer is om pro-Israël te zijn.

En dat alles wordt versterkt door de teleurstelling, dat Israël toch niet het land is waar idealisten zich aan kunnen spiegelen.

Zelfs Wim Kortenoeven van het CIDI, die ervoor betaald wordt om Israël te verkopen, vindt het erg dat Israël niet meer het land is van de kibboetsniks die gladiolen kweken en ’s avonds samen televisie kijken. Dat het een land is waar ook ‘rotzakken’ wonen, gewend om wapens te dragen en te gebruiken. De kibboetsen zijn allang geprivatiseerd en iedereen heeft zijn eigen televisie.

Volgens hem beleven we nu sinds 1967 de zesde cesuur in het Israëlgevoel, waarna er weer meer Nederlanders zullen zijn die niet meer vanzelfsprekend achter Israël staan. De eerste was meteen na de Zesdaagse Oorlog, toen Israël zich voor het eerst liet zien als een bezetter die weigerde te luisteren naar de VN en niet van plan was om ooit nog weg te gaan van de Westelijke Jordaanoever en de andere net overwonnen gebieden. De tweede cesuur was de oliecrisis van 1973. De derde was de aanval op Beiroet in 1982, gevolgd door Sabra en Shatila. De vierde en de vijfde cesuur kwamen na de eerste en de tweede intifada, in 1987 en in 2000. En nu is er dan Qana.

Wat hij erg vindt: dat mensen zo weinig weten van Israël. Hij schreef een boek om Israël uit te leggen, beginnend met de geboorte van Mohammed en eindigend met de dood van Arafat. Vijfhonderd pagina’s.

Evelien Gans is onderzoekster bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en bijzonder hoogleraar moderne joodse geschiedenis in Amsterdam. In haar dissertatie van bijna duizend pagina’s beschrijft ze waarom joodse sociaal-democraten en ‘socialistisch-zionisten’ altijd gemengde gedachten over Israël hebben gehad – positief en negatief en meestal allebei tegelijk.

„Ik vind de bezetting vreselijk”, zegt ze. „En ik vind de aanval op Libanon ook vreselijk. Maar ik snap dat Israël geen raketten uit het zuiden van Libanon afgevuurd wil krijgen. In Palestijnse gevangenissen wordt gemarteld en in Israëlische gevangenissen wordt gemarteld. Wat Hezbollah betreft, daar moet Israël zich tegen verdedigen. Aan de andere kant zeg ik: je kunt een guerilla niet op deze manier uitschakelen. Dan weet je dat je ook burgers treft.”

Voor kritische joden zoals zij, zegt Evelien Gans, is het onmogelijk om er een stabiel Israëlgevoel op na te houden. „Het is altijd én trots én angst én schaamte. Zoals de positie van joden in de wereld altijd een mengsel is van kracht en kwetsbaarheid.”

Ze vergelijkt het Israëlgevoel - ze was in haar dissertatie de eerste die het woord gebruikte – met het gevoel dat je voor je familie hebt. Die is er gewoon, er is een niet te ontkennen band. Maar die band kan ook heel vervelend zijn. „In dit soort tijden”, zegt ze, „ben ik er weer erg mee bezig. Ik ben kwaad en bezorgd, ik wil erover praten met joodse en niet-joodse vrienden. Moet ik gaan demonstreren? Ik doe niet mee met zo’n vierkante pro-Israëldemonstratie. Maar ook niet met een anti-Israëldemonstratie. Is er iets waar ik me bij thuisvoel?” Ze wil niets liever, zegt ze, dan zo hard mogelijk doorwerken aan het eerste deel van haar dubbelbiografie van Jaap en Ischa Meijer. Die moet ze eind van het jaar af hebben.

Dan André Rouvoet, de fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer. Zijn solidariteit met Israël komt voort uit zijn geloof en is ongeschonden, hij denkt niet dat daar ooit verandering in komt. Maar hij blijft zichzelf wel altijd ‘vragen stellen’. Deze week, na Qana, moest hij terugdenken aan de keer dat hij met Ehud Olmert gevaren heeft, nog voordat die premier van Israël werd. Hij was nog niet eens burgemeester van Jeruzalem. Rouvoet vond hem aardig, rustig. Diezelfde man, zegt hij, hoorde hij deze week op de televisie verklaren dat er geen staakt-het-vuren kwam en dat Israël doorging met zijn gerechtvaardigde zelfverdediging. „Dan denk ik wel: deugt dit? Kan ik dit plaatsen?”