Slachtoffer Israël

Van oudsher investeert Israël veel tijd, geld en moeite in het eigen imago. Als ons beleid maar goed wordt uitgelegd, zo redeneert het land, volgt begrip vanzelf.

Israel bedrijft geen propaganda, Israël doet aan Hasbara. Een Hebreeuws woord dat uitleggen of verklaren betekent. Hasbara is ook de verzamelnaam voor de permanente, miljoenen dollars kostende campagne om het imago van de joodse staat in de wereld te verbeteren.

Niet alleen tijdens gewapende confrontaties met „terreurorganisaties” in Libanon of de Palestijnse gebieden, maar jaar in, jaar uit in regeringscentra, hoofdredactionele werkkamers, op het internet en universiteiten.

„Ik vind het eigenlijk geen goed woord, omdat er geen exacte vertaling voor is. Uitleggen, verklaren, hebben volgens mij iets passiefs en verontschuldigends. Maar passief zijn we niet en ik zou niet weten waarvoor wij ons zouden moeten verontschuldigen”, zegt Gideon Meir, directeur-generaal media en informatie van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken, in Hotel Nof in Haifa, hoofdkwartier van de Israëlische pr-campagne tijdens het offensief in Libanon.

Meir, een zachtpratende, wat verlegen ogende diplomaat, spreekt liever over „openbare diplomatie”, pro-Israëlisch, gericht op toonaangevende segmenten in andere landen (politici, zakenlieden, kunstenaars) en opiniemakers, de honderden in Israël werkzame buitenlandse correspondenten in de eerste plaats.

Het café-restaurant is de tijdelijke kantine van tientallen buitenlandse journalisten, internationale tv-presentatoren met geschminkte gezichten en een klein leger aan voorlichters, al dan niet in het uniform van de reservist. Meir, die na de oorlog kan uitzien naar een ambassadeurschap, is een van de sleutelfiguren: „Je ziet, Hasbara is een goed geoliede machine. Het gaat tot nu toe heel goed.”

De beroemde Amerikaans-Israëlische militair historicus Michael Oren vertrekt met een cameraploeg van CNN naar het front om zich in gevechtstenue van een luitenant-kolonel met rokende Libanese huizen op de achtergrond te laten interviewen over de diepere betekenis van de strijd tegen de fundamentalistisch-shi’itische beweging Hezbollah (Partij van God). Een befaamde reclamemaker uit Tel Aviv is ingeschakeld om de BBC „te helpen” bij het vinden van cameraposities in de verboden militaire zone. John Simpson, een van de big guns van de BBC wil meevliegen in een F-16 naar Libanon. Het wordt allemaal geregeld.

Een trainee van het ministerie van Buitenlandse Zaken coördineert met de producenten van Europese tv-stations interviews met Israëlische ex-premiers, voormalige generaals en universitaire deskundigen, die Russisch, Roemeens, Duits, Spaans of Chinees spreken.

Oud-premier en oppositieleider Benjamin Netanyahu heeft een voorkeur voor Amerikaanse en Britse tv-stations, vicepremier Peres treedt vooral op voor de Franstalige zenders en oud-directeur van de Israëlische veiligheidsdienst, minister Dichter, bedient in vloeiend Arabisch Al-Jazeera en Al-Arabiya. Meir zelf is in Nederland bekend vanwege zijn commentaren voor RTL Nieuws.

Krantenjournalisten die voor deze gelegenheid naar Israël zijn gekomen, krijgen interviews aangeboden met de burgemeester van Haifa, de brandweercommandant, de ziekenhuisdirecteur en de rector magnificus van de universiteit. Dagelijks lichten generaals in Tel Aviv en Safed, waar zich de kwartieren van de noordelijke commandanten bevinden, on the record de militaire ontwikkelingen toe.

Iedere Israëlische universiteit heeft naar de geregistreerde buitenlandse correspondenten lijsten gestuurd met te raadplegen deskundigen. Ook voor sfeerverhalen uit de schuilkelders, de bunkers in de ziekenhuizen en de ambulances kunnen journalisten terecht bij de behulpzame medewerksters van Gideon Meir.

Even hield zijn team de adem in. Zouden alle inspanningen om de honderden journalisten „te helpen” bij de verslaggeving van de militaire campagne tegen Hezbollah voor niets zijn geweest? De televisiebeelden uit Qana in zuidelijk Libanon waren hartverscheurend en domineerden alle internationale tv-uitzendingen. De strijd om wie het zieligst is – massaal vluchtende Libanezen of de Israëliërs, die onderdak vonden in hotels en bij familie – leek in Qana te zijn beslist in het nadeel van Israël.

„Televisie bepaalt het beeld dat de wereld van Israël krijgt”, zegt Daniel Seaman, directeur van de Israëlische regeringsvoorlichtingsdienst. „Maar de humanitaire problemen zijn maar een deel van het verhaal. Het belangrijkste is de strijd tegen terreur en ons recht op zelfverdediging en die argumenten hebben wij over het voetlicht gekregen. Dat blijkt uit opiniepeilingen in de Verenigde Staten en Europa. Ik ben opgelucht dat Qana, hoe droevig het ook was voor de burgers die als ratten in de val zaten, geen politieke invloed heeft gehad. Qana heeft geen impact gehad.”

Bij Hasbara wordt verondersteld dat Israël door de buitenlandse media consequent in een verkeerd daglicht wordt gesteld en dat de aanhangers van Israël altijd in de minderheid zijn. Niet in de Verenigde Staten, maar wel in Europa. De pro-Israëlische houding in Europa veranderde in de jaren zeventig en tachtig in een onmiskenbare anti-Israëlische opstelling, is het uitgangspunt. Volgens de Amerikaanse historica Stephanie Guttman, schrijver van het boek The Other War: Israelis, Palestinians and the Struggle for Media Supremacy, is dat terug te voeren op de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967. Geleidelijk aan is volgens haar de pro-Israëlische houding van de Europese media veranderd in „een stelselmatig vooringenomen, bij vlagen antisemitische” instelling. Dat heeft niet te maken, zegt ze, met de realiteit van de bezetting, maar met de opstelling van door de Palestijnse propaganda gehersenspoelde buitenlandse correspondenten en commentatoren.

Het ontwikkelen van Hasbara is het Israëlische antwoord daarop. Als Israël in problemen komt, is het eerste advies vaak dat de kwestie beter uitgelegd moet worden. Israël heeft gelijk, alleen weten sommigen dat nog niet.

Gideon Meir vertelt dat het ministerie van Buitenlandse Zaken inzake Hasbara een sleutelrol vervult door het netwerk van ambassades en wereldwijde contacten. De strijd om begrip voor Israël wordt gevoerd over een breed front. Joodse studenten in de Verenigde Staten en Europa worden tijdens ‘seminars’ in Israël getraind om met e-mails, ingezonden brieven, artikelen voor opiniepagina’s en speeches Israël te verdedigen of critici aan te vallen. In Nederland maakt het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) deel uit van het netwerk.

Het ministerie steunt pro-Israëlische lobbyorganisaties zoals The Israel Project en websites als www.giyus.org, verspreidt pro-Israëlische „talking points” en helpt bij de ontwikkeling van speciale software om op het internet discussies over Israël op te sporen en indien nodig te beïnvloeden. Niet-joodse journalisten van de nieuwe media worden niet vergeten. Twintig jonge redacteuren van Amerikaanse websites (onder meer van MTV) brachten deze zomer drie weken door in Israël in het kader van het project Israel Behind the Headlines.

Over de Palestijnen, Iran, Hezbollah en de Israëlische politiek werd niet of nauwelijks gesproken. In plaats daarvan ontdekten zij multicultureel Tel Aviv en Jaffa, de disco’s, de kunstscène, de modeontwerpers en de nieuwste restaurants. De boodschap luidde, geheel naar waarheid trouwens: Israël is meer dan het Israëlisch-Palestijnse conflict, meer dan een land waar restaurants en bussen worden opgeblazen. Israël is een Westers land, waar mensen levens leiden als in New York of Amsterdam.

Over de vraag of Hasbara daadwerkelijk resultaat oplevert en of de miljoenen goed worden besteed, wordt voortdurend gediscussieerd. The Israel Project claimt dat door een reeks van activiteiten in de Verenigde Staten het begrip onder universiteitsstudenten voor de aanleg van „het veiligheidshek” op de bezette Westelijke Jordaanoever is toegenomen van 49 procent tot 59 procent. Meir spreekt over vele successen, die zich vertalen in „vriendschappen, politieke steun en buitenlandse investeringen”. Hij heeft gelijk: de VS heeft Israël sinds 1967 gesteund met 144 miljard dollar en niemand behalve enkele wetenschappers die daar vraagtekens bij zet. De meeste Europese landen, waaronder Nederland, zijn kritischer, maar staan op cruciale momenten pal achter Israël.

Over de internationale verslaggeving van de afgelopen weken zijn hij en Daniel Seaman niet ontevreden: het Israëlisch perspectief komt ruimschoots aan de orde, zeker in de Verenigde Staten. Zelfs de in het verleden in Israël en de joodse wereld zo fel bekritiseerde BBC oogst lof. Sinds de Britse publieke omroep het team in Jeruzalem heeft gewijzigd en twee in Israëlische ogen omstreden correspondenten heeft overgeplaatst naar Pakistan en Afrika is kritiek omgeslagen in voorzichtige waardering. Het scherpste verwijt dat enkele mannelijke BBC-correspondenten kregen, van hun eigen kijkers, was dat zij aan het front geen stropdassen droegen.

De media-adviseur van premier Olmert, Assaf Shariv, pochte in The Guardian dat de internationale media „vier maal zoveel Israëliërs aan het woord hebben gelaten dan Libanezen en Palestijnen.” Uit een opiniepeiling van Sky News/Fox blijkt dat tachtig procent van de Britse, Amerikaanse en Aziatische kijkers de Israëlische inval in Libanon steunt. Premier Olmert was echter nog niet tevreden en vond dat de internationale media aanvankelijk van „het slachtoffer de agressor” hadden gemaakt.

De beste graadmeter om het succes van Hasbara over een langere periode te peilen, is de verzuchting van de Palestijns-Amerikaanse hoogleraar Engelse literatuur Edward Said. Vlak voor zijn dood in 2003 schreef hij in Al-Ahram, het Engelstalige weekblad in Egypte: „Onvoorstelbare hoeveelheden Arabisch geld zijn gestoken in wapens. Nooit hebben Arabische leiders sinds 1948 de moeite genomen de Israëlische propaganda van een geduldig, systematisch georganiseerd antwoord te voorzien. Duizenden Arabieren hebben daarom voor niets hun leven gegeven. De wereld denkt nog altijd dat Arabieren alleen maar gewelddadig, fanatiek en verspillend zijn.”

Arabische leiders als Hassan Nasrallah (Hezbollah) of Khaled Meshaal (Hamas) mogen in eigen kring populair zijn, in het door Said geschetste beeld brengen zij tot stille opluchting van de Israëlische Hasbara-machine geen verandering.