Mag Frankrijk ietsje minder verleden?

‘Frankrijk is veranderd in een enorm museum.’ Deze verzuchting kreeg correspondent René Moerland afgelopen maanden van uiteenlopende mensen te horen. Frankrijk hervormt niet omdat het land muurvast vastzit in zijn eigen tradities. Kan het land alleen met een revolutie uit de verstarring losbreken?

Nelly Reviron gaat elke dag naar het museum. Nou ja, bijna elke dag, een paar uur. Ze houdt het tuintje bij en laat de mensen binnen. Een op de drie of vier zondagen heeft ze vrij, tot ze over een paar jaar aan haar pensioen toe is. Leven in een vieux pays en province.

Soms krijgt ze toeristen op bezoek, op weg naar de Limousin, de Dordogne, of naar de oceaan bij Bordeaux. Die streken zijn populairder dan het Creusedal in het zuiden van de Indre, waar zij woont. Maar het Musée de la Chemiserie et de l’Elégance Masculine – het Museum van Overhemden en de Mannelijke Elegantie – ligt nu eenmaal in Argenton-sur-Creuse, een dorpje met minder dan 5.000 inwoners op drie uur rijden van Parijs. Een goede afstand voor de bussen met bejaarden die met regelmaat neerstrijken in dit museum, dat gevestigd is in het naaiatelier dat de industrieel Charles Brillaud in 1860 liet bouwen aan de oever van de rivier.

Ik was hier in de eerste plaats heen gedreven door verbazing, na een bezoek aan een naburig dorp, dat zich afvroeg of het zich moest specialiseren in bejaardenzorg – gezien de leeftijdsopbouw van de lokale bevolking. Veel is geschiedenis in Frankrijk, maar was de Mannelijke Elegantie nu ook al in het museum opgenomen? Dit was misschien een plaats voor een antwoord op de vraag tot hoever de geschiedenis in Frankrijk eigenlijk reikt – en wat er nog overblijft voor heden en toekomst.

In Argenton is er weinig anders meer over dan verleden, zo blijkt. Vanaf het einde van de negentiende eeuw was dit dorp het hart van de Franse overhemdenindustrie. Op de bovenste etage van het museum draait in een nagebouwd naaiatelier een film uit het openingsjaar van het museum, 1993. Er komt een stoet grijze dames voorbij, oude naaisters, die met weemoed vertellen over de stadse sfeer die er in het dorp hing op de namiddag en tijdens feesten, als er geflaneerd werd. Een jongeman die op zoek was naar een geschikte huwelijkskandidate moest halverwege de vorige eeuw in Argenton-sur-Creuse zijn. Hij kon er elke dag tientallen meisjes vinden die gespecialiseerd waren in de elegante snit van het Franse overhemd, en in stijlvolle boorden. Maar die tijden zijn voorbij. Op het terras van dorpscafé ‘Le Pourquoi Pas’ heersen nu spijkerbroek, blokhemd en tatoeages, zoals in zoveel Franse dorpen. Na de computers die de drukte in de naaiateliers overbodig maakten, maakten Chinese ondernemers de Franse fabrieken zelf overbodig. Eerst met hun eigen ateliers in Parijs, daarna eenvoudig via de export op de wereldmarkt. Nelly Reviron is trots op ‘haar’ museum, natuurlijk. Maar toch is een van de eerste dingen die zij vertelt dat ze Argenton liever wat minder geschiedenis en wat meer toekomst zou gunnen. ‘De werkloosheid is hoog’, besluit ze haar verhaal. Rond de zestien procent, bijna twee keer zo hoog als het landelijke gemiddelde.

Meer toekomst

Het dilemma van Reviron klinkt vertrouwd – dat dubbele gevoel van Fransen dat ze het van het verleden moeten hebben, maar mag er ietsje meer toekomst bij? Ik hoor dit soort verhalen regelmatig, van Fransen in Parijs en de provincie, binnen en buiten het museum. Natuurlijk, Fransen houden van hun geschiedenis – en ze hebben er veel van. Het verleden is een belangrijke bron van inkomsten, en Fransen doen driftig mee met de meer dan een miljoen toeristen die jaarlijks uit het buitenland naar Frankrijk komen. De journées du patrimoine, de erfgoeddagen, trekken bijna elk jaar in september weer recordaantallen bezoekers. Het nieuwe archief van de Franse televisie en radio, met meer dan 100.000 uitzendingen › die het Institut National de l’Audiovisuel gratis op internet heeft ontsloten, is een doorslaand succes. Maar ik kom tegelijk, en opvallend vaak, Fransen tegen die mopperen op de alomtegenwoordigheid van het verleden. Alsof ze erin gevangen zitten. Alsof er een direct verband bestaat tussen de rijke geschiedenis van Frankrijk en het gebrek aan banen, aan toekomstperspectief. Het verleden is een valstrik: je kunt er lekker bij wegdromen, maar als je wakker wordt rest een alledaags gevoel van irritatie. Waar komt dat gevoel van ongemak vandaan?

Frankrijk is een ‘nostalgische samenleving’ geworden, schrijft Christophe Lambert, directeur Frankrijk vanhet adviesbureau Publicis, in een essay waarmee hij deze winter de bestsellerlijsten haalde: La Société de la Peur – de maatschappij van de angst. Hij beweert daarin dat Frankrijk de laatste twintig jaar het geloof is kwijtgeraakt in een collectieve lotsbestemming. Fransen hebben ‘even weinig zin om zich te herkennen in een nationaal project als in een Europese toekomst’, meent hij. Gedesillusioneerde dertigers proppen zichzelf vol met televisieseries uit hun jeugd en weigeren de toekomst onder ogen te zien. De Fransen van vandaag mijden risico’s, durven nergens ja tegen te zeggen uit angst mis te tasten. Daarom is nee zeggen zo’n tijdrovende gebeurtenis geworden. Maar zonder beeld van de toekomst verliest ook het verleden zijn betekenis. Wat overblijft, zegt Lambert, een vriend van presidentskandidaat Nicolas Sarkozy, is een ongestructureerde klont individuen en groepen, teruggeworpen op zichzelf en op hun verworvenheden. Een samenleving zonder zin, die zich gedeprimeerd verzet tegen alle mogelijke hervormingen. De uitweg ligt volgens hem in een ander maatschappelijk model, dat niet gebaseerd is op historische origine, maar op tolerantie, pluralisme en respect. ‘De Fransen lijken klaar om nieuwe sociale banden te smeden zonder zich voortdurend naar het verleden te keren.’ Het is nostalgie op een keerpunt. Met Lambert in de hand kan je in het Musée de la Chemiserie et l’Elégance Masculine wel terecht.

Songfestival

Het appel aan nostalgie is alom present. Niet alleen omdat het museum de sociale sfeer probeert op te roepen van twintigste-eeuwse industriële geschiedenis. De andere troef van het museum is een collectie overhemden, schilderijen en foto’s van Jean-Claude Pascal, tot in de jaren tachtig een acteur in de tv-series die de dertigers van nu hebben gezien. In de jaren vijftig gold Jean-Claude Pascal, ook ex-ontwerper voor Dior, als archetype van de romantische Franse verleider. Toen hippere filmsterren als Jean-Paul Belmondo hem voorbijstreefden, begon deze zoon van een textielfabrikant – zijn echte naam was Villeminot – aan een tweede carrière als zanger. Liefhebbers kennen hem nog als winnaar van het Eurovisiesongfestvial in 1961 (met: Nous les Amoureux). Het museum in Argenton ging een jaar na zijn dood in 1992 open en kreeg als startkapitaal onder meer de erfenis van dit ‘symbool van Franse elegantie’.

De lossere band tussen heden en verleden is een vertrouwd thema in Frankrijk sinds historici onder leiding van Pierre Nora begin jaren tachtig begonnen aan de publicatie van de serie Lieux de mémoire. Het was een voorbeeld van nationale geschiedenis ‘in de tweede graad’. Geen klassiek lineair historisch verhaal waarin afzonderlijke episodes een betekenis kregen, waarin de samenleving zich als geheel kon herkennen, maar een verzame- ling ‘brandpunten van herinnering’ die elk hun eigen verhaal vertellen – aan de geïnteresseerde passant. Nora plaatste de nieuwe benadering juist in de context van de ‘versnelling van de geschiedenis’ – ons tijdperk waarin wat voorbijgaat steeds sneller gaat behoren tot het ‘definitief dode verleden’, waarvan de herinnering niet meer voortleeft in sociale gemeenschappen.

Ruim twintig jaar later is er weinig over van het betrekkelijke enthousiasme waarmee deze afrekening met de klassieke nationale geschiedenis destijds werd begroet. Nora is een van de negentien historici die begin dit jaar een manifest lanceerden tegen de ‘herideologisering van het verleden’. Ze namen daarin vooral stelling tegen recente Franse wetgeving waarin beladen historische gebeurtenissen van een officiële interpretatie werden voorzien: de slavernij moet sinds enkele jaren wettelijk worden gezien als een misdaad tegen de menselijkheid, en het parlement besloot vorig jaar dat de kolonisering ‘goede aspecten’ had die op school moeten worden onderwezen. President Chirac floot die laatste wet af na protesten. Groeperingen die zich verzetten tegen discriminatie en racisme beroepen zich op een ‘devoir de mémoire’ – een plicht tot herinnering – van de slavernij en proberen zo een ‘zwart bewustzijn’ te smeden. Nora zei vorig jaar tegen ons dat de herinnering zich in zijn ogen opnieuw op een ‘keerpunt’ bevindt: naar het voorbeeld van de Verenigde Staten wordt zij nu ook in Frankrijk politiek correct opgedeeld naar etnische groepen.

Nylon gordijn

Er zijn ook historici – en sociologen – die zelf een herwaardering van het verleden bepleiten in naam van het hogere politieke belang. Zij menen juist dat Frankrijk geen toekomst meer ziet omdat het is afgesneden van het nationale verleden. Historicus Jean-Pierre Rioux, tevens commentator van het katholieke dagblad La Croix, publiceerde dit voorjaar een aanklacht tegen het ‘geheugenverlies’ waarmee Frankrijk volgens hem zijn eigen ge- schiedenis verwaarloost. Volgens Jacques Julliard, eveneens historicus en commentator, maar dan bij het linkse weekblad Nouvel Observateur, zijn de Fransen door een ‘nylon gordijn’ van individualisme afgesneden van het ‘nationale bewustzijn’, schrijft hij in zijn met waardering ontvangen essay Le Malheur Français.

Maar vereist een nieuw nationaal project, of eenvoudig meer vertrouwen in de toekomst, ook een grote aanhankelijkheid aan het verleden? Of heeft Christophe Lambert gelijk, en willen veel Fransen juist een samenleving die minder nadrukkelijk voortbouwt op de geschiedenis? ‘Frankrijk is veranderd in een enorm museum’, is een klacht die ik in de afgelopen maanden veelvuldig heb gehoord van tal van mensen die verandering wilden. Nu eens waren dat ondernemers, dan weer studenten die protesteerden tegen de regering-Villepin, of activisten die pleiten voor een ruimere immigratiepolitiek. Allemaal wilden ze iets anders, maar hun redenering was dezelfde: Frankrijk hervormt niet, en ziet de toekomst niet zitten, omdat het land muurvast zit in eigen tradities.

Vaak kwamen zulke reflecties spontaan op in de marge van gesprekken over iets anders. Alexandre Lallet, een jonge jurist bij de Conseil d’Etat (Raad van State) was mij deze zomer op een terras in Parijs eigenlijk aan het uitleggen waarom Frankrijk volgens hem de pretentie niet waarmaakt dat het zijn elites selecteert ongeacht afkomst, zuiver op intellectuele verdiensten. Lallet begon dit jaar een carrière als aankomend topambtenaar nadat hij als beste student eindigde op de de École Nationale d’Administration. In de toelatingsexamens voor de Grandes Écoles zoals de ena, vertelde Lallet, wordt geselecteerd op ‘culture-g’ (spreek uit ‘zjé’) – culture générale, algemene ontwikkeling. Maar als je uit een dorpje op het platteland in Picardië komt, zoals hij, of uit de banlieue, heb je niet dezelfde bagage als een telg in een Parijs intellectueel milieu, die opgegroeid is met het Louvre om de hoek. Lallet heeft het allemaal ingehaald, met de boeken erbij, maar vraagt zich nu af waarom geschiedenis zo belangrijk is bij de vorming van elites. ‘Heb je kennis over de zestiende eeuw nodig om een goede topambtenaar te worden, om de openbare zaak te dienen?’ vroeg hij zich af. Hij zou het ‘nuttiger’ vinden als ‘bijvoorbeeld levenservaring die in je de banlieue opdoet ook zou meetellen’. Minder geschiedenis, meer erkenning voor praktijkervaring.

Alban Muller, een ondernemer in natuurlijke kleurstoffen voor cosmetica, was me aan het uitleggen hoe de Franse overheid innovatieve bedrijven met belastingvoordelen, subsidies en gunstige infrastructuur wil stimuleren. In zijn kantoor in de regio Parijs kwam hij vanzelf op zijn ergernis over de in zichzelf gekeerde stemming in zijn land. Hij had helemaal geen zin om stil te staan bij het verdwijnen van de textielindustrie uit de Indre, of om te denken in termen van verval. ‘Er is geen fatale lotsbestemming’, betoogde hij. ‘Ook in Frankrijk gaan dingen weg en komen er nieuwe voor in de plaats.’ Als voorbeeld noemde hij dat honderd kilometer boven Argenton, in Chartres, nu wordt gewerkt aan een nieuwe soort ‘cosmetisch textiel’, dat ‘als een tweede huid’ moet functioneren: zuiverend tegen luchtvervuiling, nu eens regenwerend dan weer verkoelend. ‘De textielindustrie verdwijnt niet uit Frankrijk, maar krijgt een nieuwe vorm. Het is alleen typisch voor een oud land dat we daar niet op letten. We dutten in door ons blind te staren op ons verleden.’

Obsessie

In Lille sprak ik met Philippe Vasseur over integratieprogramma’s voor werkloze allochtone jongeren. Hij was halverwege de jaren negentig minister van Landbouw in de regering Juppé en nu president van de bank Crédit Mutuel Nord Europe. Ook hij luchtte spontaan zijn hart over de ‘obsessie met het verleden’ van zijn landgenoten – en foeterde op ‘het oude land’. ‘Waar zie je zo vaak tijdschriften met de zestiende, zeventiende, achttiende eeuw op het omslag?’, vroeg hij. Het antwoord gaf hij zelf. ‘We dromen van het verleden omdat we tegenwoordig geen collectief bewustzijn meer hebben’, meent Vasseur. ‘Er zijn alleen nog maar heel veel persoonlijke verhalen’. Frankrijk lijdt volgens hem aan een ‘vertrouwenscrisis’ in de sociale structuren. Om dat vertrouwen terug te krijgen is niet meer verleden nodig, maar meer samenwerking tussen mensen van allerlei achtergrond - nieuw burgerschap.

Ik ben er op gaan letten. De achttiende eeuw is inderdaad populair in tijdschriften – en dat was ook al zo voordat de Amerikaanse Sophie Ford-Coppola dit voorjaar een film maakte over Marie-Antoinette, de Franse koningin die in 1793 onder de guillotine eindigde. Maar toch wordt ook in Le Point, L’Express en andere weekbladen, zelfs in het traditioneel-republikeinse Marianne, met regelmaat beweerd dat Frankrijk afscheid moet nemen van allerlei lastige erfenissen waarmee het land zichzelf heeft opgescheept. De lijst verschijnselen die wekelijks worden aangedragen om in het museum te belanden is lang. Communisme en trotskisme staan erop, de negentiende-eeuwse overlevers bij Frans links. Of het nationale sociale model, gebaseerd op overheidsprotectie en weinig flexibiliteit, zoals de historicus en econoom Nicolas Baverez schrijft in een bundel columns met de veelzeggende titel Nouveau Monde, Vieille France. Ook het onderwijssysteem en het republikeinse model van integratie worden vaak genomineerd, evenals de Vijfde Republiek waarmee generaal Charles de Gaulle in 1958 de controlerende macht van het parlement op de president beperkte.

De wrevel over het verleden is geen exclusieve aangelegenheid voor ondernemers, intellectuele outsiders en ongeïnteresseerde burgers. Zelfs de vorige premier, Jean-Pierre Raffarin, – een zelfverklaard specialist van het France d’en bas – het Frankrijk van de gewone mensen – zei nog niet zo lang geleden dat het land ‘een beetje teveel aan verleden’ heeft. Teveel verleden en ‘soms, de neiging om binnen onze grenzen opgesloten te blijven. We moeten lust tot ondernemen waarderen, evenals openheid, reizen, internationale contacten’, zei hij, nog in functie, in 2004 tegen de Franse diplomaten die aan het einde van de zomer hun jaarlijkse ontmoeting in Parijs hadden.

Zijn opvolger Dominique de Villepin protesteert juist weer tegen het beeld van Frankrijk als museum. Hij heeft de strijd aangebonden met wat hij de ‘declinologen’ noemt: critici die menen dat Frankrijk zonder ingrijpende hervormingen steeds verder in verval zal raken. Villepin gelooft in kleine stapsgewijze hervormingen, en in behoud van de Franse eigenheid, zoals het sociale model.

Ségolène Royal

Het opvallende is dat Villepin verre van populair is geworden met die benadering. De populairste aankomende kandidaten voor de presidentsverkiezingen in 2007 presenteren zich alle twee als hervormers, die gaan breken met tal van nationale gewoontes: minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy op rechts en ex-minister Ségolène Royal op links. Als ze luisteren naar Christophe Lambert, zullen zij er op gokken dat zij de Franse kiezer, misschien voor het eerst in de geschiedenis, eerder zullen overtuigen met morele boodschappen dan met een verhaal over oorsprong en Franse geschiedenis.

De historicus Jacques Marseille, een groot voorstander van radicale verandering in Frankrijk, leverde dit voorjaar het recept voor hervorming in een essay onder de titel Du bon usage de la guerre civile en France – over het juiste gebruik van de burgeroorlog in Frankrijk. Volgens Marseille komen belangrijke hervormingen in Frankrijk nu eenmaal altijd schoksgewijs tot stand, na forse botsingen over grote principes – al dan niet met bloedvergieten en geweld. Zo heeft de moderne staat het gewonnen van het feodalisme, de markt van het pauperisme en de twintigste-eeuwse avontuurlijkheid van de nostalgie. Ook als Frankrijk zich een nieuwe toekomst voorstelt waarin de geschiedenis een minder grote rol speelt, is dat een revolutie. Maar wel een die trouw blijft aan de nationale geschiedenis. M

René Moerland is correspondent van NRC Handelsblad in Parijs.

Studio Tween maakt illustraties.

Het verleden is een valstrik: je kunt er lekker bij wegdromen, maar wat rest is een gevoel van irritatie.; Gedesillusioneerde dertigers proppen zich vol met tv-series uit hun jeugd en weigeren de toekomst onder ogen te zien.; ‘Waar zie je zo vaak tijdschriften met de zestiende, zeventiende of achtiende eeuw op het omslag?’