Iran en de bom

De wereld kan niet zonder crisis. Als de ene is bedwongen, dient een nieuwe zich weer aan. Steeds weer duikt er ergens een recalcitrante machthebber of een semi-dictator op die de internationale gemeenschap in het nauw drijft met snode plannen. Is Khadaffi tot rede gebracht, Milosevic achter de tralies gezet of Saddam verdreven, dan moeten we ons weer het hoofd breken over de nucleaire plannen van de Iraanse president Ahmadinejad.

Wat wil Iran? Op een feestelijke bijeenkomst bij de stad Mashad maakte Ahmadinejad dit voorjaar bekend dat Iran uranium gaat verrijken ‘voor vreedzame doeleinden’. De kleine man van het volk deed dat met weergaloze agit-prop: hij sprak tegen de achtergrond van een afbeelding van een vlag met het atoomteken, omhoog gehouden door witte vredesduiven.

De wereld was te klein: voor de Amerikanen hoort Iran sowieso bij de As van het Kwaad, maar ook de Europeanen, voorstander van blijven praten tot je erbij neervalt, hebben hun geduld verloren. Het Internationaal Atoom Energie Agentschap, dat moet waken over landen die kernwapens kunnen ontwikkelen, moet zich in steeds meer bochten wringen om zijn inspecties bij de kerncentrales van Natanz en Bushehr te kunnen voortzetten. Vorige maand zag het agentschap zich nog gedwongen na druk van Iran een loslippige inspecteur te ontslaan.

Wat is dat eigenlijk voor club, de IAEA? Vorig jaar kreeg directeur-generaal Mohamed ElBaradei de Nobelprijs voor de vrede. Het was een welkome erkenning voor de Egyptenaar die bij de Amerikanen niets dan argwaan wekt omdat hij zoveel begrip heeft voor de gevoeligheden in de regio. Het is het eeuwige dilemma. Volgens Iran, en vele andere landen, meet het Westen met twee maten. De een mag wel een bom, de ander niet. Wanneer is het geduld met Iran op? Bij Irak zijn de bevindingen van ElBaradei (‘er is geen bewijs dat Saddam in het geheim aan een kernbom werkt’) door de Amerikanen van tafel geveegd. En nu zitten we met de kwalijke gevolgen. Dit keer toch maar beter luisteren naar de directeur-generaal.