‘Ik ben het liegen meer dan zat’

Een maand geleden werd Fernando Ricksen (30) wegens wangedrag uit de selectie van Glasgow Rangers gezet. Een afkickprogramma maakte hem wijzer. ‘Ik leefde in een roes.’

Waar spreek je af met een voetballer die met een alcoholprobleem kampt? In een alcoholvrije omgeving zou je zeggen. Maar een faux pas is snel gemaakt als je weinig op hebt met wodka’s en whisky’s: ‘In de hotelbar?’ opper ik. Fernando Ricksen vertrekt geen spier. „Prima”, klinkt het opgewekt. „Ik zal er zijn.”

In een regenachtig Glasgow, twee dagen later, komt het voorval indirect ter sprake. Of hij zich stoort aan mensen die geen rekening houden met zijn ‘handicap’? De verdediger van het Schotse Glasgow Rangers haalt zijn schouders op. „Het is aan míj om niet te drinken – waar of met wie ik ook ben. Goed, als iemand voor mijn neus een wijnfles ontkurkt, dan zeg ik daar wat van. Maar behandel mij alsjeblieft niet met fluwelen handschoenen. It’s my responsibility.”

Vier weken geleden, tijdens een vliegreis met zijn club naar Zuid-Afrika, nuttigde Fernando Ricksen (Heerlen, 1976) voor het laatst alcohol. Het kwam hem duur te staan. Naar verluidt – de speler mag van zijn club geen uitlatingen doen over het incident en kan zich er bovendien weinig van herinneren – zou hij een glas water over een stewardess hebben gegooid. Zijn nieuwe trainer Paul le Guen zette hem de volgende dag zonder pardon op het vliegtuig terug naar Schotland – een ongewisse toekomst tegemoet.

Maar Ricksen, die zich in zijn dertien jaar lange carrière als twaalfvoudig international (2000-2003) en bij achtereenvolgens Fortuna Sittard, AZ en (sinds vijf seizoenen) Glasgow Rangers wel vaker ernstig had misdragen, deed iets waarmee hij vriend en vijand verbaasde: hij meldde zich aan bij een afkickkliniek. „Ik had al een aantal maanden contact met de directeur van Sporting Chance in Hampshire. Hij vond dat ik mij moest laten behandelen, maar daar voelde ik weinig voor. Ik een probleem? Hoe kwam hij erbij? Ik leefde in mijn eigen wereld. Dacht dat ik het goed voor elkaar had. Maar na dat laatste voorval was ik in één keer bij de les. Ik wist: als ik nu niets doe, is het voorbij. Met mijn carrière, mijn huwelijk en met Fernando Ricksen zelf.”

In Sporting Chance – een afkickkliniek voor sporters die verslaafd zijn aan alcohol, drugs, gokken en seks – werd hij drie weken lang onderworpen aan een streng regime. Hij begon de dag met een groepsgesprek, waarin hij lotgenoten vertelde hoe hij zich voelde en waarom. Vervolgens ging hij een paar uur lang fietsen, fitnessen of hardlopen. Daarna volgde een individueel gesprek met een klinisch psycholoog. Ricksen las boeken over verslaving, deed aan yoga, shiatsu (Japanse drukpuntmassage) en kreeg huiswerkopdrachten mee. Televisiekijken was verboden, hij at natuurvoeding en moest zijn mobiele telefoon bij binnenkomst inleveren.

„Het beste wat ik ooit voor mezelf heb gedaan”, typeert Ricksen zijn actie, die de afgelopen weken breed werd uitgemeten in de pers en waar hij nu voor het eerst openhartig over wil praten. Of hij blijvend veranderd is weet hij niet, maar zeker is dat hij een andere kijk op het leven heeft gekregen. „Jarenlang heb ik in een roes geleefd. Als ík mij maar goed voelde, de rest interesseerde mij niet. Het was ikke, ikke, ikke, heel egoïstisch.” Hij moet er nog steeds aan wennen dat hij sinds zijn behandeling naar new age muziek luistert („op aanraden van de kliniek”) en zijn Ferrari in de garage laat staan. „Ik doe alleen nog dingen waar ik mij goed bij voel, niet om anderen te imponeren.”

Waar hij het meest van heeft geleerd in die drie weken? „De individuele gesprekken”, zegt hij zonder nadenken. „Je moet je voorstellen dat ik niet gewend was over mezelf te praten. Ja, wel óver mezelf, maar op een andere, energievretende manier. Ik wilde altijd maar bijdehand overkomen, iemand neerzetten die ik niet was: de sterke, zelfverzekerde man. Dus bij de klinisch psycholoog stelde ik dan ook meteen vast dat ik het beste wist wat ik nodig had. ‘Oh ja’ zei hij. ‘En waar blijkt dat uit? Wat heb je gepresteerd? Je baan staat op tocht, je vrouw wil bij je weg en je bent zelf naar de klote. Veel dieper kan je niet gaan. Wordt het niet eens tijd om het over een andere boeg te gooien?’ Tja, daar werd ik toch wel even stil van.”

Ook de groepsgesprekken waren verhelderend voor de man die opgroeide in een gesloten gezin. „Openhartig over mezelf praten met wildvreemden? Dat was echt nieuw voor mij, hoor. Zelfs mijn eigen vrouw kon in de acht jaar dat wij elkaar kennen moeilijk vat op mij krijgen. In de eerste groepsgesprekken keek ik dan ook de kat uit de boom, maar als anderen het achterste van hun tong laten zien, ga je toch overstag.” Ricksen merkte dat het hem opluchtte als hij de controle uit handen gaf. Er viel een last van zijn schouders. „Niet alleen omdat ik mij daar onder lotgenoten bevond, maar ook omdat ik voor het eerst sinds lange tijd niet als een lastpak werd gezien die anderen het leven zuur maakt. Want hoe ernstig ik mij de afgelopen jaren ook misdragen heb, ik ben in wezen een aardige gozer.”

Ricksen vindt het moeilijk om geconfronteerd te worden met zijn buitenissige acties van de afgelopen jaren. Op de vraag waarom hij drie jaar geleden een hoteldeur vernielde na een wedstrijd van het Nederlands elftal in Minsk, kijkt hij enige tijd stil voor zich uit. „Wat kan ik zeggen?” zucht hij ten slotte. „Het gebeurde gewoon, ik dacht er niet over na. Na een wedstrijd dronk ik vaak net zo lang door totdat ik omviel. Ik miste iets in mezelf en dat gemis probeerde ik te compenseren door problemen te veroorzaken. Ik leefde van hoogte- naar dieptepunt. Was lichtgeraakt, snel geïrriteerd – daar had ik twintig jaar geleden op school al last van.” Grinnikend: „En nu lees ik voor het eerst van mijn leven een boek uit. Een bóek! Ik blijf mezelf verbazen.”

Over zijn jeugd, waar de kiem van zijn extreme gedrag werd gelegd, wil hij niet praten. „Dat wil ik niet op straat gooien”, zegt hij gedecideerd. „En dat hoofdstuk heb ik bovendien afgesloten.” Maar feit is wel dat de machowereld van het profvoetbal waar hij op zijn zeventiende in belandde, zijn persoonlijke ontwikkeling geen goed heeft gedaan. „Als profvoetballer moet je sterk zijn, anders wordt er over je heengelopen. Wie zijn mond houdt, wordt al snel voor ‘mietje’ uitgemaakt, en laten ze in het veld links liggen. Met mijn extreme gedrag probeerde ik respect af te dwingen. Ik was gemakkelijk te beïnvloeden, wilde altijd voorop lopen. En onderwijl werd de muur om mij heen steeds dikker. Geen mens die mij op het laatst nog kon bereiken.”

De directeur van Sporting Chance, Peter Kay, stelt in een interview met The Independent dat voetbalmanagers de verslavingen van hun spelers ongewild aanmoedigen. „Eén van hen probeerde de ontwenningsverschijnselen van zijn speler te ‘verhelpen’, door hem voor de wedstrijd en in de rust een groot glas cognac toe te stoppen”, aldus Kay. „Het was geen slechte man, hij wist gewoon niet beter.” Heeft Ricksen soortgelijke ervaringen? „Nee. De club heeft mijn drinkgedrag nooit aangemoedigd. Ook niet tijdens teamuitjes, waar de fles van oudsher rondgaat. De verantwoordelijkheid ligt bij mij, die kan ik niet in de schoenen van de manager schuiven. Hij ontfermt zich over dertig verschillende persoonlijkheden, die kan hij niet allemaal apart gaan begeleiden.”

Wel vindt Ricksen dat managers losbandig gedrag van hun spelers voor kunnen zijn, door een psycholoog in de arm te nemen. „In een mannenwereld zijn psychologen taboe, maar je gaat problemen niet uit de weg door te doen alsof ze niet bestaan. En geloof me, ze bestáán. Zoveel voetballers zijn verslaafd aan gokken, seks, drugs en drank. Wat in de pers komt, is het topje van de ijsberg. Door die hoge transfersommen en salarissen staan zij onder steeds grotere druk om te excelleren. Ik stond versteld hoeveel bekenden ik in de kliniek tegenkwam. Mensen met een grote staat van dienst, die soms al jaren een dubbelleven leiden.”

Sinds enkele dagen traint Ricksen weer mee met het eerste elftal van Glasgow Rangers. Hij voelt zich geaccepteerd door zijn coach en medespelers, al beseft hij ook dat ze hem de komende tijd nauwlettend in de gaten zullen houden. „Het duurt even voordat ik het respect en vertrouwen van de mensen om mij heen terugwin – daar zal ik mee moeten leven. Dat geldt ook voor mijn vrouw, die de afgelopen jaren veel shit over zich heen kreeg, maar achter mij bleef staan omdat ze wist dat ik hulp nodig had. Pijnlijk, ja, maar ik weet nu tenminste dat ik een keus heb. Dat ik niet steeds achterom hoef te kijken, maar me kan concentreren op het nu. Ik kan niet meer doen dan iedere dag mijn best doen, nietwaar?”

„Het is een ziekte”, zegt hij gedachteloos. „Ik ben gewoon verslaafd. ‘Eén is te veel en duizend is nooit genoeg’, zeggen ze bij de AA-meetings waar ik een paar keer per week naartoe ga. Dat ene drankje vreet me helemaal op. Voor ik het weet lig ik laveloos met een fles op de grond.” Het zal nooit meer overgaan, beseft hij. Maar ermee leren leven kan hij wel. Hoe? „Door niet al te ver vooruit te kijken. ‘Ik drink vandaag niet’, zei ik toen ik vanmorgen wakker werd. En morgen zeg ik het weer. Want één dag is goed te overzien, maar bij een week of een maand slaat de paniek toe.” Om die reden beantwoordt hij zijn mobiele telefoon nog maar incidenteel. „Ik krijg zoveel negatieve prikkels van zo’n ding, dat wil ik mezelf niet meer aandoen. Ik bepaal zelf wel als ik iemand wil spreken. En het gekke is: ik mis die heisa absoluut niet.”

Hoewel hij niet ver vooruit mag kijken van zijn raadgevers bij de kliniek, mag hij wel plannen maken. „Hoe ik mijn toekomst het liefste vormgeef?”, vraagt hij nadenkend. „Het belangrijkste is dat ik weer wil leven. Gezond leven, het goed hebben met mijn gezin. Ik heb een stiefzoon van zestien, met wie ik voor het eerst sinds tijden weer normale gesprekken voer. Ik wil alles kunnen delen met mijn vrouw, ben het liegen, bedriegen en verdoezelen meer dan zat. Twintig jaar lang heb ik zo mijn leven geleid, en kijk waar het mij heeft gebracht.”

Of hij na het uitdienen van zijn contract bij de Rangers (in 2009) naar Nederland terugkeert, durft hij niet te voorspellen. Eigenlijk doet het er ook niet zoveel toe. „Ik voel me in beide landen thuis, maar het belangrijkste is dat ik de juiste mensen om me heen heb – en godzijdank heb ik die.”