Hollands Dagboek; Femke Halsema

Femke Halsema (1966) is fractievoorzitter van GroenLinks in de Tweede Kamer. Op uitnodiging van Kinderstem/Cordaid bracht zij een bezoek aan arm India, na een eerder bezoek dit jaar aan het welvarende deel. Bij haar thuis, in Amsterdam, staat voor de tweede keer de boel blank. Halsema heeft een tweeling, samen met Robert.

Femke Halsema

Donderdag 27 juli

Om 04.15 uur wordt er op mijn deur geklopt. Ik kleed me aan en loop naar de keuken waar Rieneke en Karen al koffie drinken. Sinds woensdagochtend ben ik in Zuidoost-India, in de stad Vijayawada, op uitnodiging van Kinderstem/Cordaid. De uitnodiging is een vervolg op de reis van de fractievoorzitters in maart om de ‘booming’ economie van India te bestuderen. De euforie bij de economische en politieke elite over de acht procent economische groei riep geleidelijk wrevel op. Hun verzekering dat ook de armoede zou verminderen, werd door straatbeelden gelogenstraft. De uitnodiging van Cordaid de arme kant van het land te zien, heb ik met beide handen aangegrepen.

Ons kleine gezelschap is bont. Behalve Rieneke en Karen, medewerkers van Cordaid, reist publiciste Ebru Umar mee als verslaggever voor Metro en Viva. Ebru heeft de afgelopen jaren een reputatie opgebouwd in venijnige polemiek. Tegelijkertijd heeft zij een voorliefde voor dure kleding en juwelen, haar verschijning vanochtend in tropenuitrusting is een tikje hilarisch.

Op pad. Samen met lokale hulpverleners zoeken wij straatkinderen op. Van het vuilnis dat zij verzamelen, kopen zij tipp-ex om te snuiven. Vooral de verslaafde meisjes stemmen treurig. Nauwelijks twaalf, met geschiedenissen van verkrachting, zijn het ook nog kinderen die aangehaald willen worden. Jongens kunnen nog riksja-rijder worden, de meisjes zijn perspectiefloos.

Net als woensdag langs opvangadressen, schooltjes, kinderwerkplaatsen en sloppenwijken. We schamen ons over onze grote, witte aanwezigheid. Wij schamen ons ook over onze schaamte, helemaal als we ons na elke omhelzing met kinderen secuur insmeren met desinfecterende gel, tegen de schurft.

In de namiddag een illegale sloppenwijk: tenten, gebouwd op vuilnis, aan een blubberig slootje. Het water gebruiken de bewoners om zichzelf en hun kleren te wassen en om eten te koken. De stank is overweldigend, ongedierte heeft vrij spel. Moeders bieden hun kinderen aan om mee te nemen naar Nederland. Wij schamen ons weer vruchteloos.

We slapen op een internaat voor straatkinderen. Ik sta lang en vrijwillig onder een koude douche.

Vrijdag

Om 6 uur met de trein naar Chennai (Madras) in de Golf van Bengalen. Daar worden we opgehaald door Paul Sunder Singh die, als partner van Cordaid, de noodhulp aan Tsunami-slachtoffers coördineert. Hij neemt ons mee naar de vissersdorpen. Alle bamboehutten zijn weggevaagd, de huisjes die het hielden zijn daarna door de lokale overheid platgewalst. Voor de overheid was de Tsunami een geluk bij een ongeluk omdat de grond nu wordt gebruikt voor uitbreiding van de haven. De slachtoffers hebben anderhalf jaar gebivakkeerd in een plastic tentenkamp op afgelegen, laagliggend terrein. In de moessontijd dreven alle vuilnis en menselijke uitwerpselen de tenten in. Inmiddels zijn zij opgevangen in een kamp met stenen huisjes. Sommige huizenblokken zijn goed omdat er afwatering is en een gedeeld toilet (per twaalf gezinnen). De sfeer in het kamp is gewelddadig. Mensen vechten om toegang tot een toilet. De vissers vegeteren omdat dit kamp negen kilometer uit de kust is gebouwd en niemand geld heeft voor de bus. Het is een troosteloze bende en de trotse stickers van de Europese Unie die op sommige deuren zijn geplakt, maken het er niet beter op.

Tegen zeven uur met de auto opgehaald door onze volgende gastheer. Hij brengt ons naar Pondicherry, een vissersplaats ten zuiden van Chennai, waar de Tsunami ook heeft huisgehouden.

Zaterdag

De gastheer is een Dalit (een ‘onaanraakbare’), en een trotse. Terwijl hij ons langs de projecten voor Tsunami-slachtoffers leidt, vertelt hij met woede over het lot van de ongeveer 200 miljoen ‘outcasts’ die India rijk is. Hoewel de discriminatie van Dalits officieel is verboden, zit de kastenhiërarchie in alle vezels van de Indiase samenleving. Vrijwel iedereen die wij ontmoeten is een Dalit en dat betekent dat hij geen toegang heeft tot de tempels, alleen het meest vieze werk mag doen, met de nek wordt aangekeken en straffeloos in elkaar kan worden geslagen of verkracht. Toen ik in maart met de andere fractievoorzitters sprak met de Nationale Mensenrechtencommissie, werd het probleem van de Dalits weggewuifd onder verwijzing naar het officiële overheidsstandpunt. Juist deze ontkennende reactie is een deel van het probleem, terwijl ook de internationale gemeenschap (en Nederland) het onrecht van de Indiase apartheid verwaarloost.

In Pondicherry krijgen de vissersvrouwen microkredieten. Zij zetten kleine bedrijfjes op, sparen voor wederopbouw en onderwijs van hun kinderen. De vrouwen vertellen eigenlijk blij te zijn met de Tsunami. Hier krijgen mensen voor het eerst de kans om zich te ontwikkelen.

In de namiddag rijden we terug naar Chennai en vliegen van daaruit naar Hyderabad, de hoofdstad van de staat Andra Pradesh voor de rest van ons programma. Ebru en ik zijn ontdaan van wat we hebben gezien en met zijn vieren gieten we daar ’s avonds laat in het hotel de nodige drank overheen.

Zondag

Op het programma staat een bezoek aan de ‘Jogini’s’, Dalitvrouwen die als ‘tempelprostituees’ de allerlaagste status in India hebben. De Jogini’s leven op een kampong buiten Hyderabad naast een klein, middeleeuws aandoend dorp. Het zijn honderden vrouwen met grote kinderscharen, waarbij de vaders meestal onbekend zijn. Ongeveer twintig procent van de vrouwen heeft HIV/aids. Eén van hen zegt bitter dat Indiërs hun honden met liefde in huis nemen en aanraken, terwijl zij voor de deur moeten liggen. Een ander corrigeert: „Alleen overdag zijn wij onaanraakbaar maar omdat we zo mooi zijn, zijn wij ’s nachts maar al te aanraakbaar”. De vrouwen zijn inderdaad zonder uitzondering prachtig. Wij blijven de hele dag bij hen en ’s avonds lopen we in een optocht van vrouwen door het naburige dorp. Omdat wij erbij zijn, worden ze niet geweerd maar verbaasd nagestaard.

Mijn telefoon doet het niet en onmiddellijk bekruipt mij het voorgevoel dat er thuis iets is gebeurd nu ik niet kan bellen. Ik leen een telefoon. Ons nieuwe huis blijkt voor de tweede keer in een week blank te staan. Vloeren zijn kapot, net als de afwasmachine en de stereo. De vers geverfde muren zijn geel en het dak van de keuken dreigt naar beneden te komen. Het kost me moeite het slechte nieuws van me af te schudden, me voor de zoveelste keer schamend voor mijn verwende mentaliteit.

We slapen op de kampong. In het kleine gemeenschapsgebouw worden vier matjes uitgerold. Voor de deur praten we lang met een groep vrouwen. Ze willen alles weten van de rare praktijken in Nederland: echtscheidingen, ongetrouwd zijn en laat kinderen krijgen. Trots laat ik de foto’s van mijn tweeling zien. Als we naar bed gaan worden we giechelig. We plassen, net als de anderen, achter het gebouwtje en gaan met onze kleren aan in onze lakenzakken liggen. Net als we het licht uitdoen, gaat de deur open en komen de vijf vrouwen waarmee we hebben gepraat binnen. Met zijn negenen slapen we lepeltje-lepeltje op de vier matjes.

Maandag

Om half zes wakker. Voor de deur vier slapende mannen die zich als onze bewaker hebben opgeworpen. Vrouwen halen water, kinderen komen zich vergapen. We nemen lang en ontroerd afscheid.

Eenmaal in Hyderabad knijpen Ebru en ik er een paar uur tussen uit. Vannacht vliegen we terug naar huis, na een diner met de plaatselijke notabelen. Het chronische slaapgebrek wreekt zich. In de hotellobby bespreken we de politiek, Theo van Gogh, Hirsi Ali en Verdonk, en andere wereldgebeurtenissen die ons kleine land en meestal ook ons in de greep houden.

Dinsdag

Van Schiphol rijd ik via een speelgoedwinkel naar huis. In Hyderabad heb ik een Indiase barbie voor mijn dochter bemachtigd. Omdat bij een tweeling verdelende rechtvaardigheid een heilig principe is, schaf ik voor mijn zoon een plastic boormachine aan. Als ik al illusies had over een seksevrije opvoeding, dan heb ik die, sinds zij begonnen te praten, diep begraven.

Thuis vermorzel ik hen zachtjes om daarna de waterschade tot me door te laten dringen. Overal staan droogmachines die het vocht uit de muren en de vloer trekken. De verbouwing van een half jaar geleden is deels ongedaan gemaakt. Terwijl Robert naar zijn werk rent, vertel ik mijn moeder die vandaag oppast over India.

De rest van de dag doe ik boodschappen en de was. ’s Avonds proberen Robert en ik orde in de chaos te scheppen. Met de vervroegde verkiezingen, een nieuwe verbouwing en zijn werk, vragen we ons enigszins vertwijfeld af hoe we het allemaal moeten redden.

Woensdag

’s Ochtends vroeg werk ik een inval-oppas in. Daarna naar Den Haag. Het is doodstil in de Tweede kamer. Ik neem mijn post door en bekijk de vijfhonderd mails van de afgelopen week vluchtig. Dan zet ik me aan het boek dat ik samen met de journalist Michiel Zonneveld wil publiceren. Hij heeft een eerste ruwe tekst gemaakt op basis van interviews met mij. Nu moet ik corrigeren en aanvullen. Net als de uitgever wordt hij inmiddels zenuwachtig omdat ik mijn aandeel niet op tijd lever. Ik kan me slecht concentreren, India rommelt door mijn hoofd. Karen van Cordaid komt de foto’s op CD langsbrengen en daar vlucht ik in. Robert belt of ik eerder naar huis wil komen omdat hij bezig is het keukenblok, waarachter de waterschade het grootst is, eruit te slopen. Onderweg belt collega Kees Vendrik met het NRC-nieuws dat minister Veerman onder andere zijn dienstauto heeft gebruikt voor privéreisjes. We spreken af hard te oordelen maar onze politieke conclusie afhankelijk te maken van de reactie van Veerman. Als ik thuis kom resteert er van het keukenblok niet meer dan een gat in de grond en besluiten we met zijn vieren ijsjes te gaan kopen.

Donderdag 3 augustus

De klusjesman komt vroeg binnen om de keuken te repareren. Ik smeer ’m naar Den Haag en begin aan dit dagboek. Ondertussen stel ik schriftelijke vragen over de uitspraak van de rechter dat een reformatorische school een jongen mag weigeren omdat zijn zus wel eens een broek draagt. Hier kan de vrijheid van onderwijs niet voor bedoeld zijn.

Na gefrustreerd schrappen in dit dagboek naar huis. Vanavond komt een vriendin langs, aan wie ik in ieder geval de gebeurtenissen uit de geschrapte passages kan vertellen.

Foto- en videoverslag van Femke Halsema’s reis op www.linkselente.nl of op www.cordaid.nl