HET TRAUMA VAN ELBARADEI

Iran kondigde dit voorjaar aan dat het uranium gaat opwerken ‘voor vreedzame doeleinden’. Dat kan de eerste stap zijn op weg naar een kernbom. Alle onderhandelingen zijn tot nu toe op niks uitgelopen.

Mohamed ElBaradei, directeur-generaal van het IAEA, probeert een herhaling van het Irak-scenario te voorkomen. De Amerikanen vinden dat hij te veel de vredesapostel speelt. Maar hij kreeg vorig jaar wel de Nobelprijs.

Op 7 oktober 2005 zat Mohamed ElBaradei thuis, in een ?at op de vierde verdieping van een oude villa in Wenen, met zijn vrouw Aida voor de televisie. Ze keken naar het nieuws op cnn. Plotseling was daar de aankondiging: ‘Nobelprijs voor de Vrede 2005 gedeeld door IAEA-directeur-generaal Mohamed ElBaradei en zijn agentschap.’

Wat zich toen afspeelde in die kamer vol Perzische tapijten, klassieke en jazz-cd’s en moderne schilderijen, weet niemand. ElBaradei (64), telg uit een gegoede Caïreense familie, is een discreet man. Maar één ding is zeker: voor de vn-functionaris, wiens belangrijkste taak het is om de verspreiding van kernwapens op aarde te bestrijden, kwam de prijs als manna uit de hemel.

Jarenlang had het Internationale Atoom Energie Agentschap, dat in 1957 werd opgericht, zich redelijk van die taak kunnen kwijten. Maar sinds de jaren negentig is het IAEA constant in het nieuws, omdat steeds meer landen in het geheim werken aan kernwapenprogramma’s. Veel van die landen hebben het zogeheten non-proliferatieverdrag (npv) getekend, waarin zij beloven dat niet te doen. Zij spelen dus kat en muis met de inspecteurs uit Wenen. Het gevaar voor een kernoorlog is volgens ElBaradei ‘nog nooit zo dichtbij geweest’.

Dát landen dat doen, is verontrustend. Maar daar komt nog bij dat het om controversiële landen gaat, zoals Pakistan, Noord-Korea en Irak. En nu, wellicht, Iran. Daardoor ontstaat er een mondiaal politiek probleem, waar grootmachten als de Verenigde Staten, Rusland en China hun nagels op scherpen. In dat formidabele krachtenspel heeft het IAEA, ’s werelds enige onafhankelijke nucleaire waakhond, soms de grootste moeite om de rol te spelen die het is toebedeeld. ElBaradei vergelijkt zichzelf weleens met Sisyphus, die een zware steen de berg op moet rollen. Maar voor de steen boven is, rolt hij altijd weer naar beneden.

Wantrouwen

Als ElBaradei die bittere waarheid ergens heeft moeten slikken, was het wel in Irak. Begin 2003 verklaarde hij in de vn-Veiligheidsraad dat zijn inspecteurs in dat land geen spoor meer hadden gevonden van welke geheime kernbomfabricage ook. In een poging om een oorlog af te wenden, pleitte hij voor extra inspecties. Twee weken later vielen de Amerikanen en Britten Irak binnen met het argument dat Saddam Hussein wel degelijk bezig was met de ontwikkeling van massavernietigingswapens. Dit is nog altijd één van ElBaradei’s grootste trauma’s. Als IAEA-inspecteurs niet meer serieus worden genomen, wie dan wel?

In 2004 gaven de Amerikanen toe dat ze inderdaad niets verdachts in Irak hadden gevonden. Maar daarmee kreeg de directeur-generaal hun vertrouwen nog niet terug. Eerst meldde de Washington Post dat de cia de telefoon van ElBaradei a?uisterde. Daarna lobbiede de regering-Bush zich suf om te verhinderen dat ElBaradei een derde, laatste ambtstermijn zou krijgen. En intussen rijpte er een nieuwe crisis: Iran bleek al achttien jaar aan een uraniumverrijkingsprogramma te werken dat het niet bij het IAEA had aangemeld. Washington wilde ElBaradei – wiens lievelings?lm ‘Gandhi’ is – niet wéér op zijn pad vinden. Maar de Amerikanen trokken ditmaal aan het kortste eind. Eind september vorig jaar kreeg de directeur-generaal er nog vier jaar bij. Dat gaf enige genoegdoening.

Tranen

Amper twee weken later kwam het bericht van de Nobelprijs. Het personeel gaf spontaan een feestje op het zwaarbeveiligde IAEA-hoofdkwartier aan de rand van Wenen. Toen ElBaradei en zijn vrouw (een voormalige Egyptische kleuterleidster) binnenkwamen, scandeerden medewerkers: ‘Mohamed! Mohamed!’ De directeur-generaal, als altijd onberispelijk gekleed, trok de breedste grijns die ze ooit hadden gezien. En barstte vervolgens in tranen uit. Veel personeelsleden hielden het ook niet droog. ElBaradei mag afstandelijker zijn dan zijn voorganger Hans Blix (de meester van het management by walking around), en weinig geduld hebben met mensen die minder slim zijn dan hij, maar hij wordt in Wenen op handen gedragen. Mensen vinden hem integer en fair. Als hij wil, zeggen ze, ‘kan hij zelfs charmant zijn’. Zíjn vernederingen waren de hunne. Dat kwam er die avond allemaal uit.

Veel IAEA’ers zijn ervan overtuigd dat het Noorse Nobelcomité met de vredesprijs voor 2005 een lange neus trok naar de Amerikanen. Volgens insiders heeft het IAEA van alle vn-organisaties de meest Amerikaanse managementstructuur: iedereen zegt dat het agentschap daardoor ef?ciënt is en minder last heeft van de wolligheid en het nepotisme waar de rest van de vn zo onder gebukt gaat. Maar de politiek uit Washington wordt hier, ambtshalve, met argwaan bekeken.

Sinds de prijsuitreiking in Oslo, in december, is de verhouding tussen ElBaradei en de Amerikanen er niet beter op geworden. Iran domineert de agenda. En de Amerikanen vinden, gesteund door sommige andere westerse landen, dat de directeur-generaal teveel voor › vredesapostel speelt. Volgens hen is hij met zijn hoofd in de Nobel-wolken blijven hangen en speelt hij Iran in de kaart met zijn pleidooien voor een diplomatieke oplossing. Dit soort wrijvingen is niet nieuw. De verhouding tussen het IAEA en de lidstaten is nooit eenvoudig geweest. En die met de Amerikanen al helemaal niet.

De oprichting van de organisatie, in 1957, was een uitvloeisel van het ‘Atoms for Peace’-programma van de Amerikaanse president Eisenhower. De nucleaire technologie was er, en nu iedereen de vernietigende gevolgen ervan kende, was het zaak om ervoor te zorgen dat die technologie voor vreedzame doeleinden werd gebruikt en niet voor de produk- tie van méér kernwapens. Het IAEA kreeg drie taken: inspecties doen om de ontwikkeling en verspreiding van die wapens tegen te gaan, zorgen dat kerncentrales veilig zijn, en het promoten en verspreiden van nucleaire technologie voor vreedzame, civiele doeleinden. Die eerste taak gaf meteen problemen. Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie, Frankrijk en China ontwikkelden atoomwapens. Tijdens de Cubaanse rakettencrisis, in 1962, ging het bijna mis. Als het IAEA verdere proliferatie wilde verhinderen, had het de dekking nodig van een internationaal verdrag dat bindend was voor iedereen. Zo’n verdrag kwam er in 1968: het non-proliferatieverdrag (npv). Daarin stond, onder meer, dat vijf landen atoomwapens hadden, maar de rest van de wereld daarvan af moest zien. Iedereen mocht kerncentrales voor energieopwekking bouwen, maar die moesten onder strikte controle van het IAEA komen zodat bijvoorbeeld verrijkt uranium niet stiekem tóch voor bommen werd gebruikt. 188 landen hebben dit verdrag, dat in 1995 voor onbepaalde tijd werd verlengd, getekend en gerati?ceerd. Het non-proliferatieverdrag bepaalt ook dat landen die kernwapens hebben, hun voorraden moeten reduceren. Maar daar is, bijna dertig jaar later, bitter weinig van terecht gekomen.

Het is de eerste taak waar het IAEA steeds het nieuws mee haalt. De hele Iran-crisis draait om de onvolkomenheden van dit npv. ‘Onvolkomenheden?’ zegt een diplomaat van een ontwikkelingsland in Wenen, ‘onéérlijkheden zou ik zeggen! Het npv meet met twee maten. Sommige landen mogen wapens hebben, andere niet. Daar komt steeds meer verzet tegen. Er zijn landen die genieten van de krachtmeting met Iran. Als het niet zo verdomde serieus was, was het bijna amusant.’

Wat de tweede taak van het IAEA betreft: door de oliecrisis in de jaren zeventig nam de vraag naar kernenergie dramatisch toe. Het IAEA hielp landen kerncentrales te bouwen en controleerde de veiligheid. Maar in de jaren tachtig kwam men in veel westerse landen in opstand tegen die centrales. Na de ramp in Harrisburg in 1979 stagneerde de bouw van nieuwe centrales. Volgens de statuten moet het IAEA het gebruik van nucleaire energie promoten. Maar als het iets níet doet, is het dat wel – althans niet publiekelijk. Dat gaat veranderen, denkt Hans Forsström, de Zweedse directeur Afvalverwerking op de afdeling Energie: ‘De olieprijzen stijgen. Sommigen denken dat de olie opraakt, anderen willen minder afhankelijk zijn van Arabische olielanden. Daardoor is het debat over kernenergie helemaal terug. Er wordt ook weer volop gedacht over manieren om op een verantwoorde manier af te komen van je kernafval.’

Nucleaire wetenschap

De derde taak van het IAEA is velen volslagen onbekend. Maar in Seibersdorf, drie kwartier rijden van Wenen, naast de IAEA-laboratoria waar de inspecteurs monsters uit landen als Iran laten testen op radioactiviteit – daar staan kassen vol bananenplanten die bestraald zijn om ze resistent te maken tegen ziektes die in arme landen oogsten laten mislukken en hongersnood veroorzaken. ‘Wij spelen hier voor God’, grinnikt Chikelu Mba, een Nigeriaan van de Plantendivisie, naast een rek glazen potten met bestraalde rijstplantenstekjes die niet alleen in zoet, maar ook in zout water gedijen – een uitkomst voor rijstboeren die oogst na oogst zien mislukken omdat er zeewater in het grondwater sijpelt. Na de bom op Hiroshima, zegt Mba, bleek dat planten in de omtrek gemuteerd waren. Ze hadden ineens eigenschappen die ze vroeger niet hadden. ‘Dat maakte mensen nieuwsgierig. Normaal duurt het duizenden jaren voor planten muteren. Nucleaire technologie helpt ons om dat proces te versnellen.’ Sommigen doen lacherig over deze ‘hobbyisten’. Anderen merken laatdunkend op dat Nucleaire Wetenschap de enige afdeling is waar relatief veel Afrikanen en andere mensen uit ontwikkelingslanden het voor het zeggen hebben. Dat laatste klopt – net zoals het klopt dat de atoominspecteurs altijd door een westerling worden geleid en de afdeling Energie altijd door een Rus.

Maar dat de afdeling Nucleaire Wetenschap bestaat, garandeert dat de inspecteurs hun werk kunnen doen. Iedere belangrijke beslissing bij het IAEA moet namelijk worden goedgekeurd door de Beheersraad. Onder de 35 landen die daarin zitten (de ‘gouverneurs’) zijn ook niet-nucleaire, niet-westerse landen. En zij hebben andere belangen dan de vijf kernmachten in de Raad: de vs, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk. Het zal de niet-westerse landen een zorg zijn hoe inspecties verlopen, of dat IAEA-camera’s die over de hele wereld in nucleaire installaties hangen, vernieuwd worden. Wat hén interesseert, is radiologie krijgen voor de kankerbestrijding. Of tsetse-vliegen zó bestralen dat ze geen slaapziekte meer verspreiden – Zanzibar kreeg die techniek een paar jaar geleden, en de ziekte is er uitgeroeid. Als de niet-westerse landen die nucleaire goodies niet zouden krijgen, zou het hele besluitvormingsproces bij het IAEA tot stilstand komen. ‘Elke dollar die aan inspecties wordt uitgegeven’, zegt een diplomaat, ‘compenseren we met een dollar aan ontwikkelingsprojecten. Dan gaan arme landen overal mee akkoord.’

Zo soebat de Raad al twee jaar over de oprichting van een comité voor versterkte bewaking van nucleaire installaties. Maar comités kosten geld, bijvoorbeeld voor tolken. De G77, een coalitie van ontwikkelingslanden die – tot wanhoop van westerse industrielanden – in de hele vn steeds assertiever wordt, wil niet dat dit ten koste gaat van ‘hún’ deel van de begroting. Dat zijn vermoeiende gevechten. Maar uiteindelijk worden ze hier, anders dan bij andere vn-organisaties, altijd simpel opgelost: de rijke landen kopen de arme af. ‘De Pakistaanse katoenindustrie overleeft dankzij ons’, zegt vice-directeur-generaal Nucleaire Wetenschap Werner Burkart, een Zwitser. ‘In Bangladesh halen we arsenicum uit het grondwater. Dat bevordert de besluitvorming in de Raad en dient als beloning voor landen die hun kernwapenarsenaal afzweren. Toen Zuid-Afrika dat deed, kregen ze er ontwikkelingsprojecten voor terug. Libië in 2003, idem dito. Hoe meer projecten we bieden, hoe minder kans op een bom. Hopen we.’

Die redenatie is terug te vinden in de tekst die de voorzitter van het Noorse Nobelcomité uitsprak toen hij de vredesprijs aan ElBaradei en het IAEA uitreikte. Samen kregen ze 1,1 miljoen dollar ‘voor hun inspanningen om nucleaire proliferatie te stoppen en om kernenergie voor vreedzame doeleinden te gebruiken’. ElBaradei schonk zijn helft aan een kindertehuis in Egypte. Het IAEA-deel ging naar de afdeling Nucleaire Wetenschap.

De inspecteurs

Dit zou een mooi moment zijn om met Olli Heinonen te gaan praten, de Finse vice-directeur-generaal die de grootste IAEA-afdeling leidt: Safeguards, waar ongeveer driehonderd inspecteurs werken. Heinonen weet alles over Iran. Hij gaat er vaak heen. Hij schrijft de Iran-rapporten waar de Beheersraad geregeld om vraagt. Op basis van die rapporten, die vertrouwelijk zijn maar altijd via ambassades uitlekken, bepaalt de internationale gemeenschap wat ze met Iran aanmoet. Maar Heinonen geeft al maanden geen interviews. Zijn rapporten zijn puur feitelijk. De zaak-Iran ligt politiek te gevoelig.

De inspecteurs, die zo’n negentig dagen per jaar op pad zijn, mogen in Iran alleen bestaande nucleaire installaties inspecteren. In Natanz en Bushehr hangen camera’s met software van het IAEA, die constant foto’s nemen. Zo wordt elke beweging geregistreerd. Bewegingen kunnen wijzen op dingen die niet in de haak zijn. Voor de energievoorziening wordt laagverrijkt uranium gebruikt; als uranium verder wordt verrijkt, kan het voor wapens worden gebruikt. Die extra activiteiten kunnen geregistreerd worden door camera’s.

Ook checken de inspecteurs de zegels die ze aan apparatuur hebben bevestigd. Als die verbroken zijn, zijn er mogelijk onoirbare dingen gebeurd. Ze controleren alle apparatuur, vlooien de boeken door om te zien wat het gebouw in is gegaan en wat eruit, interviewen verantwoordelijken. Ook nemen ze stofmonsters met witte katoenen lapjes. Die worden in enkele laboratoria ter wereld getest, onder andere op radioactiviteit. Eén van die laboratoria is dat van het IAEA in Seibersdorf. Op zulke monsters staat een code, geen landsnaam: laboranten weten niet wat ze in handen hebben. Een van de weinigen die deze codes wel kennen, is Leen Bevaart, een Nederlander die negentien jaar als inspecteur heeft gewerkt en nu hoofd is van de sectie Statistische Analyse.

‘Een land rapporteert wat het heeft’, vat Bevaart de werkwijze in Iran samen, ‘en wij controleren of het correct is.’ Zo werkte het IAEA tot eind jaren negentig overal: het mocht alleen installaties inspecteren die een land zelf had opgegeven. Landen die het IAEA wilden foppen, deden dat gewoon op plekken waar inspecteurs niet mochten komen. Zo werkten Irak en Noord-Korea jaren ongestoord aan een bom. Daarom kwam er een nieuw, uitgebreider inspectieregime, dat de inspecteurs in staat stelt om ook elders in een land te kijken of het niets verzwijgt – ze werden ineens detectives in plaats van boekhouders. Dit is vastgelegd in het Additionele Protocol uit 1997. Dat is gerati?ceerd door 75 landen, waaronder Nederland. Iran tekende het protocol in 2003 omdat het bang was voor sancties: er was net ontdekt dat het uranium verrijkte op plaatsen die niet bij de IAEA waren aangemeld en waar geen inspecteurs kwamen. Iran liet het IAEA zelfs meteen volgens de nieuwe methode wer- ken. Maar het heeft het protocol nooit gerati?ceerd. In 2005 draaide het de inspectieklok weer terug. Sindsdien is de oude, beperkte werkwijze weer van kracht. De informatie over Irans geheime verrijkingsprogramma kwam van Iraanse oppositiegroeperingen in het buitenland. Toen de inspecteurs de Iraniërs met bewijs confronteerden, zeiden die dat het oud, nutteloos materiaal was. Waar het vandaan kwam wilden ze niet zeggen. Maar rond die tijd sloot Libië – buiten het IAEA om – een deal met de VS om zijn kernwapenprogramma op te geven, om van zijn internationale pariastatus af te komen. De Libiërs leverden alles in. Het meeste zat nog in dozen; ze hadden niet genoeg experts om ermee aan de gang te gaan. Het materiaal bleek geleverd door het netwerk van Abdul Qadir Khan, de mastermind van de Pakistaanse kernbom die in 1998 voor het eerst was getest. De Libische onderdelen bleken dezelfde te zijn als die in Iran gevonden waren.

De meeste IAEA’ers en diplomaten in Wenen weten niet precies hoe de vork in de steel zit met Iran. De paar ingewijden houden hun mond stijf dicht. Bevaart, de voormalige inspecteur, zegt dat hij zelfs niet met zijn vrouw, tevens collega, praat over wat hij weet. Niettemin hangen de nucleaire aspiraties van Iran als een slagschaduw over het gebouw. Iedereen volgt het. Het gaat allen immers aan.

Nonsens

‘Heb je dít gelezen?’ vraagt een man bij het tijdschriftenstalletje in de enorme hal van het hoofdkantoor. Hij wijst op een artikel in een Amerikaanse krant.

‘Nee’, zegt zijn collega. ‘Wat staat er?’ ‘Nonsens!’ roept de eerste. ‘Hier worden anonieme Amerikaanse regeringsfunctionarissen geciteerd die zeggen dat ze net een hoge delegatie van het IAEA op bezoek hadden, die hun nieuwe belastende informatie over Iran heeft gegeven.’

‘Delegatie?’ vraagt de andere man. ‘Wat voor delegatie?’

‘Precies! Er is niemand van ons in Washington geweest. Al weken niet. Die Amerikanen gaan wel heel ver om de wereld aan hun kant te krijgen!’

IAEA’ers zijn gewend om dingen voor elkaar te verzwijgen. Zo is het altijd geweest. Toch heerst hier een sterk familiegevoel. In spannende tijden groeit dat alleen maar. Mensen zijn trots op de nucleaire waakhond waarvoor ze werken. Alle naoorlogse internationale organisaties hebben mensen in dienst die vinden dat ze een nobele missie hebben – een missie to make the world a better place. Maar bij het IAEA is dat gevoel sterker dan bij andere vn-organisaties, bij de Europese Unie of het imf. Het IAEA ontsnapt bijna als enige aan het groeiende dédain van publieke opinie en politici. Het heeft met de jaren juist aan relevantie gewónnen. Het is ongeveer de enige vn-organisatie waar de lidstaten steeds meer aan betalen, in plaats van steeds minder. Dáárom werd die man in de hal zo kwaad toen hij over dat politieke valsigheidje las van de anonieme Amerikaanse functionarissen (of de verslaggever) in Washington. Wie met › de feiten in de Iran-kwestie solt, vindt men, solt met het IAEA zelf. Juist nu.

Slechte voorbeeld

Topinspecteur Olli Heinonen wil niet praten, maar foto’s vindt hij best. In een kamer met veel sloten op de deur, waar een kettingrokende Fransman satellietfoto’s bekijkt van nucleaire installaties. En voor de draaideur, op het ronde plein met de fontein en de vlaggen van de lidstaten. De vlaggenkoorden slaan zo hard tegen de masten dat je je in een jachthaven waant. In deze buitenwijk, die als uno City op verkeersborden staat aangegeven, veranderen de gekromde, glazen IAEA-torens een zomerbriesje in een orkaan. Bovenin, op de 37ste verdieping, zit de Amerikaanse permanente vertegenwoordiger bij de internationale organisaties in Wenen, die de titel ambassadeur draagt. De ambassadeur zegt weleens tegen bezoekers, wijzend op het IAEA-complex beneden: ‘Van hieruit houden wij goed overzicht op wat er daar gebeurt.’

Grapje. Maar ook weer niet. Eén van de problemen van het IAEA is dat de Amerikanen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog als eersten een kernbom ontwikkelden, vinden dat veel andere landen het recht niet hebben om er óók een te maken. ‘Op zich is dat een nobel streven’, zegt de Zweed Hans Blix, ElBaradei’s voorganger, die net als voorzitter van een internationale commissie van onafhankelijke nucleaire experts een alarmerend rapport heeft gepubliceerd over een nieuwe atoomwapenwedloop. ‘Maar het werkt alleen als Amerika het goede voorbeeld geeft. Van de 50.000 kernwapens uit de Koude Oorlog zijn er nog 27.000 over. Velen staan op scherp. De Amerikanen ontwikkelen zelfs nieuwe types. Ze hebben gedoogd dat Israël, India en Pakistan kernwapens maakten. Ze stuurden hun soldaten Irak en Afghanistan in. Als je dan tegen andere landen in de regio zegt dat ze de bom niet mogen hebben omdat dit nergens voor nodig is, moet je niet verbaasd zijn dat die landen zeggen: Donder maar op.’

Dit is het grootste probleem dat Mohamed ElBaradei op zijn bord heeft: de groeiende assertiviteit van landen in het Midden-Oosten, die geen grein vertrouwen meer hebben in de rest van de wereld. En die, na jaren blaffen, nu proberen of ze kunnen bijten. ‘De Iran-affaire is een van de belangrijke testcases voor de IAEA tot nog toe’, zegt Greg Schulte, de Amerikaanse permanente vertegenwoordiger in Wenen . ‘De a?oop zal bepalend zijn voor de toekomst van het non-proliferatieverdrag. De geloofwaardigheid van het agentschap en het verdrag staat op het spel.’

De Schreeuw

In het kantoor van ElBaradei hangt een reproductie van Edvard Munch’s De Schreeuw: een wanhopige ?guur met zijn mond wijd opengesperd. Ziet hij daar ‘de mens’ in, geconfronteerd met de nucleaire Apocalyps? Of de machteloosheid die hij zelf soms voelt? Onmogelijk om het hem te vragen. Ook de directeur-generaal houdt de pers deze dagen op afstand.

Eén ding is zeker: hij is gewend om onder druk te werken. Lidstaten belagen hem doorlopend om landgenoten op hoge posten te benoemen (iedereen wil ‘mollen’), hun veiligheidsdiensten niet voor de voeten te lopen, en mild te zijn over bevriende landen en hard over hun vijanden. Zo eisten sommige landen in 2003 dat ElBaradei wachtte met rapportages over de illegale doorverkoop van Pakistaanse technologie aan derden, omdat Pakistan een bondgenoot was in de strijd tegen Al-Qaeda. En voordat hij in 2003 zijn laatste Irak-rapport in de Veiligheidsraad presenteerde, wilden voorstanders van de Amerikaanse invasie dat hij zijn conclusies afzwakte, terwijl de tegenstanders juist het omgekeerde vroegen. ElBaradei stelde beide kampen min of meer gerust. En zei toen, tot ergernis van de geallieerden, precies wat hij wilde zeggen. Dit scenario herhaalt zich nu met Iran, maar heviger.

ElBaradei vindt dat de crisis diplomatiek opgelost moet worden. Hij maant Iran voortdurend om meer informatie te geven over zijn nucleaire activiteiten, als het de wereld ervan wil overtuigen dat zijn geheime verrijkingsprogramma alleen bedoeld is om elektriciteit op te wekken. Iran heeft meermalen zijn eigen overeenkomst met het IAEA geschonden door met kleine hoeveelheden nucleair materiaal te experimenteren zonder het te melden. Maar strikt genomen, zegt ElBaradei, heeft Iran geen internationaal verdrag geschonden door het geheime verrijkingsprogramma niet aan te melden. Het land buit alleen de ‘gaten’ in het non-proliferatieverdrag uit, zoals Irak en Noord-Korea eerder deden.

Omdat het gevaar van escalatie aanwezig is (volgens het blad The New Yorker bereidt het Pentagon militaire stappen tegen Iran voor), laat hij geen kans liggen om dat te benadrukken. Zo pro?leert hij zich, met het Iraakse trauma als leidraad en de Nobelprijs als ruggensteun, als vredesduif. Maar de Amerikanen, en de drie Europese landen die sinds 2003 proberen om Iran en de vs tot rede te brengen (Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland), vinden dat ElBaradei buiten zijn boekje gaat. In hun ogen gedraagt hij zich als politicus en niet als de ‘onafhankelijke techneut’ die hij volgens zijn functieomschrijving moet zijn.

Van enig begrip voor de Iraanse drijfveren is ook bij de Europeanen geen sprake meer. Ze zijn ervan overtuigd dat Iran hen drie jaar lang aan het lijntje heeft gehouden – lees: heeft geschoffeerd – om een kernmacht te kunnen worden. De enige reden dat zij blijven onderhandelen, is dat alle denkbare alternatieven de wereld rampzalig op zijn kop kunnen zetten.

Daarom boden ze Iran deze zomer aan om het te helpen bij de nucleaire energievoorziening (en het, zegt men, vliegtuigonderdelen te leveren waar Teheran door jarenlange sancties om verlegen zit) in ruil voor garanties dat Iran geen kernbom fabriceert. De vs, die voorheen veel harder tegen Iran waren, steunen dit voorstel. Rusland en China, die Iran totnogtoe juist beschermden, óók. Voor het eerst trekken de vijf landen één lijn.

Maar Teheran concludeerde daaruit dat het kennelijk zo’n vaart niet loopt met de militaire dreigementen uit Washington – en kondigde aan dat het maanden de tijd wilde nemen om op dit plan te reageren. Waar dit spel op uitloopt, weet niemand.

Bedreigd

ElBaradei irriteert de onderhandelaars omdat hij probeert begrip voor Iran te kweken. Zo zei hij op een bijeenkomst op het Haagse Clingendael-instituut, in mei, dat het ware probleem schuilt in het feit dat Iran zich bedreigd voelt. ‘Als iemand die uit de regio komt, begrijp ik waar die onzekerheid vandaan komt’, zei hij. ‘Iederéén heeft dat daar. De internationale gemeenschap moet proberen dat weg te nemen. Dat is de oplossing.’ Iran, ging hij verder, ‘heeft gezien dat anderen in de regio kernwapens ontwikkelden en een voorkeursbehandeling kregen. En nu wil de internationale gemeenschap verhinderen dat Iran een verrijkingsproces opzet, wat onder het non-proliferatieverdrag is toegestaan?’

Daar valt weinig op af te dingen. Israël en India, die het npv nooit hebben getekend, hebben ongestoord kernwapens ontwikkeld. In deze landen komt geen IAEA-inspecteur binnen, tenzij de regering (om goodwill te kweken) anders beslist. In Israël en India worden nu inspecteurs toegelaten, maar niet op cruciale plekken. De vs kondigden vorig jaar een nucleair samenwerkingsverband met India aan. ElBaradei werd erdoor verrast maar reageerde, tot veler verbazing, positief. Hij wist dat hij er toch niets aan kon veranderen. ‘Als we aardig doen’, zegt een medewerker, ‘kunnen we er misschien meer inspecties uitslepen in India dan als we gaan zeuren.’ Maar veel landen in de regio zien in deze deal het bewijs dat je buiten het verdrag beter af bent dan erbínnen.

Pakistan, evenmin ondertekenaar van het verdrag, heeft sinds zijn ontstaan in 1947 maar één obsessie: dat het door India van de kaart wordt geveegd. Toen India in 1974 zijn eerste bom testte (de ‘smiling buddha’), begon Pakistan direct aan een eigen wapen. A.Q. Khan, de beruchte metallurg die in Nederland had gewerkt, zette de productie in het diepste geheim op, op basis van gestolen ontwerpen en onderdelen van het Brits-Duits-Nederlandse Urenco-consortium in Almelo, dat verrijkt uranium produceert voor de energievoorziening. Pakistan wilde de eerste zijn met een ‘moslimbom’. Waren er naast de gevreesde hindoebom immers niet ook christelijke, communistische en joodse bommen? Voor de eerste test, in 1998, werd het nauwelijks gestraft. De vs wilden Pakistan als bondgenoot houden in de snel-islamiserende regio.

Het punt dat ElBaradei in Den Haag maakte, is dat je je moet inleven in de redenen waarom een land een kernbom wil: ‘Geef zo’n land veiligheidsgaranties, zodat het geen reden heeft om een kernwapen te ontwikkelen.’ De Iraanse ambassadeur, die in de zaal van Clingendael zat, knikte instemmend. Maar functionarissen van Europese landen die met Iran onderhandelen, en de Amerikanen, konden hun oren niet geloven. Volgens › hen geeft ElBaradei Teheran een cover om het spel hoog te blijven spelen en ondermijnt hij zo de onderhandelingen. Sommigen denken dat dit komt doordat ElBaradei een moslim is. Zei hij in Den Haag niet óók dat ‘negentig procent van de spanning in het Midden-Oosten afhangt van een rechtvaardige oplossing voor de Palestijnen’?

Partijdig

Zelfs ex-wapeninspecteur Hans Blix, die de regering-Bush rauw lust en daar geen geheim van maakt, vindt ElBaradei’s uitlatingen onverstandig. Hij is het inhoudelijk met ElBaradei eens, daar niet van. Net als anderen die ElBaradei goed kennen – en hem ontspannen grapjes hebben zien maken met Israëli’s – gelooft Blix niet dat zijn opvolger zich door islamitische sentimenten laat leiden. Maar ‘een directeur-generaal moet geen uitspraken doen die als partijdig kunnen worden uitgelegd.’

Ook de Belg Pierre Goldschmidt, die van 1999 tot 2005 als vice-directeur-generaal Safeguards de voorganger was van Olli Heinonen, vindt dat IAEA’ers zich niet met politiek moeten inlaten. ‘Dat kan het IAEA schaden. De grootste kracht van de organisatie is haar objectiviteit.’ Goldschmidt woont weer in Brussel. Hij is visiting scholar bij de Carnegie Endowment for International Peace, een denktank in Washington, en is een gerespecteerd spreker over nucleaire proliferatie. Maar zijn hart ligt nog een beetje bij het agentschap: ‘Het IAEA vecht voor een goed doel. Ik heb er veel in geïnvesteerd, onder meer om de ruimere, meer analytische veri?catiemethode van de grond te krijgen. Het agentschap verdient alle steun die het kan krijgen.’

Goldschmidt werkte, zoals de meesten bij het IAEA, op een tijdelijk contract. Na maximaal zeven jaar moet je weg. Men wil de instroom van fris bloed garanderen, van experts die op de hoogte zijn van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen. Wie daar te lang uit is, raakt achterop. Maar dit rotatiebeleid (dat minder voor inspecteurs geldt) heeft ook nadelen. David Donahue, een Amerikaan in een witte stofjas in het laboratorium in Seibersdorf waar onder meer monsters worden getest, vertelt dat hij haast geen gekwali?ceerd personeel kan vinden. ‘Na Tsjernobyl hebben veel landen kernenergie afgezworen. Ze leiden nauwelijks meer mensen op.’

Vóór Goldschmidt aantrad was in Irak en Noord-Korea, beide lid van het npv, gebleken dat de traditionele inspecties van nucleaire installaties niet voldoende waren om geheime wapenprogramma’s op het spoor te komen. Daarom werd er een Additioneel Protocol ontwikkeld, in 1997. Het idee hiervoor kwam van een adviesgroep waar ook de Nederlandse fysicus Piet de Klerk in zat. Later werd De Klerk directeur Externe Betrekkingen en Beleidscoördinatie bij het IAEA, tot 2003. ‘Door die nieuwe manier van inspecteren groeide het pro?el van de organisatie’, zegt hij. ‘Vroeger mocht je alleen checken of het verhaal van een regering klopte. Nu konden we ook op zoek naar wat ze verzweeg. Dat was tamelijk revolutionair.’

De meerwaarde van die ‘?exibele’ inspecties was gebleken na de eerste Golfoorlog, begin jaren negentig, in Irak. Saddam was verslagen en moest slikken dat het IAEA verregaande volmachten kreeg om het hele land uit te kammen. Donahue, van het lab in Seibersdorf, vertelt dat de inspecteurs eens in een oude fabriek bezig waren en vroegen: ‘Wat is dit?’ ‘Oh’, zeiden de Iraki’s, ‘een fabriek voor babyvoedsel.’ ‘Vreemd’, antwoordden de inspecteurs. ‘We hebben hier uranium gevonden’

Het Additionele Protocol geeft inspecteurs minder carte blanche dan ze in Irak hadden – anders was het voor veel landen onaanvaardbaar geweest. Maar het principe is hetzelfde. Noord-Korea heeft het nooit getekend. In 2002 gooide het de inspecteurs eruit, in 2003 zegde het land het npv op en in 2004 maakte het bekend dat het kernwapens had. De vrees bestaat dat Iran hetzelfde gaat doen.

Meer geld

Bij inspecteurs staat Pierre Goldschmidt bekend als de man die zorgde dat hun begroting, die al vijftien jaar bevroren was, met bijna twintig procent steeg. Hij leverde jaren slag met de lidstaten, maar uiteindelijk stemden ze toe. Sommige landen werden intensiever bezocht. Er werden satellietbeelden gebruikt, en radar. De camera’s werden vernuftiger. Vroeger zaten er fotorolletjes in, die inspecteurs steeds mee terug namen naar Wenen. Nu zenden camera’s de beelden regelrecht naar IAEA-computers. ‘Iedereen zag in: Niemand kan het werk doen dat het IAEA doet. Dus moeten we het de middelen geven die het nodig heeft.’

Dat was fijn, natuurlijk. Op veel afdelingen werd opgelucht ademgehaald. Er was zelfs geld voor een nieuwe ‘unit’ die de ondershandse doorverkoop van materialen voor een kernbom moest traceren. Zo lagen er op Jordaanse markten jarenlang onderdelen van Iraks ontmantelde wapenprogramma te koop. Ook dook er in de kelder bij een Siciliaanse maf?abaas een staaf op, van Amerikaanse makelij, die twintig jaar eerder uit een Congolese kernreactor was verdwenen. Sinds de ontmaskering van A.Q. Khan rijst de vraag hoeveel méér ondergrondse netwerken er zijn. Khan heeft intussen huisarrest, maar Pakistan heeft kennelijk zoveel te verbergen dat het hem niet met IAEA-inspecteurs laat praten. Khans handlangers lopen, in allerlei landen, nog vrij rond. Leveren zij aan terroristen, die ten aanzien van het gebruik van kernwapens wellicht minder scrupules aan de dag leggen dan regeringen? Wie de twee fascinerende artikelen over Khan heeft gelezen die het blad The Atlantic onlangs publiceerde, kan zich bij die zorg iets voorstellen: de man opereerde met medeweten van diverse regeringen.

Dit is de reden dat het IAEA in de crisis met Iran weinig meer kan doen dan zo goed mogelijk inspecteren, rapporten schrijven en hopen dat iedereen zijn hersens blijft gebruiken. ‘In 2003, toen het agentschap bekendmaakte dat Iran al achttien jaar aan een verrijkingsprogramma werkte, had het naar de vn-veiligheidsraad moeten stappen om extra volmachten te vragen’, zegt Goldschmidt. Maar ElBaradei vreesde een herhaling van het Irak-scenario – sancties voor Iran. En de internationale gemeenschap was verdeeld. De Amerikanen wilden niets liever dan naar de Veiligheidsraad. Maar Rusland en China, die van alles aan Iran verkopen en bovendien Washington graag wilden frustreren, waren ertegen. In zo’n geval kan de Veiligheidsraad niets. Daarom begonnen de Europeanen te bemiddelen. Ze zagen een Koude Oorlog deel twee opdoemen, maar dan met onberekenbaardere spelers dan de vorige keer.

Niemand weet waar de Europeanen en Amerikanen heen willen. Ze lijken rond te dwalen in een soort mist, op zoek naar houvast. Los van commentaren als ‘Ik geef het niet meer dan dertig procent kans’ krijg je over de onderhandelingen weinig los, in Wenen. Diplomaten van landen die erbij betrokken zijn, zijn discreet. Hun collega’s uit landen die er níet bij betrokken zijn, kennen de details niet. Velen wíllen ze ook niet kennen: ze zijn als de dood dat ze selectieve informatie krijgen en voor iemands karretje worden gespannen. Het IAEA mag zich verheugen in veel publieke waardering, de directeur-generaal mag zich laten lauweren met prestigieuze vredesprijzen – maar uiteindelijk geldt voor het IAEA het credo dat voor de hele vn-familie geldt: de organisatie is zo sterk als de lidstaten willen. Ofwel, niet té sterk.

‘Er is maar één echte oplossing voor het kernwapenprobleem’, zegt Piet de Klerk: ‘Alle kernwapens de wereld uit. Helaas is dat een utopie. Dus worden de problemen steeds erger en zit het IAEA constant op een hellend vlak. Het enige wat het kan doen, is zorgen dat de ballen niet teveel gaan rollen.’ M

Caroline de Gruyter is correspondent van NRC Handelsblad in Genève.