GROETEN UIT KOERDISTAN

In Irak woedt sinds de inval van de Amerikanen een burgeroorlog, maar in het noorden is het relatief rustig. De Koerden zijn nog steeds blij dat Saddam verdreven is. Hele families keren terug naar Koerdistan, de economie leeft op. Maar ook daar blijft het gevaarlijk. Arjan Amin heeft een Koerdische vader en een Nederlandse moeder. Zijn vader heeft Koerdistan nooit teruggezien, nu gaat hij zelf, om zijn talrijke familieleden te ontmoeten. En het huis van zijn vader te bezoeken, in het onrustige Kirkuk.

‘Als Saddam dood is, gaan we samen naar Irak’, zei mijn vader altijd. Maar mijn vader ging eerder dan Saddam. Op zijn graf beloofde ik hem: ‘Ik zal je in mijn hart mee terug nemen naar huis’. Drie maanden vóór de tweede golfoorlog deed ik een eerste poging. Saddam zat nog op zijn troon. Ik ontmoette mijn Koerdische familie in de toenmalige no fly zone. Maar een bezoek aan mijn vaders geboortehuis in Kirkuk zat er niet in, te gevaarlijk. Daarom ga ik nu weer. En natuurlijk om te kijken hoe het met mijn tweehonderd neefjes en nichtjes gaat.

Even voorstellen: Arjan Amin, 37 jaar oud, geboren in Arnhem. Ik woon op een vuurtoreneiland bij Amsterdam en verdien mijn brood als dichter en muzikant. Ik ben een kleinzoon van Piet van Veelen – de laatste stadsboer in Arnhem – én van Mohammed Amin Zangana – kruidenier in Kirkuk. Midden jaren zestig belande mijn vader in Amsterdam. Hij had geld, was een knappe dandy en vastbesloten westerling te worden. Mijn moeder die als jonge vrouw naar de grote stad kwam, was de eerste die niet gelijk met hem naar bed wilde. Dus dacht mijn vader: dasj een choeie frouw. Ik had Nederlandse vrienden, groeide op in een Arnhemse arbeiderswijk met Swiebertje en Tita tovenaar. Mijn vader schreeuwde soms in een vreemde taal door de telefoon naar een ver land, dat waren zo’n beetje mijn Koerdische roots. Van de islam wist ik al helemaal niets. Toen stierf mijn vader. Ik vond dat mijn christelijke Nederlandse en mijn islamitische Iraakse familie ieder op hun eigen manier afscheid moesten kunnen nemen. Ik waste mijn vader, deed hem zijn beste pak aan en zocht een imam. Die vond dat ik pa ritueel had moeten laten wassen en hem een wit gewaad had moeten aantrekken. En hij kon op de begrafenis niet naast een dominee staan. Dat werd ruzie. Hij belde naar Mekka, dáár vonden ze het gelukkig een uitstekend plan. Ik maakte een filmpje van de begrafenis dat ik naar mijn onbekende familie in Irak stuurde. Mijn vaders einde hier was mijn begin daar.

Afgelopen juni vertrok ik voor de tweede keer naar Irak, dit keer met vriend en fotograaf Kadir van Lohuizen. Voor mij stond één ding vast: dit keer móest ik naar het huis van mijn vader. In het vliegtuig vroeg ik me af hoe ik mijn familie zou aantreffen. De val van Saddam, de oorlog, wat heeft dat met hen gedaan? Mijn neef Erfan haalt ons ’s avonds met zijn nieuwe witte four wheel drive op van het pas geopende vliegveld van Arbil, de officiële hoofdstad van Iraaks Koerdistan. Onderweg naar zijn woning wijst hij naar prachtige bouwprojecten, nieuwe parken en winkelcentra in aanbouw. Ik zie een skyline van imposante flatgebouwen, verlicht met kleurige spots. Niets lijkt op de beelden die de media over ons uitbraken. Door Erfans nieuwe voordeur kom ik ‘thuis’ – ditmaal in een paleis. De volgende ochtend neemt Erfan mij en Kadir mee naar de watervallen van Bengal, waar we een splinternieuw vakantiedorp boven op een prachtige canyon bezoeken en de opening bijwonen van dé nieuwe rodelbaan – de enige in het Midden Oosten. In een kleine slede suizen we langs de afgrond, het adembenemende landschap schiet voorbij.

De eerste week ontmoet ik veel familieleden en verken ik de stad. Overal wachtposten en ‘Berlijnse muurtjes’ om gebouwen heen. Ook om het hotel van neef Erfan – voor de oorlog een chique ontmoetingplaats voor de jet set van Koerdistan. Erfan ken ik al vanaf mijn elfde, hij kwam regelmatig op bezoek en bezocht mijn vader nog op zijn sterfbed. Hij zette de deur naar mijn familie open. Ik vraag of ik naar het huis van mijn vader in Kirkuk kan. ‘Waarom dat risico?’, zegt Erfan, ‘ik ben er zelf ook al twintig jaar niet geweest, ik stuur wel iemand om een foto te maken.’ De vader van Erfan was de oudste broer van mijn vader. Hij nam de opvoeding van zijn broers en zussen over van mijn opa, want van mijn opa mochten de kinderen niet naar school omdat ze daar Arabisch leerden. Dat vond hij een belediging voor Koerden. Mijn vader was zijn broer dankbaar, maar vond ’m streng, soms wreed. Hij zei weleens: hij kon als Hitler zijn. Met Erfan heb ik het nooit over zijn vader, wel vaak over de mijne.

Erfan Amin Zangana, mijn neef, geboren in Kirkuk, in 1960:

‘Kijk deze foto, op Schiphol. Ik geloof dat ik twintig was en jij elf. Ik was gevlucht uit de Irak-Iran oorlog. In Zweden vond ik asiel, werkte hard en kocht een kiosk. Daarna nog één. Later werd ik leverancier voor ‘Midden Oosten Supermarkten’. Toen Koerdistan autonoom werd, verkocht ik alles en keerde terug. Hier in Arbil bouwde ik mijn hotel. Ik heb alles zelf bedacht en ontworpen naar westerse maatstaven, had veel hooggeplaatste en internationale gasten. Ik leidde mijn eigen personeel op en organiseerde culturele avonden. Complete tv-shows werden vanuit onze tuin uitgezonden. Ik hielp muzikanten aan oefenruimtes, kleding en met opnames. Het hotel bruiste. De laatste twee jaar heb ik het verhuurd aan een westers beveiligingsbedrijf – dat was een zeker inkomen in oorlogstijd. Het lijkt nu wel een bunker met die muur en al die soldaten. Volgende maand is het contract gelukkig afgelopen, dan kan ik weer opengaan. Ondertussen heb ik het platenlabel Chwar Chra opgericht: we bezitten de beste studio in Koerdistan, hebben 54 bands, produceren alles zelf, ook de clips. Maar ik ben nu even gestopt: door illegaal kopiëren verdienen we niets meer. De overheid moet eerst een wet aannemen die dat verbiedt. ‘Ik heb destijds veel familie naar Zweden kunnen halen. In Stockholm wonen we bij elkaar in de buurt. Mijn vrouw en kinderen wonen er nog, we zien elkaar in de vakanties. Maar ook hier heb ik nog broers en zussen. Het economische klimaat wordt beter, dat wel. Maar je kunt bijna geen goed personeel krijgen, de opleidingen zijn slecht. Er is ook veel corruptie. We moeten werken aan een nieuw ‘Koerdisch brein en bewustzijn’, alleen dán kunnen we groeien.’

Achter Erfans hotel woont zijn zus Sjangul. Mijn nicht leerde haar man Mohammed kennen aan de universiteit van Koy. Toen hij afgestudeerd was, maar zij nog niet, reisde hij iedere dag twee uur met de bus vanuit Halabja om met haar te wandelen. Ze trouwden, gingen in Halabja wonen en kregen vier kinderen. Sjangul werd hoofd van de basisschool. Eén dag voor Saddams gifgasaanval vluchtten ze het dorp uit. Op 16 maart 1988 stierven vijfduizend dorpsgenoten binnen 10 minuten. Mohammed verloor 31 familieleden onder wie zijn moeder en zus. Meestal ontmoet ik mijn familie bij Sjangul. Haar keuken is mijn Iraakse thuis geworden. Tijdens het koken – van Sjangul moet ik altijd eten – praten we veel. Omdat ze Engels spreekt kon ik via haar met mijn vaders oudste zus en oogappel tante Sakia praten. ‘Bij mij thuis dronk-ie altijd stiekem whisky met zijn vrienden’, vertelde ze. Inmiddels is tante Sakia gestorven. Sjangul mijmert: ‘Weet je nog, dat zij zich altijd zorgen maakte omdat je nog niet getrouwd bent? Ze wilde je zelfs één van haar dochters geven, maar ja, die waren al op.’

Sjangul Abdul Rachman Amin Zangana, mijn nicht, geboren in Kirkuk op 23 november 1953:

‘Jij bent geen vreemde, dus nu hoeft ’t niet. Ik draag ze alleen op openbare plaatsen, en als er vreemde mannen in huis zijn. Op de foto wil ik ook een hoofddoek op hoor. Mohammed vindt het niet belangrijk, maar ik wel. Kijk, veel vrouwen hangen het geloof aan zodat hun mannen dan niet gaan drinken, zo krijg je orde in je huishouden (ze knipoogt). Maar ja, hier lukt dat niet echt (ze opent de koelkast met biertjes). Na de gifgasaanvallen kwamen we naar Arbil en ik werd weer lerares. Op school werk ik voornamelijk met vrouwen – wij zijn hier de baas, haha. Vroeger verdiende ik 50 dollar per maand, nu 8 keer zo veel. Maar het hoger onderwijs is slecht. Bij mijn zoon Miran op school staan achtentwintig computers, maar er is geen internet en geen leraar die fatsoenlijk computerles kan geven. Maar ze bouwen nu wél overal kantoren vol met computers. ‘Als we naar Halabja gaan, bezoeken we het gifgasmonument. Er is veel geld gegeven om Halabja weer op te bouwen. Maar je waant je honderd jaar terug: ruïnes, slechte stroomvoorziening, kapotte straten. Geen nieuwe auto’s, alleen oude Range Rovers, zoals in de tv-serie Daktari. En het geld? Het enige wat Halabja heeft gekregen was dat monument. ‘Afgelopen 16 maart demonstreerden de inwoners tegen deze corruptie. De politie schoot een jongen van zestien dood en toen heeft de woedende massa het monument verwoest. Elf jongeren zaten maanden vast voor hun aandeel in de verwoesting van het monument, maar er is niemand gestraft voor het verduisteren van al die giften. ‘Ik zal je daar trouwens ook voorstellen aan je achternicht Mardin. Tijdens de gifgasaanval raakte ze als zesjarig meisje zoek. We dachten dat ze dood was, verdwenen in een massagraf. Maar na negen jaar hebben we haar stomtoevallig teruggevonden.’

Onderweg naar Halabja zie ik voor het eerst in de verte Kirkuk liggen. Daar moet mijn vaders huis zijn. Sjangul wijst me de olieraffinaderij waar hij werkte en zegt: ‘Jammer dat het nog steeds te gevaarlijk is, hè?’ Ik zwijg. Halabja is precies zoals Sjangul het beschreef: bergen omarmen het in de steek gelaten dorp, daarachter ligt Iran. Nog jaren na de aanval stierven mensen vanwege het opwaaiende giftige stof, dat in de bergkom bleef hangen. Mardin maakt meteen indruk op me met haar uitgesproken karakter. Als ze praat, beweegt ze voortdurend. Ze is opgewekt, grappig, eigenlijk gewoon cool.

Mardin, mijn achternicht, geboren in Halabja, in 1982:

‘Ik steek effe een sigaretje op, dat hoort hier niet voor vrouwen, maar ik doe het wél. Doktersadvies tegen de spanningen (ze knipoogt). In de paniek tijdens de gifgasaanval ben ik mijn familie kwijtgeraakt. Iraanse soldaten vlogen me met een helikopter over de bergen naar Iran. Een goede man nam mij uit het vluchtelingenkamp mee naar zijn familie. Daar groeide ik op als hun dochter. Alle beelden van de gifgasaanval en van mijn leven daarvoor had ik verdrongen: ik dacht echt dat ik een Iraans meisje was, met een Iraanse vader, moeder en broers. Maar mijn echte moeder had de gifgasaanval niet overleefd. ‘Toen mijn Iraanse vader op sterven lag, vertelde hij zijn zoons dat ze mij terug moesten brengen naar Irak. Ineens was ik mijn familie kwijt. Het afscheid was zwaar, ik voelde me zó in de steek gelaten. Ik raakte in de war, mijn oude leven kwam in flarden weer naar boven. In Sulemania woonde ik bij mensen in, ik deed schoonmaakwerk. Er kwamen mensen langs die gehoord hadden dat ik goed kon schoonmaken. Dat waren Mohammed en Miran, de man en zoon van Sjangul. Ik zei: Jij bent mijn oom! En jij bent mijn neef! Maar ze keken of ze water zagen branden. Ze konden het maar niet geloven, ze hadden geaccepteerd dat ik allang dood was. Ze riepen mijn tante uit Sulemania erbij, uiteindelijk bracht zij me terug naar Halabja, toen zag ik mijn vader. ‘Na negen jaar was ik terug, ik moest verwerken dat mijn Iraanse familie mijn familie niet was, dat mijn moeder dood was en mijn vader nog leefde. Er raasde een orkaan door mijn hoofd. Ik zat dagelijks in de kamer waar mijn tante en nichtje waren gestorven. De napalmvegen zitten nog op het plafond, we kregen het niet weg. We hebben er iets overheen geplakt, maar het blijft er altijd onder zitten, weet je. Ik ben er sterk van geworden, maar elk jaar in maart krijg ik uitslag over mijn hele lichaam. Ik hou van muziek en dansen. Mijn vader vindt het niets, volgens zijn geloof mag muziek niet. Hij is ouderwets en luistert alleen naar gebeden op de radio, hihi. Maar hij is wél de liefste vader van de wereld hoor. Ik ben zo blij dat ik hem terug heb. Hij is hertrouwd en nu heb ik vier stiefzusters. Mijn Iraanse familie heb ik helaas nooit meer gezien. Ik studeer nu voor loodgieter, net als mijn neef. D’r is een hoop te doen. Kijk maar naar al die ruïnes rondom ons huis. ‘Kom, ga mee naar de bazaar, Sjangul heeft me nieuwe schoenen beloofd omdat ik mijn schooljaar zo goed heb afgesloten.’

We slapen die nacht op het dak en de volgende dag gaan we naar Sulemania om Gelan te ontmoeten, een achternichtje dat mijn hart heeft gestolen. Ze is een mongooltje en de vorige keer hebben we samen muziek gemaakt. Ze zingt prachtig en speelt daarbij op een Koerdische trom – ze improviseert alles. Ze vind het fantastisch dat ik in Amsterdam mijn eigen band heb en lacht verlegen naar me. Ze speelt voor me, maar is er niet echt met haar gedachten bij. Ze denkt aan haar verdwenen oom Omar. Stil klemt ze zijn pasfoto in haar handen. Naast haar zit Kani, het beeldschone dochtertje van de ontvoerde zakenman Omar. Kani vertelt hun verhaal – in feilloos Duits.

Kani Omar Rashid, 11 jaar, geboren in Bagdad:

‘We zijn in 2002, nét voor de oorlog, uit Bagdad naar Duitsland gevlucht. Afgelopen december ben ik na vier jaar met mijn moeder en broer teruggekomen naar Irak, hier in Sulemania. Het asielzoekerscentrum in Duitsland was niet leuk, altijd vreemde mensen met problemen om je heen. Mijn vader had ooit zaken gedaan met Saddam, daarom mochten we niet in Duitsland blijven. Maar hij heeft in Irak meer dan twee jaar gevangengezeten, omdat hij weigerde informant voor Saddam te worden. Dat is toch niet eerlijk. We zijn nu zes maanden terug, maar ik voel me hier niet thuis. Papa huurde een mooi huis in Bagdad en kwam om de tien dagen één week thuis. Ik smeekte hem steeds om niet terug te gaan, maar hij moest, zei hij. Nu huil ik bijna elke dag, ik mis hem zo. Hij moèt terugkomen, ik wil hem in mijn armen nemen. En ik moet zo vaak denken aan hoe hij me vroeger in de lucht gooide en weer opving. ‘De ontvoerder belde mijn moeder op mijn vaders mobieltje. Hij zei gelijk in het Arabisch haar naam. “Je man is bij ons. Hij heeft maar één nier, de andere is te klein en doet niets.” Hoe hij dat allemaal wist, snap ik niet. Het klopte wel. Hij vroeg drie miljoen dollar. Dat hadden we natuurlijk niet. Later vroeg hij twee miljoen, tweehonderd stapeltjes van tienduizend. Maar dat hadden we ook niet. ‘Mijn moeder zei: Ik wil hem spreken. Maar hij was te veel geslagen en kon niet praten. Misschien later, zei de ontvoerder, éérst het geld. Mijn moeder zei: Dat is onmogelijk. En toen zei de ontvoerder: Als je het niet binnen twee dagen geeft, kunnen jullie hem vinden in een lijkenla in het Toppel Adli hospitaal in Bagdad. Mijn oom ging kijken, maar mijn vader was er gelukkig niet. Toen de ontvoerder weer belde, zei mijn moeder: Maak hem alsjeblieft niet dood, alstublieft, verlaag het bedrag, want het is gewoon te veel. De ontvoerder heeft de eerste week wel vijf keer gebeld, lager dan twee miljoen is hij nooit gegaan. In het laatste telefoontje schold hij mijn moeder voor alles en nog wat uit. Hij riep dat hij mijn vader af zou maken en dat wij dan de begrafenis konden betalen. ‘Op 14 februari is mijn vader ontvoerd, een week later was het laatste telefoontje. Ik ben zo bang. We hebben al drie maanden niets meer gehoord. En niemand helpt ons. Ik ben op 6 juni jarig: mijn allermooiste cadeau zou zijn dat ik mijn vader terug krijg. ‘Koerdistan is mooi maar saai. Ik wil graag in een eigen huis wonen, niet met vreemden, net zoals Duitse families. Met een grote tuin, daar houdt mijn vader ook van, weet je. In het huis in Bagdad heeft mijn vader een eigen slaapkamer voor mij gemaakt, maar ik weet niet of ik die ooit nog zal zien. Later wil ik veel reizen met een paspoort waar dat mee kan. Ik wil professor worden in Egyptische archeologie. Egypte is te gek, man! De school waar ik nu op zit is vies en oud en ik erger me kapot aan het gedrag van de jongens.’

Terug in Arbil kijk ik ’s ochtends uit het keukenraam naar de stad die toeterend ontwaakt. Benzineverkopers laden hun jerrycans uit en zetten hun parasolletjes op. Ik heb nog maar een week, en vraag me af hoe ik in godsnaam in Kirkuk moet komen. Misschien vermomd? Ik wacht op oom Karim, de oudste nog levende broer van mijn vader. Hij is dus familiehoofd en woont in Kirkuk. Eerst kon ik er niet heen vanwege Saddam en nu vanwege de bommen en de ontvoeringen, vindt ook oom Karim. Daarom komt hij naar mij toe. Ik heb me verheugd op ons weerzien. Hij is mijn oericoon. Hij was de eerste die me vertelde dat ik tot een stam behoor, de Zangana’s. Een kopje thee drinken met hem geeft me meer dan de eindeloze speurtochten in de krochten van mijn ziel me ooit gegeven hebben. Hij heeft vier zoons en vier dochters. In de zestiger jaren was hij één van de voetbalsterren van Irak. Als we een taxi nemen, zegt hij tegen de chauffeur: ‘Zie je hem, die daar achterin, met dat lange haar? Da’s ook een Koerd, ‘t is m’n neefje, een echte Zangana!’

Karim Afendy Amin Zangana, mijn oom, geboren in Kirkuk in 1930:

‘Ze noemden me Karim Afendy – Afendy betekent ‘goedgekleed’. Geen Koerdisch pakkie voor mij, voor je vader ook niet. Wij waren voor een nieuwe wereld: weg met de primitiviteit. Je vader nam dat heel serieus: hij vertrok als één van de eersten. Ik reisde de hele wereld over. We voetbalden in het Midden-Oosten, maar ook in Rusland, Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije, Hongarije en China. Phoeee..., jongen, noem maar op. Toen was het nog een éér om in het Iraakse elftal te spelen, ze droegen je op handen. Later, ver na mijn tijd, werd het gevaarlijk. Uday, de zoon van Saddam, kon je vastzetten of marte-len als je slecht speelde. Nee, ik heb nooit tegen Cruijff gespeeld, maar ik heb nog wel een foto waar ik met Chroesjtsjov op sta. ‘Ik kwam hier vorige week in het Arbil International Hotel Amu Baba tegen, een oud teamgenoot, de beroemdste voetballer die Irak ooit heeft gekend. Hij kwam net terug uit Parijs waar hij door Massoud Barzani heen was gestuurd voor een voetoperatie. Hij is hier nu aan het bijkomen. We kwamen vaak uit voor Irak en hebben samen mooie avonturen beleefd. Amu Baba is verder gegaan als coach. De arme man is onlangs overvallen in zijn huis in Bagdad: iemand sloeg hem met een knuppel buiten westen en jatte al zijn spaargeld: vijftigduizend dollar. Toch probeert hij zijn voetbalschooltje voor getalenteerde voetballertjes te redden. Het is moeilijk, ze hebben geen cent. Hij wil die blagen, zo’n driehonderd, niet in de steek laten. Amu Baba heeft het voetbal in Irak echt in leven gehouden, ondanks dat hij onder Saddam en Uday moest werken. Iedereen houdt van hem. Dat Barzani hem die operatie heeft aangeboden, spreekt boekdelen. Hij was de enige die kritiek durfde en kon geven op het regime, met name op Uday. Hij had macht door zijn populariteit. Maar als Uday hem opriep, moest hij wél gelijk komen. Uday was nog erger dan zijn vader, hij roofde meisjes van de straat om ze te verkrachten. Daarom zag je op ’t laatst nooit meer mooie meisjes buiten lopen in Bagdad. ‘Zelf ben ik tegenwoordig bestuurslid van oud-voetbalveteranen in Kirkuk. Het is een erebaantje, zo ontmoet ik veel oud-spelers, dat is leuk. Ik heb geleerd me niet te druk te maken. Maar ik geef toe: zelfs ík ben af en toe bang om ergens heen te gaan. Vroeger reisde ik de hele wereld over. Maar als ik nu met een vriend aan de andere kant van Kirkuk thee wil drinken? Dat kan eigenlijk niet meer. Ik bel m’n vrienden nog wel, maar ik zie ze minder. Vroeger liepen we door elkaars wijken, speelden gezamenlijk in teams, dreven samen handel. Er waren wel akkefietjes, maar niet zoals nu. Maar wat moet je, je leeft gewoon door, wat kan je anders? Eerst was het nog veel erger, een buurman werd door Saddams geheime dienst uit een restaurant gesleept en voor de ogen van zijn familie en vrienden werd op de stoep z’n tong uit zijn mond gesneden. Je vader praatte destijds in een dronken bui óók zijn mond voorbij en ging zes maanden de bak in, maar goed, dat was nog vóór Saddam. Je kon niets zeggen, vandaar dat we hier gespecialiseerd zijn geraakt in het ouwehoeren.’ De laatste dagen breken aan en nog steeds heb ik het huis van mijn vader niet bezocht. In september zal het worden gesloopt. Het is nu of nooit. Ik bel mijn aangetrouwde oom Sami. Vlak na de val van Saddam werd hij hoofd beveiliging van de Iraakse vice-president. Hij besluit me te helpen – tegen de wil van de familie in. Maar wel op de laatste dag en zónder fotograaf. We bespreken de risico’s onder vier ogen. Sami woont in Arbil met vrouw en dochtertje. Hij is nu directeur van het nieuwe fed ex kantoor op de luchthaven. De volgende ochtend vertrekken we met drie gewapende mannen naar Kirkuk – Sami zelf heeft twee pistolen onder z’n oksels. Het grootste gevaar is dat onze auto in een fuik loopt. Mijn andere neef voegt zich daarom in Kirkuk bij ons met een extra vluchtauto. Onderweg, terwijl verwoeste dorpen en olieraffinaderijen voorbijschieten, vertelt Sami op luchtige toon over een bijna onmogelijke strijd.

Sami, mijn aangetrouwde oom, geboren in Kirkuk, 9 maart 1959:

‘Ik werd geboren tegenover het huis van je vader. Van 1981 tot 1985 vocht ik rond Kirkuk als pesh merga (verzetsstrijder – red.).We leefden in de bergen, één met de natuur, berekenden afstanden niet in kilometers, maar in dagen. Het was de mooiste tijd van mijn leven. Daarna vluchtte ik naar Zweden. Maar toen ik in 1991 op tv zag hoe de Koerden door Saddam werden verdreven, ging ik terug om te vechten. Ik kon het niet meer aanzien. ‘Vier jaar geleden hield ik me voor de unhcr bezig met de verwoeste elektriciteitsinfrastructuur in Noord-Irak. Ik ben kwaad: de stroomvoorziening kan veel beter. En geld verdwijnt hier als sneeuw voor de zon. Toen al: Oil for Food? Door onderbezetting bij de vn bleef tijdens de tien jaar embargo zo’n veertig miljoen dollar per jaar liggen, da’s nu vierhonderd miljoen dollar! Waar zijn die? Nog eentje: Irak produceerde vroeger ruim twee miljoen vaten olie per dag, nu één miljoen, krap geschat. Eén vat is ongeveer vijfenzeventig dollar, laten we vijftig zeggen, dat is makkelijk. Dat is dan vijftig miljoen dollar per dag, maal drie jaar bezetting, dat is 54.750.000.000 miljard aan olieinkomsten. Waar is dat geld? De Amerikanen heb ik met open armen ontvangen. Goed, ze hebben ons Koerden schandalig laten vallen in 1991, maar nú waren ze de enige kans om van Saddam af te komen: als je moet kiezen tussen een zekere onderdrukking of een onzekere vrijheid, dan kies je voor het laatste. ‘De Amerikanen zijn onze bevrijders. Zelfs als je concludeert dat het alleen om olie gaat, dan nóg zijn we beter af: eerst stal Saddam meer dan negentig procent van ons nationaal inkomen, nu verdwijnt er zo’n vijftig procent. Er zijn veel zorgwekkende ontwikkelingen: naar schatting worden de onrust, de aanslagen en ontvoeringen voor zo’n vijfentwintig procent veroorzaakt door de shi’ieten, nog eens vijfentwintig procent door oud-Saddam-aanhangers – de vroegere elite die nu niets meer heeft – en dertig procent puur door bandieten. Maar ook de Amerikanen veroorzaken shit. Ze hebben blijkbaar baat bij ‘verdeel en heers’. Het eerste wat ik als pesh merga leerde was dat je de wapens van je overmeesterde vijand moet afnemen of vernietigen, zodat niemand ze meer tegen jou kan gebruiken. Als je een stad bezet, zorg je dat ziekenhuizen, winkelcentra, gemeenteinstellingen, bibliotheken en musea bewaakt worden. Je zet wijken af en pakt onrusthaarden aan. De Amerikanen lieten in het begin van de oorlog alles achter op de straten van Bagdad: wapens, mortiergeschut, alles. Ze lieten musea met de oudste historische schatten van de wereld onbewaakt achter. Alles werd leeggeroofd, bibliotheken, de palei-zen van Saddam – ook vol historische kunstschatten. Het hele culturele erfgoed dat de Irakezen historisch verbindt, werd geplunderd. Tóen zijn de zaden voor deze burgeroorlog geplant: wie stal wat, wie heeft wat en waar is het nu? Die burgeroorlog waar iedereen zo bang voor is, die is er allang! ‘In Koerdistan is het veilig. De rest van het land is hopeloos. Kijk jou nou, je wilt gewoon naar het geboortehuis van je vader, maar je moet vier gewapende mannen meenemen. Wat moet ik nou denken? Was ’t dommigheid van die Amerikanen, dat ze alles op straat lieten liggen? Dat ze ‘zomaar’ met hun superleger de belangrijkste militaire standaardprocedures domweg effetjes níet nakwamen? Kijk, in die chaos kunnen olieinkomsten ‘zomaar’ verdwijnen. Tja, oorlog kost geld. Maar waarom kon dat niet op een normale manier? Bijna iedere Irakees had daar in het begin voor getekend: jullie bevrijden óns, wíj betalen de kosten en dragen ook nog een groot deel van onze olie- en handelsdeals aan jullie af. Lijkt me een logische deal in oorlogstijd, een vruchtbare bodem voor samenwerking tussen de VS en Irak, tussen oost en west. En nu? Ik zit er met mijn neus boven op, maar er is zoveel rook, dat ik niets meer zie. Toch kijk ik met veel enthousiasme naar de toekomst. Als we deze kans pakken wordt het de mooiste plek in het Midden Oosten.’

We naderen Kirkuk, je ruikt de olie, alles is oud en stoffig. De buurt van mijn vader is rommelig en gezellig. Opeens zegt Sami: ‘Daar is het’. Ik zie een soort garage, dat was vast de winkel. Daarnaast een lange grijze muur met twee deuren. Het huis ligt daarachter. De huurders ontvangen ons gastvrij. Als ik de drempel overstap, de binnenplaats op, kan ik even aan niets denken. De drie kamers hebben afgebladderde muren – plastic tuinmeubels op tapijtjes. Ik snap niet hoe mijn hele familie in dit kleine huis heeft kunnen wonen. Mijn neef wijst me pa’s kamer. In een roes loop ik naar binnen: het is klein en is nu een keuken. ‘Daar zat je vaders vader altijd’, hoor ik. Dus daar ga ik ook maar even zitten, op de grond. Ik plaats mijn kont waar mijn opa ’m plaatste. Het duurt even voordat ik er ben. En dan denk ik: ‘mission accomplished’. M

Kadir van Lohuizen is fotograaf.

Arjan Amin van Veelen is dichter en muzikant in Amsterdam.

Bas Heijne spreekt met Richard Sennett over de schaduwzijden van de nieuwe economie

Wil Iran een kernbom? ElBaradei van de IAEA vecht tegen een herhaling van het Irak-scenario

Een nederlandse Koerd op zoek naar zijn familie in Noord-Irak

‘Mijn vrouw en kinderen wonen nog in Zweden, we zien elkaar in de vakanties.’; ‘Op school werk ik voornamelijk met vrouwen - wij zijn hier de baas’; ‘We dachten dat Mardin dood was, maar na 9 jaar hebben we haar stomtoevallig teruggevonden.’; ‘Ik dacht echt dat ik een Iraans meisje was, met een Iraanse vader, moeder en broers.’; ‘Op 14 februari is mijn vader in Bagdad ontvoerd, een week later was het laatste telefoontje. Ik ben zo bang.’; ‘Later werd voetballen gevaarlijk. Uday, de zoon van Saddam, kon je vastzetten of martelen als je slecht speelde.’; ‘Kijk jou nou, je wilt gewoon naar het geboortehuis van je vader, maar je moet vier gewapende mannen meenemen.’; ‘Mijn neef wijst me pa’s kamer. In een roes loop ik naar binnen: het is klein en is nu een keuken.’