Gek

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag ligt op kamer zes een echte gek.

Zelfs de meest nuchtere zusters stampen vandaag minder stoïcijns op hun bata’s over de gang. Het gerucht gaat fluisterend rond. Gelukkig net hard genoeg om door de verzwikte enkels van kamer één tot vier, en het achtjarige twijgbreukje op kamer vijf te worden gehoord: Er is een gek. Een echte gek op ónze SEH. En niet zomaar een gek: een verslááfde gek, op kamer zes.

Op de gang, net voor kamer zes, zitten twee politieagenten op groene klapstoeltjes. Nerveus speelt de jongen met zijn handboeien. De rijpe politievrouw naast hem lurkt ongeïnteresseerd aan haar koffiebeker. Haar ogen priemen nét iets te gulzig door het privacy-gordijntje heen. Ik trek de spoedarts aan zijn jas en probeer volwassen te klinken: „Zal ik even kamer zes doen?”

Schouders naar achter, vastberaden stappen op de klompen die ik gisteren op de Kuyp kocht (alleen de bloedspetters missen: maar wáár haal je bloedspetters vandaan die eruit zien alsof ze er al jaren op zitten?). Een hooghartig knikje naar de stoeltjes en ik schuif het gordijn opzij.

Gelukkig: Gek doet zijn naam eer aan. Gescheurd Metallica T-shirt, bebloede spijkerbroek. Zijn lichaam trilt. Zijn ogen schieten de kamer rond, proberen me aan te kijken en gaan weer door: van wastafel naar hechtset, naar zijn druipende linkerarm.

Ik pak een stapel gazen en druk het op de snee. „Houd dit even vast. En vertel me wat er gebeurd is.” Zijn ademhaling vertraagt. Hij probeert zich te concentreren. „Ik was een beetje in de war, weet je. Zeg je onzin. Is ook onzin, weet ik wel. Ik ben best een goede jongen. Maar soms…” Zijn ogen tollend gericht op de roodkleurende gazen. „Word ik wakker, weet ik niet waar ik ben, waar ik heen moet met mijn energie. ADHD heet dat nu, maar voor mij is het vooral: effe rammen. Tegen een muur ofzo. Het doet niemand kwaad, alleen…”

Ik pak de verdoving, fixeer zijn arm. „Schrik niet, hier komt de prik.” Maar Gek hoort het niet eens: „Soms, vandaag dus, zit er opeens een raam, niet gezien, dus ik knal erdoor, pleur op straat verdomme, woon gelukkig op één, dus alleen die hand kapot, verder alles goed. Maar die…” Hij knikt naar het gordijn. „Kankersmerissen! Pakken je meteen, willen niet begrijpen...”

„Dokter! Wilt u politiebewaking bínnen?” Shit. De stoeltjes zijn alert. Als ze maar niet denken dat ze mijn moment met Gek kunnen verzieken. „Nee hoor. Alles onder controle.” roep ik.

„Kun je echt je arm niet stilhouden?” vraag ik. „Zo kan ik er niets moois van maken.” „Ik probeer, maar…” „Coke gebruikt?” Hij knikt. „Oké, ik geef je een tabletje valium,” Ik graai in mijn jaszak, en zijn ogen lichten op. „Hoeveel milligram?”

„Vijf”, zeg ik verbaasd. “Hoezo? Gebruik je dat vaker?”

„Ja, ja”, hinnikt hij. „Houdt me rustig volgens mijn huisarts.” Ik schud mijn hoofd. „Maar die coke dan?” „Houdt me helder.” „En daarbij válium?”

Zijn linkermondhoek trilt omhoog. Het lijkt net een glimlach. „Veertig milligram. Vier maal daags tien.”

Met een zucht pak ik mijn vijf milligram van tafel. „Verroer je niet. Ik ga even overleggen.” Met neergeslagen ogen slof ik langs de stoeltjes. En zie: gekkenbloed op mijn klompen!