‘Een paard is een gezinslid’

Harrit van der Meer (35) is een in paarden gespecialiseerde dierenarts. In de lente en de zomer heeft hij het druk met gynaecologische ingrepen, zoals bij Verona Utopia die drachtig is van een tweeling. „Een paardenbevalling is het mooiste dat er is”, zegt Van der Meer in de vierde aflevering van een serie over de verhouding tussen mens en dier.

’Dit is toch schitterend”, zegt dierenarts Harrit van der Meer gebarend naar een groep merries en veulens, grazend in het gouden ochtendlicht. In de auto op weg naar zijn eerste visite die dag kijkt hij genietend naar het wollige landschap rondom Nijkerk waar groene weiden en bosschages elkaar afwisselen. Paardenliefhebbers kunnen hun hart ophalen in dit gebied. Jaarlijks organiseert Nijkerk het grootste indoor aangespannen-paardenevenement van Nederland. Er zijn in deze streek veel paardenhouders ‘van rijk tot arm’, aldus Van der Meer, ‘echte stadsmensen’ maar ook veehouders met tuigpaarden. Het aantal cliënten dat hij met zijn twee collega’s bezoekt loopt in de honderden.

De dierenartsenpraktijk in Nijkerk waar Harrit van der Meer (1971) sinds anderhalf jaar werkt, is een gemengde praktijk voor zowel paarden, landbouwhuisdieren als gezelschapsdieren. In de nevenvestiging in Hoevelaken heeft Van der Meer daarnaast een vast spreekuur voor gezelschapsdieren. Het is een doordeweekse ochtend, in de Nijkerkse praktijk is het nog rustig maar de dierenarts is met collega Marjan Thesingh al vroeg op pad naar een merrie die drachtig is van een tweeling.

„Vanmorgen is me gevraagd of ik deze visite van een ander kon overnemen. Dat is het leuke van dit werk: iedere dag is totaal anders. Je hebt een aantal afspraken staan, maar welke er nog bijkomen weet je nooit. Ik moet straks bij de merrie een van de twee vruchtjes – het zijn nu nog blaasjes van zo’n twintig dagen oud – rectaal gaan wegdrukken. Een tweelingdracht bij een merrie is ongewenst, door vroeg embryonale sterfte of abortus later in de dracht is het meestal gedoemd te mislukken. In de natuur heeft een merrie met een dubbele eisprong dan ook geen nakomelingen. Bij een door de mens gehouden merrie reduceert een dierenarts de tweelingdracht tot één. Als je fokt met een merrie die uit zo’n dracht is geboren heb je weer kans op een tweeling aangezien een dubbele eisprong erfelijk is.

„Paardendierenartsen hebben het tussen maart en augustus heel erg druk met gynaecologische ingrepen. Een paard is in tegenstelling tot het rund een seizoensvoortplanter. In de winter wordt een paard niet hengstig, dat begint in het voorjaar en duurt een paar maanden. Merries begeleiden met drachtig worden is een aparte tak van ons vak. Veel paardeneigenaren laten hun merrie niet zomaar dekken door de hengst van de buurman. Ze fokken met sperma van een aantal tophengsten die geselecteerd zijn op bouw, gezondheid, uiterlijk of sportprestaties. Ze doen het om het geld, maar er zijn ook eigenaren die het karakter van hun paard super vinden en om die reden een nakomeling willen. Wij bepalen met een echo het tijdstip van inseminatie. Twee dagen na de inseminatie kijken we of de eisprong heeft plaatsgevonden en na achttien dagen stellen we vast of ze drachtig of hengstig is. In het laatste geval moeten we opnieuw beginnen.”

Het drachtig worden mag dan een klinische gebeurtenis zijn, de geboorte van een veulen is dat allerminst. Vol vuur omschrijft Van der Meer een paardenbevalling als ‘het mooiste dat er is’. „Zo’n geboorte is zo indrukwekkend en het gaat met zo’n geweld, dat houd je niet voor mogelijk. Het moet heel snel verlopen. Een merrie krijgt acuut weeën en dan moet er ook binnen een kwartier tot een half uur iets gebeurd zijn anders kunnen merrie en veulen verloren gaan. Een paard perst zo vreselijk hard dat het alles kapot drukt als het te lang duurt, daarom is het zaak dat er direct een dierenarts bij is als het veulen verkeerd in de geboorteweg ligt.’’

Tijdens zijn visites heeft Harrit van der Meer altijd ‘alles’ bij zich. De kratten achterin de auto zijn volgeladen met medicamenten en doktersbenodigdheden. Zijn patiënten behandelt hij ter plekke of in de paardenkliniek in Hoevelaken, maar bij complicaties moet het paard naar de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. Hijzelf studeerde er in de jaren negentig en specialiseerde zich in paarden. Zijn interesse was gewekt door het enthousiasme van enkele studiegenoten, buitenlandse stages en doordat hij, merkte hij, goed met paarden om kon gaan.

„Paarden trekken mij aan omdat het individuele dieren betreft. Bij varkens en koeien heb je te maken met grote groepen. Een koe die niet meer rendabel is voor een bedrijf, moet weg. Een paard is zowel een gebruiks- als een gezelschapsdier. Voor de een moet het presteren, voor de ander is het een huisdier dat je kunt knuffelen. Ziektekundig is het paard erg interessant doordat bepaalde problemen, zoals kreupelheid en koliek, nogal vaak voorkomen. Voor een dierenarts is het iedere keer weer een puzzel uit te vinden waar het probleem vandaan komt.”

Na zijn studie vertrok hij voor een seizoen naar Australië waar hij op een grote paardenstoeterij ervaring opdeed met onder meer fertiliteitsbegeleiding van merries. Een paar jaar later kwam hij terecht op de ambulante kliniek van de Utrechtse faculteit. Hij assisteerde bij operaties en leidde er studenten op met wie hij eigenaren van zieke en gewonde paarden bezocht.

Wat hem altijd is bijgebleven was de keer dat hij met zijn studenten een oud paard met artrose aantrof in een stal waar de waterleiding was gesprongen. „Het dier stond met zijn benen in het ijskoude water en is op een gegeven moment ter aarde gestort. Uiteindelijk is hij met hulp van de brandweer door tien, vijftien mensen naar buiten gebracht. Hij was echter zodanig in shock dat ik hem moest laten inslapen. Wij doen veel euthanasieën, maar het blijft altijd een moeilijke beslissing, omdat de emotionele waarde van een paard heel groot is. Het is een deel van het gezin. De eigenaar is er misschien wel twintig jaar of langer dag en nacht mee bezig geweest, maar als de situatie niet meer dierwaardig is, geef je als dierenarts het dringende advies er een eind aan te maken.

‘Je komt vaak bij dezelfde cliënten. Het gaat erom dat je een band krijgt met paard en eigenaar. Over het algemeen is een paard huiverig voor een dierenarts, je merkt dat het onrustig wordt. Het herinnert zich dat je het een vorige keer pijn hebt gedaan. Door hem te aaien en tegen hem te praten kun je het geruststellen en zijn vertrouwen winnen. Ook een eigenaar moet jou gaan vertrouwen en waarderen wat je doet. Goed kunnen communiceren is essentieel. Je bent steeds bezig problemen op te lossen van andere mensen, daar moet je mee om kunnen gaan.’’

Van der Meer is naar zijn zeggen ‘wat gespannen’ nu hij naar de drachtige merrie gaat. Het is, legt hij uit, geen grote maar voor het dier wel een enigszins riskante ingreep. „Het is een heel goed gefokt, duur paard. Vanwege haar goede sportprestaties wil de eigenaar ermee fokken. Ze heeft al een veulen van dit voorjaar. Als ik straks rectaal een tweeling probeer te reduceren en zij maakt een onverhoedse beweging, dan kan ik doorschieten en onverhoopt een darmperforatie veroorzaken. Dat is dodelijk. Een manier om het paard te kalmeren is met een praam: het is een touwtje dat je om de neus draait waardoor er geruststellende stoffen vrijkomen.’’

Als hij even later het erf oprijdt, staat de eigenaar al te wachten met Verona Utopia, een grote bruine vierjarige merrie. Het veulen, met de voorlopige naam Balans, huppelt met zijn moeder mee als ze de stal wordt binnengeleid. Terwijl de man haar bij het hoofdstel vasthoudt, gaan Harrit van der Meer en Marjan Thesingh achter de verontrust omkijkende merrie staan die van hen is gescheiden door een laag stenen muurtje.

Van der Meer, wiens arm tot aan de oksel in wegwerpplastic is gestoken, steekt bij de merrie een scanner naar binnen. Op het schermpje zijn de darmen, de urineblaas en de eierstokken te zien. Dan verschijnen ook de twee vruchtjes als zwarte vlekken in beeld. „Deze is het mooiste van vorm”, zegt hij tegen Thesingh die geconcentreerd meekijkt. „Hij is al aardig fors.”

Ongedurig schraapt Verona met haar hoef. „Hij is braaf”, zegt de eigenaar sussend. Van der Meer neemt het zekere voor het onzekere en besluit haar een darmverslapper te geven; een praam om de neus brengt haar tenslotte tot rust. „Ik kan hem moeilijk te pakken krijgen”, zegt hij als hij opnieuw probeert de vruchtjes in beeld te brengen. „Soms is het binnen een minuut klaar, maar deze is niet gemakkelijk weg te drukken.”

Dan waagt Marjan Thesingh een poging. Ook zij verdwijnt tot haar elleboog in de merrie. „Dat is ’m”, mompelt ze na enig zoeken met de scanner. Harrit van der Meer, opgetogen: „Je hebt ’m tussen je vingers! Ik denk dat we Marjan een taart moeten geven, maar de vlag gaat pas echt uit als bij de controle alles goed blijkt. Het kan ook zijn dat ze er dan allebei niet meer zitten. We hebben er toch aan zitten rommelen.” Thesingh knikt: „Die ander zag er nu verfrommeld uit, maar beter geen dan twee.’’

Enkele dagen later laat Van der Meer weten dat de ingreep ditmaal inderdaad is mislukt. Ook het andere vruchtje is afgedreven. Verona Utopia maakt het goed. Over een paar dagen zal ze weer geïnsemineerd worden om het opnieuw te proberen.