Een frisse blik voorbij de Tweede Wereldoorlog

De nieuwe NIOD-directeur is niet heel erg vertrouwd met de Nederlandse geschiedenis. Maar loskomen van de Tweede Wereldoorlog kan ze toch niet. „Die oorlog trekt heel erg, we komen er niet van af.”

Altijd weer die oorlog. Die verzuchting was bijna hoorbaar in de interviews met Marjan Schwegman, toen vorige week bekend werd dat ze de nieuwe directeur wordt van het NIOD. Per 1 maart 2007 volgt ze Hans Blom op als baas van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie.

Ruim dertig lang was dat het huis van Loe de Jong, en hét centrum voor studie naar de Tweede Wereldoorlog. Maar de nieuwe directeur heeft een ruimere blik, liet ze weten in dagblad Trouw. „Ik ben minder geneigd de periode 1940-1945 te zien als het enige markeringspunt. Waarom zouden de koloniale oorlogen, die we altijd als politionele acties omschrijven, geen ijkpunt zijn?”

Schwegman, nu nog directeur van het Nederlands Instituut in Rome, is gespecialiseerd in moderne Italiaanse geschiedenis. Ze is zeer vertrouwd met vrouwenstudies en biografisch onderzoek, veel minder met Nederlandse geschiedenis. Ze wil aandacht voor internationaal vergelijkend onderzoek, en voor onderzoek naar de collectieve verwerking van oorlogservaringen. De geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog in Nederland is wel zo’n beetje klaar, vindt Schwegman.

Vinden de 25 onderzoekers – acht volledige banen – van het NIOD dat ook? Conny Kristel is enthousiast over de benoeming van een „relatieve buitenstaander met een frisse blik”. Zij en haar collega’s hebben behoefte aan een brede benadering, aan het doorbreken van nationale kaders. Binnen het NIOD is de periode ’40-’45 al lang niet meer het begin en einde. Zelf doet Kristel nu onderzoek naar de Nederlandse perceptie van geweld ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. „De Tweede Wereldoorlog blijft onze reden van bestaan, maar de cirkel eromheen wordt steeds groter.”

Ook Jolande Withuis is „heel tevreden” over de nieuwe directeur, maar, zegt ze eerlijk, dat komt ook omdat ze een persoonlijke vriendin van Schwegman is. Withuis schreef over traumaverwerking als maatschappelijk fenomeen, en bereidt nu een groot internationaal onderzoek over dat onderwerp voor. De sociologische en psychologische benadering is een koerswijziging die al onder Blom is ingezet, aldus Withuis, en die aansluit bij internationale ontwikkelingen in de geschiedwetenschap.

Verbreding van het oorspronkelijke werkterrein is al jaren een heikel thema voor het NIOD. Onder de leiding van Loe de Jong, van de oprichting op 8 mei 1945 tot 1979, was het helder: de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Daarna bleef er over de oorlog genoeg te archiveren en documenteren, maar de andere pijler van het instituut, het onderzoek, ging zich verbreden in tijd en plaats. De oorlog in Azië kwam erbij, en andere oorlogen. Het Srebrenica-onderzoek, dat vijfenhalf jaar duurde, vergde het uiterste van het instituut. Nu lopen grote projecten over de recente geschiedenis van Indonesië en de relatie Nederland-Japan.

De grenzen zijn zoek, constateerde een evaluatiecommissie in 2003. Emeritus hoogleraar Henk Wesseling deed een poging de verbreding te stoppen. Het NIOD moet zich beperken tot onderwerpen die gerelateerd zijn aan de Tweede Wereldoorlog, luidde zijn aanbeveling. Anders verliest het instituut een herkenbaar profiel en het kan leiden tot „een scheiding der geesten binnen het NIOD”. De 21 documentatiemedewerkers richten zich nog wel op ’40-’45.

De conclusies van Wesseling vielen slecht bij het NIOD en de opdrachtgever van de evaluatie, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), waar het NIOD sinds 1999 deel van uitmaakt. Ze stonden ook haaks op de conclusies van een eerdere commissie. In 1997 had de commissie-Kossmann, waar Schwegman zitting in had, juist geadviseerd om de koers te verruimen. De Tweede Wereldoorlog moet worden beschouwd als een fase in langer lopende ontwikkelingen, aldus Kossmann. De hele 20ste eeuw komt in aanmerking voor onderzoek, naar kwesties als beeldvorming, verwerking, identiteit.

Met de benoeming van Schwegman kiest de KNAW definitief voor een ruime taakopvatting van het NIOD. Terecht, vindt Henk te Velde, hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. „Ik denk dat het goed is dat het NIOD niet alleen platgetreden paden bewandelt, maar dat het ook iets nieuws doet. Ik noem dat tweede-ordegeschiedenis: niet de oorlog zelf, maar de effecten ervan.” Te Velde hoopt wel dat ad hoc onderzoek naar maatschappelijke kwesties, zoals het wel of niet fout zijn van natuurkundige Debye, beperkt blijft. „Te veel aandacht voor dat soort kwesties kan ten koste gaan van meer uitdagende, wetenschappelijke zaken.”

Juist die maatschappelijke opdrachtgevers houden het instituut bij de oorspronkelijke taak, zeggen NIOD-onderzoekers. Kristel: „De belangengroepen willen onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog trekt heel erg, we komen er niet van af.” Withuis: „We moeten er ook niet van af, dat zijn we aan het publiek verplicht.” De spanning tussen op concrete oorlogsgeschiedenis gericht publiek en internationaal en sociologisch denkende wetenschappers verdwijnt echter vanzelf. Onder Schwegman, zelf geboren in 1951, sterft de oorlogsgeneratie uit.

Het enthousiasme van Kristel en Withuis laat zich deels verklaren door het feit dat Schwegman een vrouw is. Natuurlijk, dat ze goed is staat voorop. Maar een vrouw die zich feministe noemt en oog heeft voor genderkwesties, dat is een mooie bonus. Withuis: „Ik vind het enig dat er in de masculiene wereld van de krijgsgeschiedenis een vrouw aan de top staat.”

Met medewerking van Derk Walters