Een ambulance en gauw een beetje

De burger gebruikt steeds vaker geweld tegen politie en hulpverleners. ‘Informalisering’ van de samenleving en het verlangen iedere behoefte onmiddellijk te bevredigen, zijn er debet aan. „De grens schuift steeds verder op.”

Een warme middag in de Amsterdamse Kinkerstraat. Fietsers snellen langs de winkelgalerij, het publiek doet inkopen of slentert wat.

Er verschijnt een scooter, bestuurd door een jongen zonder helm. Hij wordt op de hielen gezeten door een politieagent, ook op een scooter. De jongen schiet een smal fietspad op, tegen de rijrichting in. De achtervolgende agent komt hard in botsing met een fietser. Een voorbijganger grijpt de vluchtende jongen vast. Even later wordt hij, kermend, geboeid door de agent.

Dan gebeurt het. Er ontstaat een opstootje. „Zie je niet dat hij pijn heeft?” schreeuwen een paar meisjes. „Klootzak!” roept een jongen. „Lafaard!” een ander. Een man met blonde dreadlocks raakt buiten zichzelf en rolt met zijn ogen.

De agent is volledig omsingeld. Dan worden sirenes hoorbaar, en binnen een minuut staat de Kinkerstraat vol met draaiende zwaailichten.

Voor de simpele aanhouding van een boefje was massale assistentie nodig. Toch wil Remco Gerretsen, woordvoerder van het korps Amsterdam-Amstelland en twintig jaar bij de politie, niet horen van ‘steeds erger’-verhalen. Verzet tegen de politie? Niets nieuws. De Staatsliedenbuurt, de Kinkerbuurt, de Jordaan: ze stonden vroeger bekend om hun vechtersbazen.

Maar de straat is volgens Gerretsen wel onvoorspelbaarder voor de politie geworden. Want de burger is geëmancipeerd en als hij het niet eens is met politieoptreden, laat hij het merken. ’s Avonds, met een slok op, maar ook overdag. Het incident in de Kinkerstraat was een kopie van een gebeurtenis eerder dit jaar, op dezelfde plaats. Ook toen moest assistentie worden ingeroepen bij een simpele aanhouding, omdat de sympathie van de omstanders uitging naar de arrestanten, twee jongens op een scooter. De toegeschoten agenten konden niet voorkomen dat hun collega klappen kreeg.

Wat zegt het volgens Gerretsen als de politie steeds vaker wordt gezien als de vijand, en elke willekeurige verdachte als slachtoffer? „Dat het voor nogal wat burgers niet meer vanzelf spreekt dat de politie op zo’n moment rechtmatig aan het werk is. Ik heb daar geen verklaring voor.’’

Er viel nog iets op in de Kinkerstraat. De omstanders waren allen allochtoon, voor het merendeel Noord-Afrikaans. De politieman was de enige blanke. Dat gaf een onheilspellend etnisch tintje aan de confrontatie. Toeval, volgens Gerretsen. „In de Bijlmer zijn het Surinamers, en in het uitgaanscentrum dronken blanke jongeren en toeristen die zich met ons werk bemoeien.”

Jaap Timmer is socioloog. Hij promoveerde in 2005 met de dissertatie Politiegeweld. Geweldgebruik van en tegen de politie. „Het verzet tegen de politie is gedemocratiseerd”, zegt Timmer. Hij noemt het een vorm van oude buurtsolidariteit. „De politie is de indringer tegenover wie de gelederen zich sluiten.”

Timmer deed onderzoek naar geweld bij politieoptreden tussen 1978 en 2000. Zijn conclusie was dat het aantal slachtoffers door politiegeweld fors daalde, terwijl het aantal slachtoffers aan politiezijde sterk steeg. In de jaren daarna zette deze tendens volgens hem door. In 2005 was het jaarlijkse aantal gewonde agenten volgens hem ruwweg verviervoudigd vergeleken met 1970.

„Exacte cijfers zijn er niet, doordat de politie geen cijfers bijhoudt. ‘Je roept maar wat’, zeggen sommige mensen. Dat is waar, ik hoor het graag als iemand betrouwbaarder cijfers heeft. Maar ik ben wél de eerste die wat roept.’’

De Nederlandse Politiebond, die al sinds 1994 hamert op meer veiligheid, vindt dat geweld tegen politie geregistreerd dient te worden. Registratie hoort bij veiligheid, zegt voorzitter Hans van Duijn. ,,Als je het geweld niet registreert, geef je te kennen dat het je niet interesseert, dat je het eigenlijk niet erg vindt dat je personeel slachtoffer wordt van geweld. Dat was heel lang de stemming, ook bij het OM. Klappen opvangen hoorde bij het vak, daar moest je als agent niet over zeuren. Gelukkig heeft de vorige Amsterdamse korpschef Kuiper het onderwerp een jaar of drie geleden aan de orde gesteld.’’

Inmiddels heeft minister Remkes van Binnenlandse Zaken de Nederlandse politiekorpsen opgedragen om aard en omvang van geweld tegen politiefunctionarissen bij te houden. Een goed idee, vindt Timmer, maar hij is sceptisch. ,,Al sinds de politiewet van 1993 wordt de korpsen door Den Haag gevraagd om beter samen te werken. In plaats daarvan hebben de korpschefs hun eigen koninkrijkjes gebouwd. De voornaamste taak van de politie is opsporing. Als ze daarvoor hun automatiseringssystemen al niet eens op elkaar kunnen afstemmen, zouden ze dat dan wel doen voor de veiligheid van het personeel?’’

Een eenduidige oorzaak van de confrontatie tussen gezag en burger is er niet. De ‘informalisering’ van de samenleving is volgens Timmer een van de oorzaken. Beleefdheidsvormen en zelfbeheersing werden in de loop der tijd steeds meer als onnodige ballast en zelfs als een gebrek aan ‘authenticiteit’ gezien. De informalisering ging gepaard met verlies van gezag van autoriteiten – gezag dat ze de laatste jaren weer proberen terug te winnen. Democratisering van het bestuur – door allerlei vormen van inspraak, maar ook door het mantra ‘de kiezer heeft altijd gelijk’ – maakten de burger nog zelfverzekerder tegenover de autoriteiten. Elke beslissing waarmee hij het niet eens is, ervaart hij als een schending van zijn democratische rechten.

De belangrijkste oorzaak is misschien dat directe behoeftebevrediging door steeds meer mensen als een recht wordt ervaren. Timmer: „Verlangens moeten zo snel mogelijk vervuld worden, en wie dat frustreert kan een klap krijgen.”

Ook zorgpersoneel heeft de afgelopen tien jaar kennis gemaakt met de burger en diens behoefte aan onmiddellijke behoeftebevrediging. De ambulance die wordt gebeld, dient er meteen te zijn. Begin juni werd in het De Mirandabad in Amsterdam-Zuid ambulancepersoneel bedreigd door een groep Marokkaanse jongens. Een van de jongens was onwel geworden door een combinatie van hitte en alcohol. De ambulance was naar het oordeel van de groep te laat gearriveerd. Fietsen werden tegen het voertuig aangesmeten. Een toevallig aanwezige vrouwelijke arts die hulp wilde verlenen, werd geslagen.

De arts wil vertellen wat er gebeurde, op voorwaarde dat haar naam niet vermeld wordt. „Nadat de ambulance was weggereden zei ik tegen die jongens: ‘Niet zo slim als jullie willen dat je vriend geholpen wordt’. Een van hen kwam naar me toe en gaf me met de vlakke hand een klap in mijn gezicht.’’

Ze is bij de bewusteloze jongen gebleven tot er hulp kwam en heeft aangifte gedaan bij de politie. Ze laakt het optreden van de politie. „Toen die jongens er nog stonden, deed geen enkele agent een poging om ze aan te houden.’’ Pas na een maand werden alsnog negen arrestaties verricht.

De Amsterdamse VVD-fractie eiste na het incident in Oost voortaan politiebegeleiding bij ambulanceritten. Het laconieke antwoord van de GGD-woordvoerder: „Die hebben we al jaren. In riskante buurten vragen we altijd politiebegeleiding.’”

Een ander, soortgelijk incident had begin juli plaats in een galerijwoning in Amsterdam-Oost. De meldkamer van de GGD kreeg een warrige melding dat er iemand onwel was geworden. De ambulance was na zeven minuten ter plaatse, ruim binnen de voorgeschreven tijd van vijftien minuten. Familieleden en vrienden verweten de broeders niettemin op hoge toon niet snel genoeg gekomen te zijn. Pal daarop arriveerden politie en brandweer, met defibrillator, een apparaat om hartstilstand te verhelpen.

In de galerijwoning loopt de situatie uit de hand. Alleen dank zij hulp van de politie krijgen de broeders de kans om zich met de patiënt bezig te houden. De reanimatie mislukt, de man overlijdt.

In de nacht van vrijdag op zaterdag 8 juli werd bij de spoedeisende hulp (SEH) van het AMC een gewonde man binnengedragen. Zijn metgezel is al bij aankomst in alle staten en begint tegen de deur te trappen. Hij eist dat zijn maat direct geholpen wordt. Nog voordat de patiënt goed en wel plaats heeft kunnen nemen, haalt de man een hamer uit de auto en begint op de portier in te slaan. Deze kan de klappen ontwijken. De man wordt gearresteerd. Hem zal poging tot doodslag ten laste worden gelegd.

De voorvallen voeden het gevoel dat „het steeds erger wordt.” Maar GGD-woordvoerder Martin Hommenga kan dat niet bevestigen. Het vorige ernstige incident in Amsterdam waarbij ambulance-personeel werd bedreigd dateert uit 2003, zegt hij. Toen was een peuter gestikt in een pinda en reageerde de familie woedend op de hulpverleners die volgens hen veel te laat waren.

„Ik wil geen sensatieverhaal”, zegt Jan Luitse, chirurg en hoofd van de spoedeisende hulp bij het Amsterdams Medisch Centrum AMC, aan de telefoon. „Geen verhaal dat het steeds erger wordt. Dat is namelijk niet zo.”

Hij is een zachtmoedig ogende, rustige man. Op zijn afdeling is weinig verloop, zijn medewerkers zijn geroutineerde krachten. Onlangs is een nieuw piepersysteem geïnstalleerd. Na een druk op de knop gaat bij de portier, bij de meldkamer van de AMC-beveiliging én bij de politie een alarm af. Het nieuwe van het systeem is dat het onmiddellijk toont in welke kamer de medewerker zich bevindt. Het is het nieuwste wapen tegen agressieve patiënten.

Het kwam direct na de introductie van pas, bij het incident met de man met de hamer. Maar, relativeert Luitse, nerveuze patiënten kwamen altijd al voor. „Een ongeluk komt altijd ongelegen. Men geeft luidkeels uiting aan zijn frustratie daarover. Dat is niet nieuw.” Wel hebben mensen volgens Luitse „tegenwoordig een lagere frustratietolerantie dan vroeger en ze hebben niet langer de bescheidenheid om zich te beheersen”.

Schelden, bedreigen of zelfs slaan, dat is iets van de laatste jaren. Ze zijn het gevolg van ongeduld, gelooft Luitse. De gevallen zijn niet geboekstaafd, maar naar zijn gevoel – hij steekt een denkbeeldige natte vinger in de lucht – ligt het begin van deze ontwikkeling ergens rond 1998 en komen dergelijke gevallen nu drie, vier keer per week voor. Dat betekent, benadrukt hij nog maar eens, dat de meerderheid zich behoorlijk gedraagt.

De laatste jaren is het aantal echt ernstige incidenten stabiel. Luitse schat dat fysiek geweld zo’n zes keer per jaar voorkomt in zijn kliniek. Er wordt altijd aangifte van gedaan. Maar al blijven ze gelijk in aantal, ze worden wel ernstiger. Vijf jaar geleden vond Luitse een vuistslag een zwaar geval. Nu is dat een aanval met een hamer. Binnenkort gaat zijn ploeg weer op anti-agressietraining. Aan de orde komen vragen als: hoe probeer je het probleem pratend op te lossen? Maar ook: hoe ontwijk je een aanval als iemand agressief wordt?

Als je de lijn van de afgelopen jaren doortrekt, zou Luitse zijn personeel dan niet moeten voorbereiden op de kwade dag dat iemand op de EHBO met een pistool staat te zwaaien? De vraag stuit hem tegen de borst. Daarover wil hij niet nadenken, zolang het niet is gebeurd.

Zijn vader was huisarts in Muiden, vertelt Luitse bij de uitgang van het ziekenhuis. „Onder zijn klanten zaten veel boeren uit de streek. Als die op een zondag iets mankeerden, moest het wel heel ernstig zijn, wilden ze daarvoor de dokter storen. Meestal kon het best tot maandag wachten. Dat is nog maar veertig jaar geleden.” Hij neemt vriendelijk lachend afscheid, op weg naar een patiënt.

„De mensen van de eerste hulp is een apart slag”, had AMC-woordvoerder Frank van den Bosch van tevoren gezegd. „Altijd blijven ze rustig, nooit zullen ze zeggen dat er een grens is bereikt. En toch, een paar jaar geleden kwamen de anti-agressietrainingen. Nu is er die nieuwe pieper. De grens schuift steeds iets verder op.”

Politie, zwembaden, sociale diensten, ziekenhuizen: allemaal zoeken ze naar maatregelen tegen de burger die kwaad wil. De CWI’s (centra voor werk en inkomen) hebben permanent beveiliging. Beruchte NS-stations worden bewaakt door vechtschooljongens. Zwembaden praten al over irisscans, nu gebleken is dat reljongeren maling hebben aan zwembadverboden. De politie werd uitgerust met nieuwe wapens, zoals de pepperspray, die het gat tussen wapenstok en pistool vullen. Er wordt eerder om bijstand gevraagd bij bedreigende situaties. En agenten worden getraind in communicatieve vaardigheden.

De agressie tegen overheidspersoneel heeft de speciale aandacht van minister van Binnenlandse Zaken Remkes. Na het incident in Amsterdam-Oost maakte het ministerie bekend dat het een „manifest” zou gaan opstellen, waarin duidelijk staat wat een overheidsfunctionaris wel en niet hoeft te pikken.

Directeur Koos Reumer van Ambulance Zorg Nederland juicht toe dat Binnenlandse Zaken aandacht heeft voor het probleem, maar hoopt dat het manifest geen „papieren tijger” wordt. Liever dan een rijtje richtlijnen, wil hij dat op geweld tegen ambulancepersoneel een „strafrechtelijke premie” komt te staan. Een hogere strafmaat, zoals bij geweld tegen politieagenten. Daarnaast wil hij dat er een mogelijkheid komt om anoniem aangifte te doen, wat nu alleen kan in zeer zware strafzaken.

De arts bij het De Mirandabad deed aangifte, maar de GGD’ers in Oost durfden dit niet. Nog steeds komen alle persoonsgegevens in het dossier te staan, dat ook de advocaat en zijn cliënt onder ogen krijgen. Uit angst voor wraak laten slachtoffers de zaak rusten. Burgemeester Cohen van Amsterdam betreurde het besluit van de GGD’ers en probeerde ze alsnog over te halen. Zonder resultaat.

De VVD-Kamerfractie vindt de zachte pressie van Cohen onvoldoende. Justitiewoordvoerder Frans Weekers wil dat ambtenaren in gevallen van serieuze intimidatie en bedreiging de mogelijkheid krijgen om hun identiteit voor de verdachte geheim te houden. De organisatie zou in dat geval aangifte moeten doen namens het slachtoffer.

„In het recht is de slinger te veel doorgeslagen naar bescherming van de verdachte”, zegt Weekers. „Het wordt hoog tijd dat er een correctie komt.” Weekers wil niet van ‘anonieme aangifte’ spreken, maar van ‘beschermde aangifte’. De VVD gaat de komende tijd uitzoeken hoe dit kan worden verenigd met het beginsel van een eerlijk en transparant strafproces. „Er mogen geen kafkaëske processen ontstaan, maar de hulpverlener moet beschermd worden.”