Draagbaar eten voor de wandelaar

Marjoleine de Vos over zomers buiten eten, tijdens een wandeling

Wanneer is eten eigenlijk draagbaar? Als het niet lijdt onder het vervoer. Alles wat geplet, verfomfaaid, lekkend en plakkend uit de mand of tas komt, was dus niet draagbaar. Je ziet jezelf geen lange wandeling door de duinen naar het picknickstrand maken met een gelatinepudding. Die is niet draagbaar. Evenmin als een zo op het oog zeer draagbaar pan bagnat – zo’n heerlijk Frans hard broodje met veel olijfolie – omdat als je eenmaal zover bent dat je het wilt eten, je meegenomen trui, de hoes om de waterfles, het pakje pleisters en de papieren servetten óók allemaal vol huile extra virgine blijken te zitten.

Eigenlijk wordt de draagbaarheid van het eten bepaald door de verpakking, of door de mogelijkheid tot verpakking. Een soesjestaart moet afvallen. Andere dingen zijn onmogelijk wegens niet warm of koud of knapperig te houden – garnalenkroketten of basilicumijs moeten bij een ander soort etentje opgediend worden.

Je komt al gauw uit op eten dat van zichzelf koud is maar niet ijskoud, dat niet lekt, plakt of breekt of als het dat wel doet, zonder verlies van smaak en uiterlijk in een afsluitbaar plastic bakje gedaan kan worden en met behulp van het meegebrachte gerei gemakkelijk opgegeten. Als er geen vorken meegaan, zijn lamsgehaktballetjes in yoghurtsaus niet handig, hoe heerlijk die ook zijn als er wél vorken mee zijn. Een picknick met bordjes en servetten biedt andere mogelijkheden dan een wandeltocht. In het geval van een serieuze dagwandeling wil je niet nog hele taarten, hoe goed verpakt ook, meetorsen. En koelelementen gaan ook niet mee, dus een salade is geen leuk idee, ook al zit-ie nog zo netjes in een bakje en ook al spreken ze in restaurants nog zo vaak over ‘een lauwe salade’: als-ie echt lauw wordt, is de lol eraf. Droge worst, harde kaas, fruit dat niet in moes verandert, koekjes – dat zijn meestal de dingen die heel draagbaar zijn op een wandeling.

Een wandeling is van zichzelf natuurlijk een permanente bron van vreugde en verheugenis, maar toch is het nog leuker als er in die rugzak ook iets zit waarop je je meer speciaal verheugt. Iets dat goed verpakt is. Iets dat heerlijk geurt als je het uitpakt. Iets dat nu eens géén droge worst of harde kaas is. Een broodje belegd met tonijntapenade, eiplakjes en paprikareepjes bijvoorbeeld. Ja, dat is écht iets om naar uit te zien!

Omdat alles altijd flauwer smaakt tussen een broodje, moet de tonijntapenade flink op smaak worden gebracht. Dat doen we door aan het blikje tonijn vier ansjovisfilets toe te voegen (liefst uit het zout), tien ontpitte zwarte olijven (niet van die flauwe Spaanse, maar kalamata’s of van die gerimpelde Marokkaanse), een teentje fijngehakte of fijngestampte knoflook, een snuifje gedroogde rode peper, en, niet onbelangrijk, een eetlepel cognac of armagnac. Het geheel met wat olijfolie pureren in de vijzel of de keukenmachine, liefst de avond voor de wandeling, dan nemen geur en smaak enorm toe. En dan ergens in de schaduw zitten, met je fles water (nooit smaakt water zoals wanneer je wandelt) en dan langzaam het folie om dat broodje afpellen en dan ruiken wat je ruikt. Aah! Een draagbare droom.