De slag om Debye

Door ‘onthullingen’ over Nobelprijswinnaar Peter Debye deden de universiteiten van Utrecht en Maastricht die naam in de ban. Op ondeugdelijke gronden, klinkt het steeds luider. Dirk van Delft

Zat Peter Debye in de oorlog fout? Die vraag is aan de orde sinds de publicatie, 21 januari dit jaar in Vrij Nederland, van het geruchtmakende artikel ‘Nobelprijswinnaar met vuile handen’. Auteur is de in Berlijn opererende journalist en wetenschapshistoricus Sybe Rispens. Het stuk is een voorpublicatie uit Rispens’ boek Einstein in Nederland en handelt over Peter Debye, in 1936 winnaar van de Nobelprijs voor de chemie. In het boek hangt dat hoofdstuk er een beetje bij – Debye heeft nauwelijks in Nederland gewerkt – maar de explosieve inhoud leidt alom tot commotie.

Die commotie duurt voort tot op de dag van vandaag. De opdracht aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) om Debye’s houding voorafgaand aan en tijdens de Tweede Wereldoorlog grondig door te lichten, half juli verstrekt door het ministerie van Onderwijs, zal geen soelaas bieden. Vooruitlopend op de uitkomst van het rapport (het NIOD schat een jaar bezig te zijn) hebben partijen in de zaak onwrikbare posities ingenomen.

Bondig geformuleerd: Debye is door bestuurders in ijltempo in de ban gedaan en inspanningen van wetenschappers om de voorbarigheid van die actie te demonstreren halen niets uit. Ook het NIOD is onder vuur komen te liggen: het zou in een vroeg stadium de indruk hebben gewekt dat Rispens goed werk had afgeleverd, met funeste gevolgen. David Barnouw, onderzoeker/voorlichter bij het instituut: “Het is heel emotioneel. Kennelijk is er een open zenuw geraakt.”

vuiler

Wat is er gebeurd? Debye, aldus Rispens in januari in Vrij Nederland, ‘geldt als een van de grootste Nederlandse wetenschappers van de twintigste eeuw.’ Maar, zo voegde hij eraan toe, ‘uit nieuw historisch onderzoek blijkt dat zijn handen vuiler zijn dan gewoonlijk werd aangenomen.’ Diverse ‘onthullingen’ moeten deze stelling onderbouwen. Zo schrijft Rispens dat Debye op 9 december 1938 als voorzitter van de Deutsche Physikalische Gesellschaft een brief heeft rondgestuurd waarin hij ‘Rijksduitse joden’ opriep hun lidmaatschap op te zeggen. Een brief die hij bovendien eindigde met het infame ‘Heil Hitler!’ Rispens’ commentaar: ‘De bijl is gevallen.’

Een tweede ‘onthulling’ betreft een telegram dat Debye op 23 juni 1941 vanuit Amerika naar het Generalkonsulat in Berlijn stuurde. Toen Debye, sinds 1935 in Berlijn directeur van het Kaiser Wilhelm Institut für Physik, na het uitbreken van de oorlog (opnieuw) weigerde de Duitse nationaliteit aan te nemen, werd hij door de nazi’s op verlof gestuurd. Hij vertrok naar Amerika, waar hij was uitgenodigd om op Cornell University in Ithaca gastcolleges te geven.

In het bewuste telegram, aldus Rispens, verklaart Debye ‘te allen tijde bereid te zijn de leiding van het Kaiser Wilhelm Institut, op basis van de oude voorwaarden, weer op mij te willen nemen’. Waarna Debye, in de woorden van Rispens, de resterende oorlogsjaren ‘tevergeefs op een antwoord’ wachtte ‘op zijn herhaalde vraag’ of en wanneer hij als directeur ‘terug kan keren’. Na afloop van de oorlog, aldus Rispens, besluit Debye ‘dan maar om in Amerika te blijven’. Kortom: de suggestie wordt gewekt dat Debye het liefst in Berlijn weer aan de slag was gegaan.

Boek en artikel van Rispens slaan in als een bom. ‘Beroemde Utrechter hielp Hitler-regime’, kopt de Volkskrant. ‘Altijd tuk op terugkeer’, staat boven de recensie in deze krant. Wat het boek extra gezag geeft, is het lovende voorwoord van de fysicus Martinus Veltman. ‘Het werk van de heer Rispens is een goudstukje tussen het koren’, schrijft de Nobelprijswinnaar van 1999. ‘Ik heb het in één ruk uitgelezen.’ En: ‘Daar is ten slotte de affaire Debye. Ik heb er eigenlijk niets aan toe te voegen, ze wordt in alle duidelijkheid beschreven.’ Lofprijzingen waarvan Veltman spijt zou krijgen.

slecht nieuws

Op twee plaatsen in Nederland mag het nieuws over Debye zich in een bijzondere belangstelling verheugen. Dat is aan de Universiteit Utrecht, die een Debye Instituut (onderzoeksschool op het grensvlak van chemie en fysica) in huis heeft, en de Universiteit Maastricht, die om het jaar de Peter Debye Prijs voor natuurwetenschappelijk onderzoek (10.000 euro) uitreikt. Hoe op het slechte nieuws te reageren? Beide colleges van bestuur besluiten samen op te trekken. Alvorens ‘eventuele maatregelen’ te overwegen, waarbij ‘zorgvuldigheid’ van ‘groot belang’ wordt geacht, krijgt het NIOD (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie) op 26 januari het verzoek Rispens’ bronnen achter de twee bovenstaande ‘onthullingen’ op authenticiteit beoordelen.

De directie van het Utrechtse Debye Instituut ziet de bui hangen en stuurt op 13 februari een brief naar rector magnificus W.H. Gispen. In die brief benadrukt wetenschappelijk directeur Leo Jenneskens dat de naam ‘Debye’ indertijd is gekozen vanwege de ‘zeer grote en unieke internationale’ reputatie van Debye als onderzoeker en docent. Van belastend materiaal ten aanzien van de integriteit en het gedrag van Debye was het instituut niets bekend.

Intussen, zo vervolgt Jenneskens, had vertrouwelijk overleg met wetenschapshistorici opgeleverd dat ‘de interpretatie door de auteur Rispens van het hem beschikbare historisch archiefmateriaal zeer discutabel is’. Het beste zou zijn, zo besluit de brief, onder regie van het college van bestuur een (beperkt) historisch onderzoek te doen naar Debye’s handel en wandel in de jaren 1938-1950.

Een week eerder, op 7 februari, had NIOD-directeur Hans Blom al aan Gispen geschreven dat hij fotokopieën van de bronnen had ontvangen. Rispens had hem bovendien aanvullende informatie verschaft. ‘Op grond daarvan is mijns inziens duidelijk dat de verstrekte informatie betrouwbaar is.’ De vraag of Debye het telegram van 1941 (over terugkeer naar Berlijn) ‘uit vrije wil’ verstuurde, beantwoordt Blom positief. Alvorens de naam Debye te ‘heroverwegen’, zo besluit de brief, zou het goed zijn een ‘bredere kennis van de context’ van beide documenten op te doen. ‘Over Debye als wetenschapsbeoefenaar in het nationaal-socialistische Duitsland is (...) zeker meer te zeggen.’

Daar kunnen de colleges van bestuur van de universiteiten van Utrecht en Maastricht niet op wachten. Op 16 februari besluiten ze de naam ‘Debye’ te schrappen: deze zou niet langer een ‘voorbeeldfunctie’ vervullen. De gemeente Maastricht treft nog geen ‘concrete maatregelen’. Ze besluit het NIOD te vragen het gewenste vervolgonderzoek daadwerkelijk uit te voeren – zonder daarvoor in de buidel te willen tasten. Elders in het land zijn de reacties op de ‘val’ van Debye minder gehaast. Zo meldt het ANP op 19 mei dat de gemeente Rotterdam besloten heeft de straatnaam ‘Debijeweg’ te handhaven.

In Utrecht reageert Gijs van Ginkel, zakelijk directeur van wat na de naamswijziging het ‘VM Debye Instituut’ heet, furieus. In een brief gedateerd 2 maart, ook gepubliceerd op de website van het instituut, stelt hij dat het aan een ‘zorgvuldige en transparante discussie’ totaal heeft ontbroken. ‘Bij de besluitvorming over de naamvoering van Debye in Utrecht werd de zaak in beslotenheid in samenspraak met de Universiteit van Maastricht, afgekaart.’ De 250 medewerkers van het instituut vernamen de maatregel per persbericht. Hen werd gesommeerd omgang met de pers te mijden. Overigens wekt de huidige website van het (VM) Debye Instituut niet de indruk dat het weghalen van de naam ‘Debye’ veel prioriteit geniet.

Hoe staat het met de houdbaarheid van Rispens’ interpretatie van de wetenschapshistorische bronnen? Was Debye inderdaad een ‘willige helper van het naziregime’ en een ‘uitgesproken opportunist’, zoals Rispens in Chemical & Engineering News van 1 maart nog eens betoogde? Inmiddels is op die interpretatie de nodige kritiek geleverd. Om te beginnen was veel van het materiaal dat Rispens als ‘nieuw’ betitelde in wetenschapshistorische kring al lang bekend – zij het aan specialisten. Rispens mag dat materiaal als eerste onder de aandacht van een breed publiek hebben gebracht, origineel werk verricht hij niet.

Wat betreft zijn kwalificaties als onderzoeker: na een opleiding als elektrotechnicus, filosoof en wetenschapshistoricus promoveerde Rispens (1969) eind vorig jaar in Groningen op Machine Reason. A history of clocks, computers and consciousness. Zijn boek Einstein in Nederland vloeide voort uit werk dat hij in Berlijn in het kader van het ‘Einsteinjahr 2005’ verrichtte. Het laveert tussen journalistiek en wetenschapsgeschiedenis.

Maar is het goede wetenschapsgeschiedenis? Bekijken we daartoe Rispens’ behandeling van de ‘Heil Hitler!’-brief van 1938 en het ‘terugkeer-telegram’ van 1941. Daarop is zware kritiek geuit. Rispens zou de context totaal gemist hebben. Wie het ‘complete’ verhaal wil, aldus de critici, raadplege publicaties van wetenschapshistorici als Horst Kant, Dieter Hoffmann, Mark Walker en Klaus Hentschel.

rijksduitse joden

Eerst de brief. Op 9 december 1938 besloot de Deutsche Physikalische Gesellschaft, toen het ministerie bleef aandringen op statuten die strookten met de nationaalsocialistische beginselen, in een rondschrijven haar joodse leden de deur te wijzen. De tekst luidt: ‘Onder de heersende dwingende omstandigheden valt het lidmaatschap van Rijksduitse joden, zoals beschreven in de Neurenberger wetten, van de Deutsche Physikalische Gesellschaft niet langer te continueren. Namens het bestuur roep ik bij deze alle leden die onder deze definitie vallen op mij hun uittreding uit de Vereniging mee te delen. Heil Hitler!’ Was getekend: P. Debye, voorzitter.

Klaus Hentschel wijst erop dat de Deutsche Physikalische Gesellschaft zo lang mogelijk al haar leden, ook joden, communisten en emigranten, binnenboord heeft proberen te houden. De vereniging slaagde daarin verrassend lang, veel langer bijvoorbeeld dan de chemische zustervereniging. Na zwaar intern beraad, waarvan geen documenten bewaard zijn gebleven, is besloten tot het schrijven van de brief, in plaats van de joden ex cathedra uit te stoten.

‘Vanuit onze huidige positie is het makkelijk te oordelen dat Debye fout zat door te buigen voor de nazi’s’, aldus Hentschel, ‘maar Debye en zijn collega’s beschouwden hun handelwijze waarschijnlijk als het minste kwaad.’ Dat Debye met ‘Heil Hitler!’ ondertekende, verbaast Hentschel niets. ‘Iets anders zou, gezien de officiële context, zijn opgevat als provocatie.’ Hoffmann en Walker stellen dat Duitse ambtenaren in hun correspondentie met nazi-autoriteiten verplicht waren ‘Heil Hitler!’ te gebruiken.

Maar een lid van de Deutsche Physikalische Gesellschaft is iemand anders dan een nazi-functionaris, zegt David Barnouw van het NIOD. “Debye richtte zijn brief aan de leden, niet aan een of andere officiële instantie. Je zou moeten nagaan of ‘mit deutschen Gruß’, wat ook regelmatig voorkwam, een ontsnappingsmogelijkheid had geboden. En ik zou uitgezocht willen zien of in vergelijkbare situaties voorzitters van andere verenigingen wél zijn opgestapt. Vandaar het nadere NIOD-onderzoek.”

Dan Debye’s telegram van 1941. Na het uitbreken van de oorlog, september 1939, kwam het Kaiser Wilhelm Insitut für Physik onder direct militair gezag om het potentieel van de juist ontdekte kernsplijting te onderzoeken. Toen hij weigerde de Duitse nationaliteit aan te nemen, werd Debye op non-actief gesteld en met verlof gestuurd. In Amerika vond hij onderdak bij Cornell University. Zijn Duitse vrouw, dochter en schoonzus bleven in Berlijn achter en mochten in de dienstwoning van het Kaiser Wilhelm Instituut blijven. Op 23 juni 1941, aldus Rispens, stuurt Debye zijn telegram naar Berlijn.

Altijd tuk op terugkeer? Of was het een tactische zet? Debye’s vrouw had zich inmiddels bij haar man in Amerika gevoegd maar de dochter, die om onduidelijke redenen niet mee wilde, en de schoonzus zitten nog altijd in de Berlijnse dienstwoning en er bestond druk om plaats te maken voor Debye’s plaatsvervanger Werner Heisenberg. Door vanuit Amerika de indruk te wekken dat hij beschikbaar is, aldus de rookgordijntheorie, hoopt Debye zijn familie te beschermen. Maar in feite, zo zouden documenten uit het familiearchief aantonen, had hij al in 1940 besloten in Amerika te blijven – de aanvraag voor het staatsburgerschap ging augustus 1941 de deur uit. Overigens is het telegram op de door Rispens aangegeven plek niet aanwezig. Wel een brief van de Kanzlei des Führers aan de Kaiser Wilhelm Gesellschaft die uit het telegram citeert.

Inmiddels heeft Cornell University zelf onderzoek gedaan naar Debye’s handelen. ‘Op basis van de huidige informatie’, aldus een officiële verklaring van 29 mei, ‘hebben we geen bewijs gevonden dat steun geeft aan beschuldigingen dat Debye met de nazi’s heulde of sympathiseerde of dat hij er antisemitische ideeën op nahield.’ Het rapport stelt vast dat Debye de oorlogsjaren in Amerika aan polymeren voor radar en aan synthetisch rubber werkte, beide van militair belang. Ook lichtte hij Leó Szilárd (een uitgeweken Hongaarse fysicus) en Einstein in over het uraniumonderzoek in Berlijn, waarop dit tweetal een bezorgde brief aan president Roosevelt schreef – een actie die het Manhattanproject inleidde.

Niettemin werpt het Cornell-rapport de vraag op waarom Debye zo nodig directeur van het Kaiser Wilhelm Instituut en voorzitter van de Deutsche Physikalische Gesellschaft moest worden, wetende dat hij in die posities de Neurenberger rassenwetten moest toepassen. En waarom bleef hij zo lang in Duitsland? Graag zou Cornell University dat alles uitgezocht zien. Maar op voorhand actie ondernemen tegen een man die op Cornell een kwart eeuw een vooraanstaande positie had bekleed, geen sprake van.

lucht

In Nederland duurt de commotie voort. Wanneer het Utrechtse college van bestuur er in juni lucht van krijgt dat directeur Gijs van Ginkel van het Debye Instituut bezig is met een boekje met bronnenmateriaal én zijn ongezouten kritiek op Rispens en rector Gispen, grijpt de laatste in met een publicatieverbod – inmiddels bereidt Van Ginkel een gekuiste versie voor. Het machtswoord van Gispen geeft in het augustusnummer van het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde onder de kop ‘College van Censuur’ aanleiding tot de volgende boutade: ‘Het in Utrecht kennelijk gewenste soort medewerker is iemand die opdrachten van autoriteiten loyaal uitvoert, geen moeilijkheden maakt, en zich van alle kritiek naar boven onthoudt als die de positie van die autoriteiten zou kunnen ondergraven. Precies datgene wat Rispens Debye juist verweet, dus.’

Ook Martinus Veltman ergert zich groen en geel aan het lichtzinnige handelen van de universiteiten van Utrecht en Maastricht. Op 5 mei (!) schrijft hij de medewerkers van het Debye Instituut dat Rispens’ ‘aantijgingen’ bij nader inzien ‘nergens op berusten en naar het land der fabelen moeten worden verwezen’. Herdrukken en vertalingen van Einstein in Nederland zullen het zonder zijn voorwoord moeten stellen. Op een colloquium met wetenschapshistoricus Dieter Hoffmann, op 10 juli te gast bij de afdelingwetenschapsgeschiedenis in Utrecht, veegt Veltman NIOD-onderzoeker (en collega-hoogleraar) Peter Romijn in zeer onacademische bewoordingen de mantel uit. Trouw citeerde in januari Romijn als volgt: ‘Rispens heeft grondig onderzoek verricht en verantwoord gebruik gemaakt van de bronnen.’

onbesuisd

Half juli uitten familieleden van Debye in het dagblad De Limburger forse kritiek op het Maastrichtse college van bestuur, dat onbesuisd snel gehandeld zou hebben. De opdracht van het college aan de faculteit der cultuurwetenschappen tot het schrijven van een volwaardige Debye-biografie, een klus voor hoogleraar wetenschapsgeschiedenis Ernst Homburg, is vooralsnog een dode letter. De financiering, 200.000 euro, zou opgebracht worden door universiteit, lokale bedrijfsleven en diverse fondsen. Plannen die dateren van vóór de Debye-crisis. Inmiddels heeft het Maastrichtse college van bestuur Homburg laten weten haar deel in de kosten niet te willen dragen: voorlopig géén biografie.

Hoe loopt deze soap af? Waar Rispens in januari met zijn ‘onthullingen’ de Debye-slinger een zet van jewelste gaf, is deze nu druk bezig naar de andere kant door te slaan. ‘Debye was niet fout’, kopte Elsevier vorige week, ‘de naam van Debye (en Nederland) is bezoedeld.’ NIOD-medewerker David Barnouw ziet het met verbazing aan. “Soms lijkt het alsof de mensen het liefst zouden zien dat die documenten vervalsingen zijn”, zegt hij. “En in Maastricht lopen de emoties al helemaal hoog op. ‘Onze volksheld die het tot Nobelprijswinnaar heeft geschopt wordt op een lelijke manier aangepakt.’ Hoogste tijd dat daar eens iemand nuchter naar kijkt.”

De kans dat de uitkomst van het NIOD-rapport Utrecht en Maastricht op hun schreden zal doen terugkeren, is gering. Een woordvoerder van het Utrechtse college van bestuur laat weten dat het besluit “op basis van NIOD-onderzoek van begin februari” is genomen en dat nieuw, breder onderzoek “niet tot herziening zal leiden”.

Veltman wil zo’n herziening per direct: ‘Het lijkt mij het beste als men het boetekleed aantrekt, de beslissing terugdraait en verder de zaak naar de vergeethoek schuift. Ik heb er een gruwelijke hekel aan in het buitenland deze zaak te moeten bediscussiëren.’