DE KRANT MOET KIEZEN

Hebben betaalde kranten nog wel bestaansrecht? Ja, want alleen daar is de kwaliteitsjournalistiek mogelijk die in een moderne samenleving noodzakelijk is. Maar dan moeten de kranten wel stoppen met de steeds verder voortschrijdende verbreding van hun redactionele formules. De toekomst is aan de compacte krant.

Het gaat niet goed met de kranten. Dat is geen nieuws en op zichzelf niet meer dan het decor van deze beschouwing. Het gaat ons om iets anders. Onder druk van rendementseisen en het primaat van de klantenbinding worden verkeerde conclusies getrokken. Er wordt niet in kwaliteit en de diepte van de berichtgeving geïnvesteerd, maar in de breedte en de aantrekkelijke vorm ervan. Van een bedrijf waar frank en vrij verslag wordt gedaan van het reilen en zeilen van de samenleving begint de journalistiek de trekken aan te nemen van een organisatie waar de kopij volgens de uitkomsten van het laatste marktonderzoek wordt geproduceerd. En dat in een tijd waarin de wereld ingewikkelder wordt en de behoefte aan nuchtere analyse en onafhankelijke informatie toeneemt.

Een voorbeeld. Frits van Exter, hoofdredacteur van Trouw, meldde dit voorjaar dat bij zijn krant 20 arbeidsplaatsen moeten verdwijnen. Een paar maanden later kwam hij met een nieuwe onheilstijding: Van Exter ziet zich gedwongen het eigenzinnige katern Letter & Geest op te doeken, een gezichtsbepalende bijlage die niet gemaakt wordt om de lezer te behagen, maar om het debat over controversiële thema’s op het scherpst van de snede te voeren. Dat is altijd aardig gelukt. Letter & Geest lanceerde kort na 11 september 2001 Ayaan Hirsi Ali met haar beroemde pleidooi voor een verlichte islam: ‘Laat ons niet in de steek. Gun ons een Voltaire’. Een andere ontdekking was de Britse psychiater Theodore Dalrymple, de criticus van de cultuur van het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel die de onderklasse gevangen houdt. Letter & Geest fungeerde als vrijplaats voor conservatieve intellectuelen die publiceerden over ‘het gif van de islam’ en de onwil van ‘slap links’ zich daartegen te wapenen.

Er was meer slecht nieuws. Ook dit jaar daalden de krantenoplagen. In 2005 werden er per dag weer 150.000 minder gedrukt dan in het jaar daarvoor en het totale aantal betaalde kranten bevindt zich nu voor het eerst sinds 1970 onder de 4 miljoen. Daar staat wel tegenover dat de gratis kranten nog steeds aan het groeien zijn – in 2005 was de gezamenlijke oplage van Metro en Spits ongeveer 800.000. In de Randstad moesten als gevolg van de fusie tussen het Algemeen Dagblad en zeven regionale kranten zo’n 150 banen van redacteuren van de diverse kranten verdwijnen – en daar zal het niet bij blijven. De Telegraaf riep zijn vaste buitenlandse correspondenten terug. De 17 kranten die gebruik maken van de diensten van de Gemeenschappelijke Pers Dienst zien die diensten onder invloed van bezuinigingen steeds meer verschralen. Bij het Dagblad van het Noorden moeten tien redacteuren weg. Bij al die tegenvallers op de dagbladenmarkt was er één lichtpuntje: de succesvolle lancering van nrc.next, een ochtendkrant op tabloid-formaat, die in vier maanden naar een oplage van 58.000 exemplaren groeide.

Nieuws is overal

Die fusies, teruglopende oplagen en ontslagen zijn bewijzen van het functieverlies van het betaalde dagblad. Nieuws is tegenwoordig overal, en de krant is zijn vooraanstaande positie in de nieuwsvoorziening kwijtgeraakt. Nieuws komt uit de autoradio, het is te zien op het televisiescherm in het benzinestation, op de homepage van de internetprovider, op teletekst. Het staat in de Metro en de Spits en het wordt vertoond op vele televisiejournaals. Wie wil weten wat de laatste stand van zaken in een Kamerdebat, bij een oliebrand of een aanslag is, kan meteen terecht bij een van de gespecialiseerde nieuwssites, zoals die van nu.nl, bbc of cnn. Die ontwikkelingen zijn een bedreiging gaan vormen voor wat we kortweg ‘serieuze journalistiek’ noemen: onderzoek, verslaggeving en analyse van de belangrijke politieke, economische en sociale veranderingen in Nederland en de wereld, en de opinievorming daarover. Kranten zijn door hun fysieke vorm daarvoor bij uitstek geschikt. Hun bereik is geringer dan dat van de televisie, maar ze kunnen veel meer informatie bevatten. De complete tekst van een Journaaluitzending past op een halve krantenpagina.

Nieuws en duiding vormen als ‘publieke kennis’ de grondstof waarop burgers, functionarissen en activisten hun oordelen en handelen baseren. Politiek nieuws herinnert ons eraan dat we bestuurd worden, het bevestigt het functioneren van de democratische orde. De kerntaak van de journalistiek is het controleren van de woorden en de daden van mensen met macht. Door het verzamelen, verifiëren en publiceren van onwelkome of soms pijnlijke informatie onderscheidt de journalistiek zich van andere vormen van communicatie, van voorlichting bijvoorbeeld.

In dat verifiëren zijn kranten van oudsher goed. Zij hebben de ruimte en ze beschikken over gespecialiseerde redacteuren. Serieuze kranten stellen kiezers in staat zich een oordeel te vormen over maatschappelijke vraagstukken en de politieke antwoorden daarop. Redacteuren van serieuze kranten zijn ‘veredelaars’: door aan het kale nieuws achtergrond, analyse en commentaar toe te voegen, bieden zij hun lezers context en duiding. Door het debat te stimuleren dragen kranten bij aan de betrokkenheid van de burgers bij de publieke zaak. › Serieuze journalistiek vereist in de eerste plaats onafhankelijkheid, zowel ten opzichte van de staat als van maatschappelijke organisaties en bedrijven. Serieuze journalistiek is arbeidsintensief: een correspondentennet onderhouden, onderzoeksjournalistiek bedrijven en een staf van competente journalisten in stand houden is duur. Bij tegenwind wordt daarop vaak bezuinigd. Frank Kalshoven, economisch columnist van de Volkskrant, constateerde onlangs in een rapport dat Het Parool, het Algemeen Dagblad en Trouw hun economische verslaggeving tot minimale proporties hebben teruggebracht. Alleen bij de Volkskrant, NRC Handelsblad, De Telegraaf, Het Financieele Dagblad en Elsevier zijn nog economen in dienst. In de bouwfraude-zaak was er nog concurrentie tussen verschillende redacties, maar in de schandalen rond Ahold en Shell was alleen NRC Handelsblad in staat tot zelfstandig onderzoek. ‘De smalle basis van de economische journalistiek is nog wankel ook’, schrijft Kalshoven.

Nu het minder goed gaat met de exploitatie van de kranten staan de kernfuncties van de journalistiek op twee manieren onder druk. In de eerste plaats doordat de uitgevers kranten opheffen, fuseren of laten opgaan in een groter geheel. Dat leidt tot een minder pluriforme pers. In de tweede plaats doordat bij de overblijvende kranten de redactionele formules worden aangepast: meer beeld, meer lifestyle, meer speciale bijlagen voor doelgroepen.

Bij de fusie tussen het Algemeen Dagblad en zeven regionale kranten (Rijn en Gouwe, De Dordtenaar, Rotterdams Dagblad, Haagsche Courant, Utrechts Nieuwsblad en Amersfoortse Courant) versterkten deze twee tendensen elkaar. De nieuwe krant heeft steeds minder ruimte en journalistieke capaciteit voor het kritisch volgen van de macht. In plaats daarvan rukt de feel good verslaggeving op en wordt de bereidheid om de agenda van de voorlichters te volgen steeds groter. De kranten worden breder, maar een onomkeerbare vervlakking van de journalistiek kan daarvan het resultaat zijn. Dat kan er op zijn beurt toe leiden dat de journalistiek een onaantrekkelijk beroep wordt voor het talent dat nu aan universiteiten en hogescholen studeert.

Gouden tijdperk

De omstandigheden waarin dagbladen in binnen- en buitenland moeten werken zijn in korte tijd ingrijpend veranderd. Achteraf kunnen we het laatste kwart van de vorige eeuw het ‘gouden tijdperk’ van de dagbladjournalistiek noemen. Door een bijzondere samenloop van omstandigheden was de krant tussen 1975 en 2000 koning. Voor het contrast met de huidige situatie een korte schets van dat tijdperk.

Vergeleken met voorgaande generaties waren de lezers van de jaren zeventig beter opgeleid, minder gebonden aan een levensbeschouwelijke zuil en meer betrokken bij de publieke zaak. Ze hadden steeds minder behoefte aan bevestiging van hun overtuiging door een krant die gebonden was aan een partij, een religie of een vakbond. Ze hadden steeds meer behoefte aan betrouwbare informatie die hen in staat stelde zelf een oordeel te vormen. In die behoefte werd voorzien door een nieuwe generatie van hoogopgeleide onafhankelijke journalisten. De inhoud van de kranten werd steeds meer door de journalisten bepaald en steeds minder door de uitgevers. De advertenties stroomden binnen, naast de rubrieksadvertenties (auto’s, reizen, seks en relaties, huizen) vooral de personeelsadvertenties en de productadvertenties. De uitgevers werden slapend rijk en raakten gewend aan hoge winstmarges van rond de 15 procent. Daardoor werden kranten interessant voor ondernemers (Wegener) en later ook voor investeringsmaatschappijen (het Britse Apax, dat krantenbedrijf pcm overnam) die in commercieel opzicht veel ambitieuzer waren dan de uitgevers van de vorige generatie. De monopoliepositie van de kranten had ook consequenties voor politieke partijen en andere maatschappelijke organisaties. Door het wegvallen van hun ‘eigen’ dagbladen en omroepverenigingen, konden ze hun kiezers en leden voortaan alleen nog via onafhankelijke kranten en omroepen bereiken.

Het gouden tijdperk van de dagbladjournalistiek was gegrondvest op de gelukkige combinatie van lezers die geïnteresseerd waren, adverteerders die op de kranten waren aangewezen en journalisten die zich ontworsteld hadden aan een verzuilde beroepsuitoefening en een nieuw professioneel elan hadden gevonden. Burgers, bedrijven, politieke partijen en maatschappelijke organisaties – ze konden niet om de kranten heen.

Rekensom

Dat is niet meer zo. Voor de adverteerders werd het een eenvoudige rekensom. De kans om zestig procent van de doelgroep met een reclame-uiting vijf keer te bereiken – een vuistregel uit de reclamewereld – was in de audiovisuele media groter dan in de betaalde dagbladen, en dus verdwenen de adverteerders naar de televisie. Zo treffen de consumenten en de adverteerders elkaar steeds vaker in de gratis kranten, op het internet en bij het televisiescherm. De burger en de overheid vinden elkaar in de gratis huis-aan-huisbladen, die een willige afnemer zijn van de producten van de communicatie-afdelingen van de gemeenten.

Op deze podia is veel minder sprake van kwaliteitsjournalistiek. Het totaalprogramma dat een kwaliteitskrant biedt wordt daar niet aangeboden. In plaats daarvan specialiseren de nieuwe media zich in informatie voor niches en doelgroepen.

Bij de burgers nam de belangstelling voor de publieke zaak af. De belangrijkste verklaring daarvoor is de toegenomen welvaart en de daaruit volgende individualisering. Hoe sterker de besteedbare inkomens stegen, des te minder zochten de burgers hun heil bij maatschappelijke organisaties. De oriëntatie op collectieve middelen, collectieve actie en collectieve organisaties werd ingeruild voor een oriëntatie op de markt, op individuele actie. Zoals de Amerikaanse mediasocioloog Daniel Hallin het in een interview met NRC Handelsblad zei: ‘Als mensen zich afvragen: hoe krijgen onze kinderen een betere toekomst?, dan denken ze niet aan het soort veranderingen waar politieke partijen of overheden voor kunnen zorgen. Ze denken dan in de eerste plaats aan hun eigen inspanningen.’

De belangstelling voor de politiek en dus ook voor het nieuws en de verslaggeving daarover is afgenomen. In plaats daarvan groeide de interesse voor onderwerpen die met de privésfeer te maken hebben: gezondheid, emoties, consumentenzaken en carrièreplanning. Maar ook voor het privéleven van politici, kunstenaars, sportmensen en andere publieke persoonlijkheden. Deze trends versterken elkaar. Voor deze onderwerpen verschenen al snel gespecialiseerde tijdschriften en ook in de bestaande media werd › voor deze onderwerpen steeds meer plaats ingeruimd. Ook daardoor verminderde de belangstelling voor de publieke zaak.

Dat alles manifesteerde zich vooral bij de generatie die rond 1970 is geboren en die tot de lichte verbijstering van hun ouders minder lazen en ook minder belangstelling hadden voor de politiek. Het resultaat van dat alles was dat de oplagen van de betaalde kranten daalden (in de periode 2001-2005 met bijna 11% ). De relatie tussen stijgende welvaart en dalende krantenoplagen is overigens overal op de wereld te zien: uit de cijfers van het meest recente rapport van de World Association of Newspapers valt te leren dat kranten lezen in de rijkste landen praktisch overal terugloopt (vs, Duitsland, Denemarken) terwijl het in opkomende economieën (India, China, Polen) juist toeneemt (World Press Trends 2006).

Ontnuchterende ervaring

Voor de krantenredacties was het een ontnuchterende ervaring. Ze waren opgegroeid in de zekerheid dat er een vaste relatie bestond tussen de oplagen en het opleidingsniveau van de bevolking: hoe meer hbo- en universitaire diploma’s, des te meer krantenabonnementen. Aan het einde van de vorige eeuw kwamen de eerste barsten in dat model, en het is nu wel zeker dat het model niet meer werkt. De nieuwe generaties gedragen zich anders; ze redeneren praktischer. Ze zijn geneigd bij de inrichting van hun leven een utilitair perspectief te hanteren: ‘wat heb ik eraan?’ Jongeren zijn dan ook veel minder onder de indruk van argumenten als: krantenlezen hoort, krantenlezen moet.

De media-onderzoekster Irene Costera Meijer heeft die nieuwe benadering van het nieuws in haar boek De toekomst van het nieuws heel treffend beschreven. Uit interviews met honderden jongeren komt het beeld naar voren van een generatie die het meer gaat om het opdoen van indrukken dan om het vergaren van informatie, die emoties belangrijker vindt dan feiten en het persoonlijke interessanter vindt dan het publieke. Het is een generatie die zegt nieuws wel belangrijk te vinden, maar die nauwelijks nieuwsuitzendingen volgt en nauwelijks kranten leest, en zijn informatie overal vandaan haalt: uit soaps, reality-shows, internet, sms, RTL Boulevard, teletekst, etc.

Voor Costera Meijer is dat aanleiding te pleiten voor een journalistieke aanpak waarin het nieuws direct wordt gekoppeld aan de persoonlijke ervaringen van de lezer en de kijker. Het is een voor de hand liggende conclusie, maar dat type journalistiek heeft twee belangrijke nadelen. Ten eerste leidt deze ‘warme’ benadering onvermijdelijk ook tot een andere selectie. Lang niet alle onderwerpen uit de publieke sfeer zijn in de persoonlijke en invoelbare mal te persen. Ten tweede zouden bij een algemene toepassing van dit principe de mensen die wél prijs stellen op feitelijke en complete berichtgeving en koele analyses niet of nauwelijks bediend worden.

Dit gevaar is niet denkbeeldig. Het recept van Costera Meijer kan aanleiding geven tot verwaarlozing van de klassieke functies van de serieuze journalistiek. De invloedrijke bladendokter Leon de Wolff gaat in zijn boek De krant was koning nog een paar stappen verder. Hij meent dat journalisten in de allereerste plaats moeten voorzien in de behoeften van hun lezers. Het zelfbeeld van de journalist als waakhond van de democratie getuigt in zijn ogen van valse romantiek.

Bij uitgevers, hoofdredacteuren, maar ook bij ‘gewone’ journalisten vinden denkbeelden als die van Costera Meijer en De Wolff een willig oor. Zie de geleidelijke verschuiving in de richting van meer ´soft´ nieuws, die we over de volle breedte van de dagbladwereld kunnen waarnemen. Zie het oprukken van formats als het persoonlijke interview met de Bekende Nederlander. Zie vooral ook de toegenomen aandacht voor emoties, lifestyle en consumentenzaken en de gretigheid waarmee redacties de meningen en ervaringen van hun lezers, kijkers en luisteraars inzamelen. Zie de overal optredende trend naar verbreding van redactionele formules. Speciale bijlagen voor bepaalde doelgroepen zijn daar de meest in het oog springende voorbeelden van, maar er zijn ook subtielere varianten.

In de meeste gevallen betekent verbreding ook verdunning: minder prioriteit voor politieke en maatschappelijke verslaggeving, onderzoeksjournalistiek, ?nancieel en buitenlands nieuws. Bij een gelijkblijvend of krimpend redactioneel budget is de arbeidsintensieve kwaliteitsjournalistiek de dupe van de verbreding.

Versmalling

Daarom pleiten wij voor iets heel anders: voor de versmalling van de redactionele formules. Naast de catch all kranten die met de audiovisuele media willen concurreren en zoveel mogelijk groepen proberen te bedienen, moeten er weer kranten komen die zich concentreren op hun kerntaken: nieuws en achtergronden. Er zijn drie zwaartepunten: politiek, economie en cultuur. Op elk van die terreinen zouden de prioriteiten opnieuw bepaald moeten worden. Dat is geen eenvoudige opgave, maar het trefwoord zou noodzakelijkheid moeten zijn. Wat moet de burger weten? Verder helpt het al enorm als de franje er wordt afgeknipt. Het privéleven van sterren, politici en tv-presentatoren kan aan gespecialiseerde media worden overgelaten. Lifestyle en luxe hoeven alleen behandeld te worden als dat voor het begrip van de economie noodzakelijk is. Voor consumentenzaken is er al een Consumentengids. De redactie hoeft alleen belangrijke tentoonstellingen, boeken en films te bespreken. Twee columnisten per dag is misschien wel genoeg.

Idealiter krijg je dan kranten, die alles bevatten wat een burger moet weten en die zo compact zijn dat de kans dat ze gelezen worden ook toeneemt. De huidige praktijk, waarbij de kranten steeds dikker worden terwijl de gemiddelde leestijd steeds verder afneemt, is erg moeilijk uit te leggen. Compacte kranten zouden in het gefragmentariseerde media-aanbod weer een baken kunnen worden. Ze zouden het publieke domein kunnen heroveren, het terrein dat nu uiteen dreigt te vallen in niches voor doelgroepen en subculturen.

Versmalling van redactionele formules is minder exotisch dan het lijkt – zie het experiment met nrc.next, een compacte krant voor een nieuw publiek, zonder bijlagen. De lezers stellen een compacte krant meer op prijs dan veel krantenmensen denken. Toen NRC Handelsblad op donderdag 15 juni 2006 ten gevolge van een computerstoring met een dunne noodeditie kwam en de hoofdredactie en de directie zich daarvoor uitvoerig excuseerden, reageerden verscheidene lezers met de opmerking dat ze het helemaal niet erg zouden vinden als ze elke dag zo’n dunne krant op de mat zouden vinden. In de woorden van drs. H. I. van Dommelen, ‘abonnee sinds vele jaren’: Een geweldige verbetering, de noodeditie van de NRC.’

Het voorbeeld van nrc.next maakt bovendien duidelijk dat ‘de moederkrant’ al lang niet meer het enige platform voor het bedrijven van serieuze journalistiek is. Juist omdat jongere lezers andere eisen stellen kan pro?lering een zinvolle strategie zijn. Dat geldt ook voor het beter benutten van audiovisuele media en het internet. Een digitaal kanaal is tegenwoordig met betrekkelijk geringe kosten te verwezenlijken. Serieuze journalistiek is niet gebonden aan krantenpapier. Publicatie in papieren en digitale ‘afsplitsingen’ voor diverse groepen afnemers veronderstelt wel het in stand houden van volwaardige redacties met gespecialiseerde journalisten. Tegelijkertijd worden die redacties gedwongen zich rekenschap te geven van de logica van de nieuwe media en de eisen die de afnemers aan die media stellen. Juist als het gaat om verrijking van het kale nieuws door veri?catie, duiding en context valt er in het digitale universum nog steeds een wereld te winnen. M

De kranten worden breder, maar een onomkeerbare vervlakking kan daarvan het resultaat zijn.

Het zelfbeeld van de journalist als waakhond van de democratie vinden sommigen valse romantiek.

Warna Oosterbaan is redacteur van NRC Handelsblad en bijzonder hoogleraar Journalistiek en Samenleving aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Hans Wansink is parlementair redacteur en commentator van de Volkskrant. Vorige maand werd aan hem de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek uitgereikt.