De jacht is geopend op de ‘überzwijnen’ van de Gran Sasso

Hoe koestert een land zijn natuur? Onze correspondenten reizen deze zomer langs natuurparken. Op zoek naar de Slavische giganten van de Gran Sasso.

Daar zit-ie dan, Antonio Orlandi. Apetrots. Bovenop een reusachtig mannetjeszwijn van 120 kilo dat hij zojuist met één schot heeft geveld. Drie uur mochten tien jagers in de schemer van de avond langs de bosrand wachten op zwijnen. Alles onder de strenge controle van zes parkwachters. Slechts een varken kwam in zicht. Dat van Orlandi. De ingewanden heeft hij er net persoonlijk uitgesneden en nu gaat hij op de foto voor zijn moment van glorie.

Voor het eerst sinds vijftien jaar mag hij met zijn collega’s weer jagen in het nationaal natuurpark Gran Sasso e Monti della Laga. Een park in het hoogste deel van de Apennijnen ruim 100 kilometer ten oosten van Rome. Een park met een kleine – maar wel de zuidelijkste – gletsjer van Europa en met de fabelachtige, uitgestrekte hoogvlakte, Campo Imperatore, ook bekend als Klein-Tibet.

Jarenlang waren de jagers en parkbeheer hier gezworen vijanden. Toen in 1991 het nationaal park werd gecreëerd verloren de jagers in een keer 150.000 hectare aan jachtgebied en dat hebben ze nooit kunnen verkroppen. Het is door dit zelfde jachtverbod dat de zwijnen vijftien jaar later een plaag zijn geworden. En dat terwijl het niet eens om autochtone zwijnen gaat.

De kleine Romeinse exemplaren waren al vroeg in de twintigste eeuw afgeschoten. In de jaren zestig en zeventig hebben jagers daarom stiekem een type ‘überzwijnen’ uit Oost-Europa geïmporteerd: Slavische giganten die drie keer zo groot worden als de autochtone beestjes. Zwijnen die tweemaal per jaar tien tot vijftien jongen krijgen, terwijl de Romeinse exemplaren jaarlijks maar twee biggen grootbrachten. Na de instelling van het park en de afschaffing van de jacht konden de Slavische zwijnen zonder natuurlijke vijanden het gebied overnemen rond de hoogste berg van de Apennijnen, de Gran Sasso.

20.000 zijn het er nu al volgens de president van het park, Walter Mazzitti. „Het zijn net tanks. Als een auto tegen ze aanrijdt heeft het varken niks en is de wagen total loss.” Vorig jaar zaaiden twintig zwijnen angst en vernieling in het dorpje San Pietro in het park. „De zwijnen bedreigen onze goede relaties met de boeren in het gebied, omdat ze alles opvreten wat op hun weg komt: aardappelen, druivenplanten, tomaten.”

Inmiddels kosten de varkens de parkdirectie handen vol geld. „Eenderde van onze begroting gaat op aan het uitbetalen van schadevergoedingen aan boeren en burgers die zijn getroffen door de beesten. We keren jaarlijks een miljoen euro uit.” De zwijnen zijn volgens de parkdirectie duidelijk te ver gegaan. En dus huurde het park de afgelopen jaren een bedrijf in dat ze in kooien ving en afvoerde naar een abattoir.

Woedend waren de jagers, vertelt Mazzitti. „Paradoxaal genoeg verweten ze ons als parkdirectie dat we de fauna in het park aantastten.” Toen ook de milieubeweging zich ermee bemoeide en stelde dat de in de kooien gevangen zwijnen te veel stress hadden, kwam de weg vrij voor het historische akkoord met de jagers. 140 van hen hebben inmiddels een opleiding van 36 uur gekregen, 1.020 collega’s staan op de wachtlijst. De lokale woudpolitie heeft de zwijnen geteld en de parkdirectie besloot dat er dit jaar 1.124 mogen worden afgeschoten. Na wat bureaucratische vertragingen konden de jagers begin juli aan de slag. „Dit is heel speciaal”, aldus jager Angelo Salso. „We komen nu tot elkaar.” Al geeft hij toe dat de streng gecontroleerde jacht een surrogaat is. „Je mist de muziek van de blaffende honden die achter de zwijnen aanjagen.”

Ook op andere punten werkt de parkdirectie aan compromissen met bewoners. „Tot vijf jaar geleden haatten de mensen in deze streek het park”, vertelt Mazzitti. Nu willen gemeenten buiten het park ineens toetreden tot het beschermde gebied. „Ze zien dat we investeren in schadevergoedingen, in het uitdelen van schrikdraad om de varkens buiten de volkstuinen te houden. We hebben zelfs maïs en aardappelvelden speciaal voor de varkens, zodat ze uit de buurt blijven van de teelt van de mensen.”

De tijd van het rigide en bijna sektarische natuurbeschermen is voorbij. Mazzitti: „In het verleden had de mens niets te vertellen in het park. Maar bij modern natuurbeheer hebben volgens ons plant, dier en mens gelijke rechten.”

Sinds vijf jaar probeert de parkdirectie ook het cultureel erfgoed van het park te herwaarderen. Veel dorpjes waren de vorige eeuw leeggelopen. Het eeuwenoude systeem waarbij miljoenen schapen in de zomer naar Campo Imperatore kwamen en in de winter vierhonderd kilometer naar het zuiden naar Apulië afzakten, kwam tot een einde. Mensen verloren hun werk, ontvluchtten de strenge winters waarin het wel min 20 graden kan worden en emigreerden massaal naar Amerika, Canada, Australië en Europese landen.

Ex-burgemeester Antonio D’Aloisio van het dorp Santo Stefano di Sessanio zag ook familieleden vertrekken: „Ze gaven de sleutel af aan hun buren tot de laatste was vertrokken en dan trad het verval in.” Een verval dat met hulp van het park, de regio en EU-fondsen nu is gekeerd. Santo Stefano is prachtig gerestaureerd en heeft nu 250 kamers voor ecotoeristen. „Het is ons model van hoe het moet”, zegt Massitti. De bewoners hebben weer een inkomen, er is centrale verwarming, en het dorp leeft weer zoals in de tijd dat de Medici hier de baas waren.

Het is dit succes dat gemeenten van buiten het park er toe heeft gebracht aan te dringen op opname in het park. Ze zien ook dat de parkdirectie helpt bij het toekennen van speciale keurmerken voor kaas, honing, forel, olijfolie, bonen, worsten en kikkererwten die in het park zijn geteeld, geoogst of gevangen. „Producten waar stedelingen extra voor betalen, omdat ze puur zijn”, aldus Mazzitti.

Jager Orlandi heeft moeite zijn pure zwijn van 120 kilo op zijn aanhangwagentje te tillen, maar met hulp van de parkwachters lukt het. Twaalf varkens zijn nu afgeschoten dit jaar. Nog 1.112 te gaan. „Dat gaat nooit lukken”, erkennen de parkwachters. Temeer daar in augustus niet mag worden gejaagd, om toeristen te beschermen tegen verdwaalde kogels.

Het zal dan ook niet lang meer duren of de jagers krijgen weer concurrentie van het bedrijf met de kooien, verwacht parkwachter Luca Festuccia, die na de zwijnenjacht met zijn maat Renzo de bergen in trekt om met de wolven te gaan huilen: „Ze antwoorden echt als ik mijn megafoon richt en het cd-tje met wolvengehuil afspeel.”

Dit is deel vijf in een serie. Eerdere delen zijn te lezen op www.nrc.nl/buitenland