BOZE SPUITGASTEN

Iedereen wil een brandend huis uit, maar brandweerlieden willen er juist in. Om mensen te redden. Maar ze halen ook vastgevroren vogels van het ijs en ze reanimeren bewusteloze grijsaards. Een half jaar geleden kwamen de spuitgasten in actie, want hun vroege pensioen werd afgeschaft. Nu het stof is neergedaald lijkt het erop of ze gewonnen hebben. Portret van de Amsterdamse brandweer.

Bob Goede, al twintig jaar bij de brandweer, vergelijkt de brandweerman met een spits van Ajax. ‘De hele wedstrijd zie je hem niet en plotseling in de 89ste minuut moet hij razendsnel in actie komen. Begin dit jaar hadden we midden in de nacht een uitruk naar een bordeel op de Stadhouderskade. Dan gaat je hartslag van een toestand van diepe rust naar volle actie. Het ene moment lig je nog te slapen en twee minuten later valt het gesprongen glas van tweehoog in je nek en ga je een pand in waar het een paar honderd graden is om die mensen uit de brand te redden. Welke imbeciel doet dat nou? Wij doen dat. Wij moeten mensen altijd uit de stront helpen. En ik wil jou wel eens zien, als je in een cafeetje staat met opa die op de grond ligt dood te gaan. Alle kinderen en kleinkinderen staan er omheen en jij moet opa reanimeren, terwijl hij net gebraakt heeft.’

‘Als je uitrukt, weet je meestal niet wat je te wachten staat’, vertelt zijn collega Roel Nolet. ‘Alarm van een brandmelder is negen van de tien keer niks. Maar we moeten er altijd naar toe, altijd! En de spanning is hetzelfde. Het kan een rokend pannetje vet wezen of een forse uitslaande brand.

‘We zitten nu te praten, maar het kan zijn dat ik over drie minuten bij een brandend pand sta. Wij moeten overal binnen gemiddeld 5,5 minuten wezen. Je moet je bed uit, je brandweerkleding aan, er naar toe. Daarna kruip je weer in je bedje, maar het duurt wel anderhalf uur voor je weer in slaap bent gevallen. En dan moet je niet de pech hebben dat er weer een oproep komt, ben je de hele nacht in touw. Dat weten de mensen niet.’

Ruim tien maanden onderhandelde de ambtenarenvakbond AbvaKabo in 2005 met de gemeenten over een cao voor alle 200.000 Nederlandse gemeenteambtenaren. Maandenlang werd het overleg verlamd door één heet hangijzer: het Functioneel Leeftijdsontslag (flo). Dat garandeerde dat circa 5000 brandweermensen en ambulancewerkers op hun 55ste mochten stoppen met werken, en tot en met hun zestigste 80% en daarna 70% van hun laatstverdiende salaris kregen. De gemeenten wilden het flo afschaffen, de vakbond was mordicus tegen. Toen begin december een voorlopig akkoord werd gesloten tussen de vakbond en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng), waarin het flo in zijn oude vorm grotendeels werd afgeschaft, voerden brandweerlieden door het hele land wilde acties voor het behoud van hun recht. In Amsterdam en Rotterdam werden zelfs militairen ingezet om brandweerkazernes te bemannen. Waarom liepen de gemoederen zo hoog op? Goede en Nolet zitten in de A-ploeg van brandweerkazerne Dirk, een mooi 19de-eeuws bakstenen gebouw aan de Hobbemakade bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Kazerne Dirk telt 40 brandwachten, zoals de mannen zichzelf noemen. Een ploeg van negen man doet telkens een etmaal dienst voor de uitruk, van ’s morgens acht tot ’s avonds acht. De brandwachten kunnen in alle kazernes door heel Amsterdam ingezet worden.

Eind januari 2006. Ik kom binnen als de hele ploeg in de kantine net aan de avondmaaltijd gaat. Een reusachtige, dampende restaurantwok met bami wordt leeggeschept. De gezinspot sambal gaat van hand tot hand. De mannen zijn witheet op burgemeester Cohen, op hun eigen commandant en op de vakbond AbvaKabo. En ook journalisten vertrouwen ze niet meer. Het cao-conflict heeft de onderlinge band, al buitengewoon hecht, alleen maar versterkt. De kazerne is hun tweede huis. Bovenin het gebouw zit een krachthonk, waar dagelijks getraind wordt. En er is ook een kluszolder. Ze werken met elkaar, sporten en koken met elkaar, eten, slapen en dollen met elkaar. En ze delen ook de trots op het vak met elkaar. ‘Voor de meesten van ons is het een jongensdroom’, zegt brandwacht Marco Gouwerok een paar weken later. ‘Het klinkt raar, maar als er een echte brand is, ben je als een kind zo blij, omdat je dan eindelijk kan doen waarvoor je in het vak zit: mensen redden. Als hier het alarm gaat, dan gaat de adrenaline al stromen. Je komt aan, ziet de vlammen uit het pand slaan, dan weet je dat je aan de bak moet en krijg je nog een extra shot. Iedereen gaat als de sodemieter naar buiten, jij gaat naar binnen. Die brand bedwingen. Dat niet een heel pand verloren gaat. Iedereen wil naar boven.Voor die kick ga je bij de brandweer.’

Autoladder

Volgens het jaarverslag van de Amsterdamse brandweer bestaat het beroepskorps sinds 1847. Het is het oudste en grootste korps van Nederland. Er werken zo’n 800 mensen, waarvan 550, mannen en (bijna geen) vrouwen, bij de uitrukdiensten, verdeeld over twaalf kazernes door de hele stad met namen als Dirk, Hendrik, Pieter, Nico en IJsbrand. Het korps heeft twee vrijwilligerskazernes: kazerne Maxima in Driemond en kazerne Landelijk Noord in Ransdorp.

Kazerne Dirk heeft twee voertuigen: een autoladder en een autospuit. Bij de standaard-uitruk worden twee autospuiten van twee verschillende kazernes ingezet, en één autoladder.

In sommige Amsterdamse wijken, zoals het centrum, de Pijp en de Jordaan, rukt ook nog een tweede autoladder uit, omdat de kans dat een wagen vast komt te zitten groot is. Op de autoladder zitten twee brandwachten: een chauffeur en de chef ladder. De chef ladder bepaalt waar de ladder komt te staan en gaat in het ‘bakkie’ naar boven. Op de autospuit zitten zeven man. De samenstelling van die ploeg wisselt per 24-uursdienst. Elke brandwacht krijgt ’s ochtends bij het begin van zijn dienst een rangnummer van de brandmeester. Voorin de cabine zitten de chauffeur en de brandmeester, de bevelvoerder. In de tussencabine zitten vijf man met de nummers 1 tot en met 5. De nummers 1 en 2 zijn de redders. Zij moeten direct naar binnen en mensen redden. Maar nooit zonder nummer 3 die de waterslang bij zich heeft en nummer 4 die nummer 3 helpt bij het naar boven brengen van de slang. Nummer 5 helpt de chauf- feur met de wateraansluiting. Zij zijn verantwoordelijk voor de waterwinning. Als nummer 5 de eerste spuit aangesloten heeft, gaat hij door met de tweede en de derde spuit, als dat nodig is. De brandmeester heeft de leiding op de brandlocatie en bepaalt of er auto’s bij moeten komen. Bij een hele grote brand komt er een officier bij die de leiding overneemt.

De Amsterdamse brandweer werkt altijd met de ‘binnenaanval’: de redders gaan altijd het brandende pand in om binnendoor de brand te blussen. ‘De binnenaanval is omstreden, omdat het als gevaarlijk wordt beschouwd’, zegt hoofdbrandwacht Bob Goede. ‘Maar wij vinden dat we altijd naar binnen moeten om te kijken of er nog iemand is. Dat weet je namelijk nooit zeker.’

De kazerne

Het schema van de diensten is ingewikkeld. Brandweermannen draaien drie maal een 24-uursdienst met steeds een etmaal vrij er tussendoor, dan drie dagen vrij, dan weer drie maal een 24-uursdienst met steeds een etmaal vrij er tussen. En dan vijf maal een etmaal vrij. Vervolgens begint die hele cyclus weer opnieuw. Een brandwacht weet nooit wat voor een dag het is.

De Amsterdamse kazernes krijgen gemiddeld 32 uiteenlopende meldingen per week, waarvan vier voor brand. ‘Wij maken deuren open, helpen mensen die zich buiten gesloten hebben, we reageren op gasluchtalarm, mensen die een rare lucht ruiken’, zegt brandwacht Roel Nolet. ‘In de winter halen we vastgevroren vogels van het ijs. Je kunt het zo gek niet bedenken. Soms hebben we drie weken geen brand, soms in één dag drie uit- › slaande branden. Ik word weleens pissig van mensen die roepen: “Ik zie ze de hele dag rondhangen”. Ze hebben geen idee wat wij allemaal doen. Erg frustrerend. Wij moeten bijvoorbeeld elke dag anderhalf uur verplicht sporten. Dat doen we niet voor de lol, dat is noodzaak. En verder moeten we zelf het gebouw schoon houden, kleren wassen, boodschappen doen en koken. We hebben regelmatig trainingen en oefeningen. Dan heb je de controles: de gebruikersvergunningcontroles en de zichtcontroles. Bij een zichtcontrole ga je bijvoorbeeld naar een café om te kijken of ze wel voldoen aan alle eisen.’

Of het nou gaat om boodschappen doen, sporten of vergunningen controleren, als de brandwachten de kazerne verlaten, doen ze dat altijd met de hele ploeg en de autospuit. Want ze moeten altijd onmiddellijk kunnen uitrukken.

Fried van Son trad begin april 1977 in dienst bij de uitrukdienst. Op 9 mei brak om zes uur ’s morgens brand uit in hotel Polen tussen het Rokin en de Kalverstraat, de grootste brand die Amsterdam sinds mensenheugenis heeft gekend. Er sliepen 109 gasten in het hotel. Er vielen 33 doden en 21 zwaar gewonden. Van Son bluste niet mee, maar zocht wel de volgende dag naar de verkoolde slachtoffers tussen de puinhopen. Hij hoorde de verhalen uit de eerste hand. ‘Er lagen twee invalide mensen op een balkon te schreeuwen. Die moesten naar beneden gedragen worden, maar dat ging te lang duren. Dus elke keer sloegen ze die mensen weer over. Verschrikkelijk. Ze beslisten over leven en dood.’ Voor alle brandwachten is de stad een plattegrond van verschrikkingen. In de twintig jaar dat hij bij de brandweer werkt kan Bob Goede de slachtoffers niet meer tellen. ‘Dat verkoolde vrouwtje, dat door haar zoon in de fik was gestoken. Daar weer iemand die onder de tram is gekomen. Mensen die gekookt zijn. We moeten vaak deuren voor de politie open breken, treffen mensen aan die half vergaan op hun bed liggen, met monsterlijke grote bromvliegen op de ramen. Mensen met doorgesneden polsen of die zichzelf opgehangen hebben. Dat maak je minimaal tien keer per jaar mee. Soms gaat het goed: dan vinden we een omaatje dat al twee dagen op de grond ligt, maar nog leeft.’

Het conflict

Daarom zijn de emoties over het flo-conflict zo hoog opgelopen bij de brandwachten. Ze zien zichzelf als redders, als mensen die anderen ‘uit de stront halen’, ze werken anderhalf keer zo veel als andere ambtenaren. Ze worden daarvoor niet volledig betaald en als stank voor dank dreigde hun enige compensatie hen afgenomen te worden.

De gemeenten hadden wel een paar stevige argumenten. In stand houden van de regeling werd domweg te duur. Per 1 januari schafte het kabinet de fiscale subsidie van alle vut-regelingen af. En het flo valt daar onder. Daarnaast stond het flo op gespannen voet met de Wet gelijke behandeling, die verbiedt om werknemers voor hun 65ste te ontslaan als daar geen goede ‘objectiveerbare’ reden voor is. ‘Bijvoorbeeld op basis van de fysieke en psychische gesteldheid van de werknemer.’ ‘Het flo is géén verworven recht, maar een financiële compensatie voor het vaak fysiek zware werk’, zegt burgemeester Job Cohen, terugblikkend op het conflict. ‘Maar een algemene norm kan niet aangelegd worden. De ene werknemer kan na zijn 55ste wel doorwerken, voor een ander is het medisch niet verantwoord. Ik vind het allemaal sterke argumenten om het flo af te schaffen. Natuurlijk heb ik begrip voor de emoties van de brandweermensen. Daarom heb ik een keer uitvoerig overlegd met de Ondernemingsraad en ik ben een keer naar een kazerne gegaan om met alle mensen daar te praten. Dat leidde er niet toe dat we tot elkaar kwamen. Nu ik terugkijk, zou ik het niet anders aangepakt hebben.’

De brandweerlieden hadden twee argumenten voor handhaving van hun privilege. Hun beroep is lichamelijk én geestelijk te zwaar om tot de gebruikelijke pensioenleeftijd uit te oefenen. Maar ze vinden dat ze daarnaast nog een ijzersterk argument hebben. ‘Wij werken gemiddeld 54 uur per week, tegenover de 36 uur van andere ambtenaren’, zegt Bob Goede. ‘Die 54 uur krijgen wij niet volledig betaald. Voor de nachturen krijgen wij bijvoorbeeld 1,50 euro per uur. Ook de uren die wij wachtend of slapend op de kazerne doorbrengen, beschouwen wij als werk. Als Cohen met gasten gaat dineren, is dat voor hem ook werk. Sterker nog: het Europese Hof van Justitie heeft in het Simap- arrest en het Jaeger-arrest uitgemaakt, dat wachttijd inderdaad werk is. Met andere woorden: als wij 55 zijn hebben wij meer gewerkt dan een andere werknemer die tot zijn 65ste werkt. Dat vonden wij nooit erg omdat we het flo hadden. Dat was onze compensatie. Maar de politiek wil gewoon niet over betaling van die uren praten. We hebben er recht op, maar we krijgen het niet.’

Hier hebben de brandwachten een sterk argument, moet ook de gemeentewoordvoerder toegeven: ‘Het Europese Hof heeft inderdaad bepaald dat alle wachturen volledig betaald moeten worden. Over de gevolgen van die uitspraak wordt nu nagedacht. Alles ligt nog open. We hebben nog geen formeel standpunt.’ Het arrest heeft bovendien ingrijpende gevolgen voor de 24-uursdiensten, omdat de Nederlandse Arbeidstijdenwet en ook Europese richtlijnen bepalen dat werknemers maximaal gemiddeld 48 uur per week mogen werken. De brandwachten zitten op een gemiddelde van 54 uur. Alleen al in Amsterdam zouden er tachtig brandwachten bij moeten komen.

Bob Goede is twintig jaar brandweerman en verdient tussen de 1650 en 1700 euro netto per maand. Daar zit de vaste onregelmatigheidstoeslag van 500 euro al bij. Een brandwacht in opleiding verdient anderhalf jaar lang 1200 euro in de maand. ‘Ter vergelijking: een vuilnisman verdient 1800 euro.’

Het akkoord

Voor Peter Wiechmann, die namens de vakbond AbvaKabo de onderhandelingen voerde, hebben de mannen geen goed woord over. ‘Die vuile leugenaar van een Wiechmann heeft ons gewoon verkocht’, zegt Goede. ‘Hij heeft in eerste instantie het flo weggegeven zonder de achterban te raadplegen.’ Volgens Wiechmann zelf is er geen onderwerp geweest waar de vakbond de afgelopen anderhalf jaar zoveel energie en tijd in heeft gestoken als juist het behoud van het flo. ‘Het is absoluut onjuist dat wij de leden niet hebben geraadpleegd’, zegt Wiechmann. ‘Maar na het akkoord wilden veel leden de vergadering niet afwachten, en begonnen ze met wilde acties.’

Voor brandwachten die twintig of meer dienstjaren hebben, blijft de oude flo-regeling gelden. Maar alle brandweerlieden die nieuw in dienst komen, krijgen na twintig jaar werken minder belastend werk binnen of buiten de brandweer. Wat voor soort werk is volgens de brandwachten nog volstrekt onduidelijk. De nieuwkomers moeten, afhankelijk van het aantal dienstjaren, na hun 55ste één tot vier jaar langer doorwerken.

Cor Ronner (58), die 33 jaar bij de Amsterdamse brandweer werkte en nu drie jaar met flo is, vindt het eerlijk gezegd ‘een heel goed akkoord’. Hij was als vakbondskaderlid nauw betrokken bij de onderhandelingen en is lid van de adviescommissie brandweer van AbvaKabo, de landelijke vertegenwoordiging van brandweerlieden. ‘Het deel van de jongens dat na hun 55ste moet doorwerken tot 59 jaar, hoeft maar de helft van het aantal uren te draaien en krijgt daar negentig procent van het salaris voor. De pensioenopbouw loopt gewoon door. En deze regeling geldt ook voor de nieuwkomers. Ik had er indertijd zo voor getekend.’

Volgens Ronner heeft vakbondsonderhandelaar Wiechmann altijd open kaart gespeeld. ‘Ik vertrouw hem volkomen.’ In totaal werden door de vakbondsleden acht bijeenkomsten gehouden, waar voortdurend ‘de stand van zaken’ uit de doeken werd gedaan. ‘Wij hoorden steeds van Wiechmann: “Ik breek er niet doorheen. De gemeenten willen hoe dan ook van het flo af.” Wij zeiden: Als het flo om zeep wordt geholpen, komt er gedonder.’

Maar in het eerste voorlopige akkoord werd afgesproken dat brandweermensen na hun 45ste ‘iets anders moesten gaan zoeken’. ‘Dat was voor de collega’s onverteerbaar. Ook werd duidelijk dat het flo toch volledig afgeschaft zou worden. Toen brak al onmiddellijk de pleuris uit en ontstonden de wilde acties en massale ziekmeldingen. Een gevaarlijke situatie voor de brandweermensen en burgers. De burgemeesters raakten in paniek.’

Onbemande kazernes

De acties van de brandweer in december 2005 waren omstreden. Sommigen vonden ze zelfs onverantwoordelijk. Verschillende kranten meldden dat er kazernes onbemand waren, schreven dat de brandweer staakte. Burgemeester Cohen besloot om militaire brandweerlieden in te zetten. Het beeld blijft onduidelijk. De brandwachten die ik spreek, presenteren deze versie. ‘Wij mogen niet staken’, zegt Roel Nolet. ‘Dus wat is er gebeurd? De ploeg die in dienst was, is na afloop van de dienst niet naar huis gegaan, maar is bij wijze van actie in dienst gebleven. Drie 24-uurs diensten lang. Dus de veiligheid in de hele stad was gewaarborgd. De kazernes zijn nooit onbemand geweest, zoals Cohen in de krant zei. Wij hadden gehoopt dat hij zou zien dat het ons ernst was, maar hij wist van geen wijken en heeft ons zwart gemaakt. Dat heeft veel kwaad bloed gezet.’

Volgens de gemeentewoordvoerder kreeg burgemeester Cohen van de brandweerleiding te horen dat ‘de basisbrandweerzorg in de stad niet meer gegarandeerd kon worden door de staking. Hij hoorde ook dat een aantal kazernes niet was bemand. Toen heeft de burgemeester besloten om bijstand bij de minister van Binnenlandse Zaken te vragen.’

‘Wij zijn het hard gaan spelen, omdat het gewoon niet anders kon’, zegt Goede. ‘Er zit zoveel zeer bij de brandweer. Kijk als je bij Shell werkt, kun je de raffinaderij plat leggen en heb je een paar dagen later de cao rond. Wat moeten wij doen? Met vlaggetjes lopen? Een enorme meerderheid, zo’n 98 procent, denkt erover als ik. We werden gewoon in de zeik genomen door dat grijze zooitje van de vng. Het is geboefte. Ik ben daar witheet over.’

Na afloop van de acties waren er massale ziekmeldingen. Hoe zat dat? ‘Dat was absoluut geen actie. Driehonderd man was echt ziek’, zegt brandwacht Marco Gouwerok. ‘Ik was 72 uur achter elkaar in touw geweest. Daarna trok ik het niet meer. Maar de leiding zei: die massale ziekmeldingen kloppen niet.’

Maar of de kazernebezetting na die 72 uur nog ‘normaal’ was, daar krijg ik niet echt een duidelijk antwoord op. Eigenlijk blijkt geen van de betrokken partijen het precies te weten. ‘Volgens mij waren toen niet alle kazernes meer volledig bezet’, zegt Goede. ‘Maar dat weet ik niet zeker. Wij waren toen gesloopt, zij zaten ook op de rand en dachten: laten wij het leger maar laten komen.’ Volgens Ronner was er wel degelijk een riskante situatie ontstaan. ‘Op enig moment waren er vier kazernes met Amsterdammers bezet, drie of vier met militairen en er waren ook drie of vier kazernes niet bezet.’

Is het FLO eigenlijk wel afgeschaft? Op grond van de feiten die Ronner presenteert, kun je dat niet volhouden. En dan is de boosheid van de brandwachten niet helemaal te volgen. Maar hun kwaadheid over de niet of nauwelijks betaalde uren die ze op de kazerne moeten doorbrengen lijkt terecht. Wachturen zijn werkuren, bepaalde het Europese Hof van Justitie, en die moeten gewoon betaald worden. Zeker gezien de bepaald niet riante salarissen die de brandweermannen verdienen. De hevigheid van hun verzet begrijp je pas echt, als je ziet dat één aspect een enorme rol speelt in het conflict. Het wordt nooit uitgesproken: gekwetste trots. Ze zien zichzelf als redders. Ze zitten in het vak om mensen te helpen, nemen daarbij soms grote persoonlijke risico’s. En krijgen daarvoor te weinig erkenning. M

Paul Andersson Toussaint schrijft regelmatig voor M.

Martijn van de Griendt is fotograaf.

‘Het kan een rokend pannetje vet wezen of een forse uitslaande brand. Maar de spanning is hetzelfde.’; ‘Als hier het alarm gaat, dan gaat de adrenaline al stromen.’; ‘Toen brak al onmiddellijk de pleuris uit en ontstonden de wilde acties en massale ziekmeldingen.’