Werk in het Westen

Westerse handarbeiders zijn in de wereldeconomie van vandaag niet meer zeker van hun baan. Dat is een verschijnsel dat nu al zo lang aan de gang is, dat er een zekere berusting is ingetreden. Het zij zo. Dat industriële banen worden uitbesteed aan verre, opkomende industrielanden, of dat er afdelingen van een bedrijf naartoe worden verplaatst, geeft de westerse werknemer vooral de kans om zelf hoogwaardiger werk te gaan verrichten. Het maken van kwalitatief hoogstaander producten hoort daarbij, en een overstap naar de dienstensector waar geavanceerde economieën het steeds meer van moeten hebben. Maar wat als er ook banen in de dienstensector beginnen te verdwijnen? Het Unilever-concern is, na protesten, nu in gesprek met enige tientallen boze administratieve medewerkers. De reden is dat hun banen worden verplaatst naar Oost-Europa.

Witteboordenwerkers zijn de volgende categorie werknemers van wie de werkgelegenheid niet langer vanzelfsprekend is. De internetrevolutie, die krachtige bundeling van automatisering en telecommunicatie, heeft ervoor gezorgd dat het er niet langer toe doet waar veel arbeidsintensieve diensten worden verricht. Polen kunnen het werk ook, of uiteraard Indiërs. Vrijwel alle grote Nederlandse banken hebben al administratief werk verplaatst naar lagelonenlanden, de grote industriële- en dienstenconcerns ook. De grote spelers op dit gebied, die al vele tienduizenden mensen in dienst hebben, zijn concerns als Accenture en, vanuit India, Infosys. Veel wijst erop dat dit verschijnsel nog maar in de beginfase is. Als de personeelsadministratie zomaar kan verdwijnen, dan kunnen de verzekeringsadministratie of het debiteurenbeheer, om maar een paar bedrijvigheden te noemen, dat ook.

Is deze situatie verontrustend? Een waardeoordeel heeft slechts een symbolische betekenis. Nederland maakt deel uit van grotere verbanden en kan zich niet zomaar onttrekken aan de wetmatigheden van de internationale economie. Bovendien is de werkloosheid al weer een van de laagste in Europa, hetgeen suggereert dat de economie goed reageert op de veranderende omstandigheden en dat het wel meevalt ondanks alle voorspellingen over hel en verdoemenis. Dat er werk in de dienstensector verdwijnt naar lagelonenlanden zorgt voor een betere winstgevendheid van de bedrijven hier. Als simpele diensten goedkoper worden, houdt de consument meer geld over voor andere zaken. Maar die consument is ook werknemer, en er moet ook op de langere termijn wel werk blijven.

Het ligt voor de hand te stellen dat ook de witteboordenwerker zelf een stapje hoger op de ladder zet en hoogwaardiger werk gaat verrichten. Dat is allereerst zijn eigen verantwoordelijkheid. Maar er ligt hier ook een taak voor het bedrijfsleven. Dat moet blijven werken aan de individuele inzetbaarheid, de employability, van zijn personeel, opdat het ook makkelijk elders aan de slag kan.

De werkelijke basis voor een economie die slagvaardig is en blijft, wordt nog steeds gelegd in het onderwijs, en dat is een taak voor de overheid.

Een investeringsimpuls in hoogwaardig onderwijspersoneel en in middelen over de hele linie, van basisonderwijs tot de universiteit, is in de globaliserende wereld van vandaag geen luxe, maar harde noodzaak.