Vrij zijn is meer dan alles kunnen kopen

Tweehonderd jaar geleden werd de liberale filosoof John Stuart Mill geboren.

Populisme en individualisme waren volgens Mill onverenigbaar.

Begin april kwamen geleerden en studenten uit de hele wereld bij elkaar om aan de Universiteit van Londen stil te staan bij de tweehonderdste geboortedag van John Stuart Mill (1806-1873). Ze kwamen bijeen voor een groots opgezette conferentie waarop het geestelijk erfgoed van de beroemde pleitbezorger van individuele vrijheid en vrouwenrechten, van alle kanten werd bekeken.

In de potpourri van onderwerpen die de conferentie opleverde (‘hoe groen is Mill?’), was er één vraag die steeds weer opdook: kunnen Mills inzichten van waarde zijn om de verschraling van het hedendaagse liberalisme tegen te gaan? Het hedendaagse liberalisme lijkt meer en meer in het teken te staan van overmatig consumentisme; van doorschietend gelijkheidsdenken, dat het liberalisme soms tot populisme maakt; het huidige liberalisme is te sterk economisch en nauwelijks cultureel gemotiveerd; het individualisme verwordt tot kortzichtig egoïsme.

Maar is Mill niet juist de oorzaak van deze verschraling van het liberalisme? Wie gelooft in het traditionele beeld dat zo vaak van Mills filosofie is geschetst, zal inderdaad denken dat zijn geluksfilosofie de wegbereider is geweest van het hedendaagse consumentisme. Dat traditionele beeld komt hierop neer: Mill dacht dat het menselijk gedrag te verklaren is uit het zoeken van genot en het mijden van pijn. Verder wordt hij vaak getypeerd als iemand die geloofde dat de vrijheid van economisch handelen de kortste weg was naar welvaart en sociaal welzijn. Zijn filosofie van geluk, welvaart en nuttigheid culmineerde in een klassiek geworden pleidooi voor bescherming van de individuele vrijheid: On Liberty (1859). ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu soeverein’, schreef Mill, na eerst een ‘zeer eenvoudig principe’ (‘harm-principle’) te hebben geformuleerd: schaadt men alleen zichzelf, dan is collectief ingrijpen niet gerechtvaardigd. Laat iemand vooral op zijn eigen blaren zitten. Nog steeds veelgehoord is ten slotte de opvatting dat Mill in On Liberty een louter ‘negatief’ vrijheidsbegrip hanteerde; vrij zijn betekent in de eerste plaats verschoond blijven van overmatig overheidsingrijpen.

Volgens John Skorupski in zijn Why Read Mill Today? is Mill allerminst de bron van liberale verschraling, maar biedt hij juist een uitweg uit de impasse. Mill zou een liberalisme bieden dat intellectuele substantie heeft en dat zich niet doctrinair afsluit voor andere waarheden. Een denkend liberalisme dus van reflecterende burgers, in plaats van het economisch pragmatisme dat vooral bezig lijkt met veel geld verdienen.

Wat Mills liberalisme voorts kenmerkt, is het normatieve karakter. Mill was een public moralist, zijn politieke filosofie wilde een moreel kompas zijn. Steeds was zijn achterliggende vraag: hoe behoort de mens zich in het publieke domein te gedragen? Niet de intenties die iemand erop nahoudt achtte hij moreel relevant, maar de gevolgen. Een goede daad levert een nuttige bijdrage tot het bereiken van het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal personen. Mill was nooit bang om te beweren dat bepaalde daden of opvattingen objectief goed of slecht zijn. Die manier van denken contrasteert scherp met het waardenneutralisme, waaraan het huidige liberalisme zo verknocht lijkt.

Mill was een zeer kritische erfgenaam van de Verlichting. Niet alleen doordat hij teruggreep op klassieke idealen, maar ook doordat hij zich liet inspireren door de romantische idee van het krachtige, creatieve genie. De waarden die hij uitdroeg, waren geïnspireerd door de Romantiek, met haar sterke accent op persoonlijke ontplooiing en haar fundamentele kritiek op industriële uitbuiting. Net als de romantische dichter Coleridge, waardoor Mill sterk werd beïnvloed, geloofde hij heilig dat de culturele elite van de burgerij het volk diende op te voeden, om het geschikt te maken voor de uitoefening van de nieuwe democratische rechten. Hoewel Mill een overtuigd democraat was, wenste hij het individu dat er afwijkende meningen op nahoudt te beschermen tegen de ‘tirannie’ van de democratische meerderheid en tegen het ‘juk’ van de publieke opinie. Populisme en individualisme waren voor hem onverenigbaar.

Robert Devigne, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Amerikaanse Tufts-universiteit, onderstreept in zijn Reforming Liberalism nog nadrukkelijker dan Skorupski dat het Mill niet alleen ging om vrijheid, maar ook om wijsheid, om human excellence. Hij was, anders dan het hedendaagse liberalisme dat zich heeft aangepast aan de egalitaire samenleving, niet bang voor het verwijt elitair en intellectualistisch te zijn.

Net als Skorupski legt Devigne de verbinding naar het hedendaagse liberalisme, dat de lessen van Mill niet schijnt te kennen en voortdurend terugvalt op het negatieve vrijheidsbegrip van diens voorgangers. Daarmee doen liberalen zichzelf en hun rijke traditie tekort. Misschien is de afstand tot wat we nu onder liberalisme verstaan wel zo groot geworden, dat een volledige terugkeer naar Mill onmogelijk is. Toch laat ook de hernieuwde belangstelling voor Kant zien dat een normatief liberalisme in onze ankerloze tijd weer aantrekkingskracht heeft. Wellicht heeft de eenzijdige associatie van vrijheid met ongebondenheid zijn langste tijd gehad, en staat Mill aan de vooravond van zijn herontdekking. Zijn tweehonderdste geboortedag kan daar een mooie aanleiding voor zijn.

John Skorupski: Why read Mill today? Routledge, 121 blz. € 24, –

Robert Devigne: Reforming Liberalism. J.S. Mill’s Use of Ancient, Religious, Liberal, and Romantic Moralities. Yale University Press, 309 blz. € 46,80

De hoofdwerken van Mill zoals On Liberty en Utilitarianism zijn nog steeds in druk – onder meer in de reeks ‘Penguin Classics’. Bij Boom verscheen Over vrijheid, vertaald door W.E. Krull, 186 blz. € 17,50