Twee keer naar de stad, om wiet te halen

Op de Amsterdamse camping Zeeburg komen jongeren voor de wiet, maar ook om cultuur te snuiven.

Er heerst nog steeds een hippiesfeer.

„Hou van elkaar. It’s all about love, man.” Andrej Mila (24) zwaait zijn dikke dreadlocks naar achteren. Hij zuigt aan zijn joint. Bijna brandt hij zijn vingers aan het kleine stompje. Zijn blote voeten zinken weg in het modderige gras. De Poolse Andrej en zijn vrienden zijn nu vier dagen in Nederland, maar veel hebben ze nog niet gezien. Vanaf de Amsterdamse camping Zeeburg zijn ze twee keer de stad in geweest om wiet te halen. Andrej laat foto’s zien op zijn digitale camera. Daar is de coffeeshop, daar de miniatuurmolen die een diamantverkoper op zijn winkelpand heeft bevestigd. En daar zijn de vrienden blowend tussen de tenten, op veruit de meeste kiekjes.

Wiet mag, op Camping Zeeburg, maar verder dan dat gaat het niet. In de jaren tachtig stond het terrein aan het IJmeer bekend als drugscamping, waar vaak ongeregeldheden uitbraken. Nu is het niet meer zo’n puinhoop. Sinds de huidige eigenaar, Toon Weijenborg, in 1995 beheerder werd, gelden er wat meer regels. Harddrugs zijn verboden en ‘nachtwacht’ Guus treedt op tegen te veel nachtelijk lawaai. Er is een maximale verblijfsduur van veertien dagen.

Amsterdammers worden zoveel mogelijk geweerd. „Die komen òf om achter de meisjes aan te zitten òf om pillen te verkopen”, legt Weijenborg uit. „Ik was welzijnswerker en in de eerste jaren op de camping heb ik mijn portie wel gehad. We zijn jaren zoet geweest om de mensen met multiprobleemsituaties weg te krijgen.” Dus zijn er geen stacaravans, want die trekken ongure types aan. Wel is er een kinderboerderij, zijn er blokhutjes en heel veel tenten.

Op deze miezerige ochtend ontwaken de 1200 bezoekers van de camping langzaam. Het was een nacht vol forse regenbuien en de lichte tenten van de meeste backpackers zijn daar nauwelijks tegen bestand. Ze hebben hun tent provisorisch met doeken en grondzeil tegen de regen gewapend. Een blonde jongen warmt onder een paraplu een blik chili con carne op. In het wc-gebouw wordt tandengepoetst en kwebbelen meisjes in het Spaans.

„We zijn begonnen als een echte hippiecamping”, vertelt Weijenborg. „In de zomer zijn we dat nog steeds wel, maar nu komen er ook veel vutters. Die vinden het hier fantastisch. Een doorsnee camping is toch een beetje suf.” De bezoekers komen uit de hele wereld. Tijdens het WK stonden er veel campers met Brazilianen, nu is het wachten op de traditionele grote hausse van Italianen.

Pas de laatste jaren hebben ook Nederlanders de camping ontdekt. Luc van der Schoot en Erica van der Heijde uit Drunen staan er met hun vouwwagen sinds het concert van de Stones, deze maandag. „We hebben de 9 kilometer naar de Arena gelopen”, zegt Van der Schoot. „Daarna besloten we een paar dagen te blijven. De sfeer is goed. Tot een uur of twaalf ’s nachts hoor je wel wat, maar daarna is het doodstil.”

De jongere buitenlanders komen nog steeds vooral voor de coffeeshops naar de camping. De eigenaar deert het niet. Van alcohol worden ze veel agressiever. En de kampeerders vragen heus ook om informatie over de Amsterdamse musea en de grachten. Weijenborg: „Nederlandse jongeren zijn veel grotere cultuurbarbaren.”