Totale perfectie in vocale expressie

Met haar stralend hoge stem was de Duitse sopraan Elisabeth Schwarzkopf een klasse apart. Gisteren overleed zij in haar woonplaats Schruns.

AMSTERDAM, 4 AUG. - De Duitse sopraan Elisabeth Schwarzkopf, gisteren op 90-jarige leeftijd overleden in het Oostenrijkse Schruns, was een van de beroemdste operasopranen en liedzangeressen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Ze was een klasse apart met haar onaantastbare artisticiteit en haar stralend hoge stem die werd gekenmerkt door de totale technische perfectie in expressie en voordracht. In een lied kreeg elke noot die ze zong een zorgvuldige behandeling, als een zelfstandig kunstwerkje.

Als operazangeres excelleerde ze in Mozart en Strauss. Ze was exemplarisch in haar minutieus bestudeerde acteren. Naast de vocale nuances telde het kleinste gebaar: een geraffineerd beloken oogopslag kon essentieel zijn, zoals in haar fameuze rol van de weemoedige Marschallin in Strauss’ opera Der Rosenkavalier.

Schwarzkopf was glamoureus van uiterlijk, voornaam en aristocratisch, ideaal ook voor een andere grote rol: de gravin in Mozarts Le nozze di Figaro. Maar ze was ook degelijk, streng en tüchtig. Zonder kostuum zag ze eruit als de werkster, zei tenor Luciano Pavarotti. Schwarzkopf kende geen compromissen, niet in haar discipline en niet in de professionaliteit die ze van anderen eiste, zoals in de beruchte masterclass die ze, als een vreeswekkende meesteres, in 1987 gaf in Amsterdam. Maar ze kende ook ontspannen en hilarische momenten, zoals in haar fameuze optreden, met Victoria de los Angeles, in Rossini’s Kattenduet, waar ze soms aanminnig klonk maar ook met vlijmscherpe nagels.

Na de oorlog maakte Elisabeth Schwarzkopf een wereldcarrière. Ze trad op in alle grote operatheaters, concertzalen en op festivals zoals in Salzburg. Ze werd overladen met onderscheidingen.

SCHWARZKOPF Onberispelijke, beheerste stem

„De stem van Elisabeth Schwarzkopf klinkt als het zoete gerucht van even aangetipte kristallen bokalen. Haar zingen heeft een voorname, zintuiglijke schoonheid die zich voornamelijk bezighoudt met het ragfijn registeren van de melodie in de meest gedifferentieerde nuances van timbre, ritme en tempo. [...] Een volmaakte stem, onberispelijk beheerst.”

Zó beschreef in 1949 in het Algemeen Handelsblad recensent Piet Tiggers Elisabeth Schwarzkopf na een liedrecital in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Tiggers signaleerde bij Schwarzkopf ook soms enige koelheid. Al die kwalificaties zijn blijven gelden tijdens de wereldcarrière van Schwarzkopf, die tijdens de jaren ’70 in verschillende stadia langzaam tot een einde kwam.

Het Amsterdamse recital was een van de eerste van vele optredens in ons land, zoals in het Holland Festival 1952 in het slotlied van Mahlers Vierde symfonie. bij het Concertgebouworkest onder leiding van de legendarische Bruno Walter.

Olga Maria Elisabeth Friederike Schwarzkopf werd op 9 december 1915 geboren in het dorp Jarotschin bij het toen Duitse Posen, het huidige Poolse Poznan. Na de Musikhochschule in Berlijn, debuteerde ze in 1938 als bloemenmeisje in Wagners Parsifal. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog werd ze lid van Hitlers nazipartij. Pas in 1996 kwam haar Britse biograaf Alan Jefferson met die onthulling: ze had lidmaatschapsnummer 7548960. De toen 80-jarige Schwarzkopf zei dat ze wel het lidmaatschap had aangevraagd om te kunnen blijven werken, maar nooit was toegelaten.

Na de oorlog kreeg Schwarzkopf tijdens een zuivering een werkverbod voor enige tijd, maar dat was door iedereen vergeten. Jefferson, een vriend van Schwarzkopfs in 1979 overleden echtgenoot Walter Legge, beschreef uitvoerig haar vroege carrière voor en tijdens de oorlog. Ze trad op in ‘Heimat’-films en zong voor de SS aan het oostfront. In 1992 had de Engelse koningin Elizabeth II Elisabeth Schwarzkopf benoemd tot ‘Dame Commander of the Most Excellent Order of the British Empire.’ Na Jeffersons biografie zei de Britse cultuurminister David Mellor dat ze niet als ‘Dame’ zou zijn voorgedragen als deze onthullingen eerder bekend waren.

In 1944 kwam Schwarzkopf in dienst bij de Weense Staatsopera, in 1947 debuteerde ze in Londen als Donna Elvira in Mozarts Don Giovanni, en ze zong ook vele andere Mozartrollen, zoals Pamina in Die Zauberflöte. Schwarzkopf glorieerde ook in het werk van Richard Strauss, waarvoor haar stem ideaal was, zoals in de Vier letzte Lieder (1949). Dat was toen eigentijds repertoire, net als Stravinsky’s The Rake's Progress waarin ze in 1951 tijdens de wereldpremière in Venetië de rol van Anne Trulove zong. In 1964 kreeg ze een vaste aanstelling bij de Metropolitan Opera in New York. Ze zong daar vaak de Marschallin in Strauss’ Der Rosenkavalier, een rol waarmee ze op oudejaarsavond 1971 in Brussel afscheid van het operapodium,

Schwarzkopf bleef daarna daarna actief als zangpedagoge. Fameus, berucht zelfs, was de masterclass die Schwarzkopf in 1987 gaf aan jonge zangers in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Ze bleek een vreeswekkend strenge meesteres. Haar ‘Hollands Dagboek’ in deze krant over die periode begon ze zo: „Alsof ik nog een Boris Becker moet worden! Zo ging vandaag mijn tennisleraar weer tegen me te keer. Om een ster van met te maken foetert hij mij me iedere dag twee uur uit.” Diezelfde compromisloze onverbiddelijkheid demonstreerde ze tijdens haar lessen, die werden gevolgd door onder anderen Charlotte Margiono, Miranda van Kralingen en Nico van der Meel.