Stormachtige prelude tot het geluk

Vanaf vandaag begint in het Cultureel Supplement de nieuwe column van Arnon Grunberg, Grunberg onder de Mensen. Voor de eerste afleveringen reisde hij de afgelopen weken als ‘embedded journalist’ mee met de manschappen van de Nederlandse militaire ISAF-missie, die de komende twee jaar helpt bij de wederopbouw van de Afghaanse provincie Uruzgan. „Ik ga proberen de missie te begrijpen.”

‘De toekomst beschouwden wij als ons eigendom, iets dat door niemand werd aangevochten, de oorlog als een stormachtige prelude tot het geluk en het geluk zelf als een eigenschap van ons karakter”, schrijft Isaak Babel in een van zijn verhalen over de Pools-Russische oorlog van 1920. De oorlog, die stormachtige prelude tot het geluk, was ik tot nu toe misgelopen. De verkeerde tijd, de verkeerde plaats, het bekende verhaal. Maar het lot is buigzaam.

Op een dinsdagmiddag om half twee in het hart van de zomer vervoegde ik mij op de luchtmachtbasis Eindhoven om vandaar naar Kabul te vliegen. Dan naar Kandahar. En eventueel nog naar Tarin Kowt, als de veiligheidssituatie het toeliet, zo had defensie medegedeeld.

De veiligheidssituatie, een rekbaar begrip.

Ik ging niet mee als soldaat, zelfs niet als geestelijk verzorger, dat zou ook te veel eer nadat zijn nadat ik op mijn achttiende was afgekeurd. Een psychiater had een brief geschreven en een paar weken later kreeg ik te horen dat het koninkrijk ook in tijden van oorlog geen beroep zou doen op mijn diensten.

Deze reis maakte ik als embedded journalist. Wat ‘embedded’ precies inhield moest nog blijken, en of ik in de strikte zin van het woord een ‘journalist’ kon worden genoemd viel te betwijfelen. Maar net als ‘veiligheidssituatie’ is ‘journalist’ een rekbaar begrip.

Kapitein Cynthia, voorlichtster bij defensie, begroette mij in de vertrekhal van de luchtmachtbasis. Zij zou met me meereizen, tot het einde, naar Afghanistan en weer terug.

Er waren minder familieleden van militairen dan ik had gehoopt. Dramatische afscheidstaferelen bleven me bespaard. Op de uniformen na leek het of we aan het wachten waren op de charter naar Mallorca.

Een jongetje van een jaar of zeven was verkleed als soldaat, hij had een plastic machinegeweer in zijn hand. Voor zijn machinegeweer had hij meer aandacht dan voor zijn familieleden. Hij was het waarschijnlijk gewend, een uithuizige vader.

Ik vroeg me af hoe je zo’n laatste nacht met je familie doorbrengt. Zouden er ook militairen zijn zonder thuisfront, die niets anders achterlaten dan een lege flat en een vogelkooitje? De buurvrouw komt één keer per dag voederen. Hoe minder thuisfront, hoe makkelijker het sneuvelen. Althans in theorie.

Na een halfuur scheidden de vertrekkende militairen – landmacht, luchtmacht, marechaussee -- zich van hen die thuisbleven, de woestijnkleurige uniformen van de uniformen die meer bescherming bieden in het regenwoud. Als enige ongeüniformeerde liep ik naar de incheckbalie. Toch niet de enige. Er was een jongeman, journalist bij de regionale omroep Overijssel, die eveneens ongeüniformeerd naar Afghanistan zou reizen. Hij zei: „Ik wil vooral met militairen uit Overijssel spreken en wat is jouw insteek?”

Mijn insteek. Dat ik meeging voor die stormachtige prelude tot het geluk leek me iets wat ik beter kon verzwijgen. „De mens achter de militair”, mompelde ik. Altijd goed, de mens erachter.

Zo stonden wij in een wachtruimte die niet verschilde van wachtruimtes op andere vliegvelden. Gewone vliegvelden vanwaar mensen op vakantie gaan. Maar oorlog is ook een soort van vakantie. Zoals een militair later in Afghanistan tegen me zou zeggen: „Het klinkt gek, maar ik heb hier rust.”

„Het werkt bij ons als bij Ryanair”, sprak Cynthia. „Wie het eerst binnen is, heeft de beste plaatsen.”

In het vliegtuig van de luchtmacht wilde ik plaatsnemen naast een militair, met verbroederen moet je snel en onverwacht beginnen, maar de militair zei in matig Nederlands: „Nee, hier zit iemand. Bezet. Bezet!” Het bleek om een Afghaanse asielzoeker te gaan die zich nu verdienstelijk maakte voor zijn nieuwe vaderland door te tolken.

De wederopbouw van een vreemd land vraagt uiteraard om tolken. Hoeveel NAVO-militairen spreken Pashtu?

Uiteindelijk kwam ik naast een echte Nederlandse militair te zitten, Tinus, die na een uur gezwegen te hebben, vroeg: „Wat ga je eigenlijk doen in Afghanistan?”

„Ik ga proberen de missie te begrijpen”, fluisterde ik, en daarop mengde sergeant Jordy, die een rij voor ons zat, zich in het gesprek.

De sergeant hield een stuk kaas van Albert Heijn omhoog, alsof het een oorlogsbuit was.

„Waarom neem je kaas mee naar Afghanistan?” vroeg ik.

„Omdat ik van kaas houd”, zei de sergeant. „Voor de eerste weken heb ik genoeg, en daarna sturen ze me uit Nederland kaas toe. Ik heb het aan iedereen gezegd, mijn vriendin, mijn familie, mijn vrienden: stuur maar kaas. In Afghanistan wordt hij vloeibaar, door de hitte, maar dat geeft niet, hij is toch vacuüm verpakt. Je moet hem gewoon even in een koelkastje leggen, dan wordt hij weer hard. Daarna geef je hem een flinke klap om hem in zijn ouwe vorm te krijgen.”

„Ben je al eens eerder in Afghanistan geweest?” informeerde ik.

„Al twee keer”, zei de sergeant, „maar dit keer heb ik een kaasschaaf bij me”. En er verscheen een triomfantelijke lach op zijn gezicht. Hij zei, alsof hij iets vertrouwelijks vertelde: „Als ze eenmaal in de gaten hebben dat je kaas bij je hebt, wil iedereen een stuk. Maar als ze met een zakmes in de kaas gaan snijden, dan is die zo op. Daarom heb ik dit keer een kaasschaaf meegenomen, zodat iedereen een dun plakje krijgt, begrijp je? Zodat ze dit keer mijn kaas niet voor mijn neus opvreten.”

Ik voelde veel genegenheid voor sergeant Jordy die Afghanistan niet onvoorbereid zou betreden. Voor het eerst deze reis meende ik dat mijn voorgevoel me niet had bedrogen. Ik ging iets te weten komen over het geluk dat me al die jaren ontglipt was.

Na een paar uur vliegen werd ik naast overste Nico neergezet. Een leger is meer dan een kaasschaaf. Overste Nico is een lange, goed gebouwde man van een jaar of veertig, die alleen dan op een sportleraar lijkt als je niet goed kijkt. Hij heeft een tankbataljon onder zich. Maar naar Afghanistan ging hij zonder tanks. De mannen van de tankbataljons zijn uitgekozen om de PRT’s te vormen. PRT’s: Provinciale Reconstructie Teams. Het leger bestaat bij de gratie van de afkorting. Zelden heb ik zoveel afkortingen geleerd als gedurende mijn tijd in Afghanistan. Lupa lunchpakket, kobro korte broek, detco detachement commandant. De tijdwinst die dat oplevert ontroert. Vanaf nu heet geluk ge.

Overste Nico was een idealist en hij is het nog steeds. Ooit was hij bij het leger gegaan omdat de Russen zouden komen. Binnen twee uur kon hij met zijn tanks bij de grens met de DDR zijn. Hij had foto’s uit de lucht waar iedere tank moest staan. Tot op de centimeter was alles voorbereid. Maar de Russen kwamen niet.

Overste Nico praatte met zoveel oprechte liefde over tanks dat ook ik ervan begon te houden. Ik begreep dat een tank net zo mooi kan zijn als een geslaagde roman.

Nico zei: „Als het kabinet niet demissionair was geweest, hadden we misschien wel meegedaan aan de oorlog in Irak. Als je altijd maar aan het oefenen bent, wil je toch eens weten hoe goed je in het echt bent. Als je altijd maar aan het schrijven bent, wil je toch ook eens weten hoe je boek het doet onder het publiek.”

Ik knikte vol begrip. Zeker wilde ik dat weten en ik begreep dat hij dat ook wilde weten.

„Maar vind je het dan niet jammer dat je nu naar Afghanistan gaat om te praten?” informeerde ik.

Overste Nico had gezegd dat de PRT’s vooral zouden gaan praten met de Afghanen. Praten, praten, en nog eens praten. Wederopbouw is een kwestie van langdurige conversatie. Je moet vertrouwen winnen of zoals dat officieel heet „winning hearts and minds”. Voor iemand die in een tank de schoonheid heeft gezien, die mij zelfs overtuigd had dat een tank mooier is dan de maagd Maria, leek me dat geen sinecure.

Maar de overste trok een dapper gezicht. Hij en zijn mannen hadden zin in de missie, ook zonder tanks.

„En Srebrenica?” vroeg ik, want ik wilde niet dat het gesprek doodbloedde, nu niet, ik wilde door, verder met de tanks over de Duitse laagvlakte. „Is dat nog een trauma?”

De overste schudde zijn hoofd. „Niet bij deze jongens”, zei hij. „Als ze iets willen zijn, is het niet laf. Kijk, vroeger waren de autogordels niet verplicht en toen stierven er zoveel mensen per jaar in het verkeer. Dat vond iedereen ook heel gewoon. En denk je dat een brandweerman een brandend huis niet binnen zal gaan, omdat de kans bestaat dat hij er niet levend uit zal komen?”

Nu wist ik waarom hij toch net niet op een sportleraar leek. Waar de overste ook keek, overal zag hij de dood naderbij sluipen. Hij was voorbereid op de hinderlaag. En zo had hij ook naar mij gekeken, als naar een hinderlaag.

„Het wordt donker”, zei hij, „dat gaat nu snel. Ik doe nog even mijn ogen dicht.”

Ik vroeg me af of de overste echt zijn ogen dicht zou doen en of hij dan zou dromen over Afghanistan, of toch over de Duitse laagvlakte. En zijn tanks die binnen twee uur bij de voormalige grens met de DDR zouden zijn. Dit keer niet als oefening, dit keer in het echt, eindelijk in het echt. Misschien kwamen de Russen nog een keer. Je wist het niet. Alles is mogelijk. De wereld rook naar slachthuis, maar de KDC-10 van de luchtmacht rook een beetje naar kaas.

„Ik ga ook nog even proberen te slapen”, fluisterde ik.

Ik liep terug naar mijn plaats. Sergeant Jordy had zijn ogen gesloten, in zijn linkerhand hield hij een iPod geklemd.

Middenin de nacht landden we op Sharjah. De Verenigde Arabische Emiraten. De woestijn, een voorproefje van Afghanistan, waar ons hitte was voorspeld die de vijftig graden Celsius zou naderen.

Handbagage moesten we achterlaten in het vliegtuig. We gingen naar buiten, relatief gedisciplineerd maar toch opgewonden, als een schoolklas.

Het vliegveld van Sharjah: twee koffiebars, met drie stukjes citroentaart in de vitrine. Eén winkel met parfum, sigaretten, drank en wat dadels verstopt in een houten doosje dat de koran moet voorstellen. Een lokaal souvenir tussen de flessen Chanel en Christan Dior.

Op twee tv’s die in de hoek van de koffiebar hingen kon men skiën en bobsleeën bekijken, waarschijnlijk om het gebrek aan airconditioning te compenseren.

Van het verbroederen met de militairen kwam weinig. In groepjes stonden ze of hingen ze bij elkaar, maar sergeant Jordy zag ik nergens.

Tot we weer het vliegtuig in mochten. Nog ruim twee uur zou het vliegen zijn naar Kabul. Of we dan verder konden naar Kandahar was onduidelijk. Er werd veel in- en uitgeroteerd, zoals dat heette. Militairen kwamen en gingen, dat betekende het. De vliegtuigen zaten vol. Het was hoogseizoen.

Een militair haalde een krentenbol uit een zakje en begon dromerig te eten. Even had ik het visioen dat zijn vrouw die gisterochtend in de keuken had staan smeren. „Neem maar wat krentenbollen mee”, had ze gezegd, „die zullen ze in Afghanistan wel niet hebben.”

Elders gingen kaneelkussentjes rond. De steward, ook een militair, serveerde een omelet. Aan de andere kant van het gangpad zat een jongen te bladeren in een tijdschrift waarin motoren en half ontklede vrouwen waren afgebeeld. Hij had wel tien van die tijdschriften bij zich, en hij bladerde nerveus. Ik had de indruk dat het hem vooral om de motoren te doen was.

Toen wij aan de daling begonnen, was ik geen groentje meer op het gebied van motoren. Eindelijk: Kabul. Ruim vierentwintig geleden was ik uit New York vertrokken, ik verlangde naar de plaats van bestemming.

Zoals was voorspeld zagen wij de stad door de wolken in een kom liggen. Om Kabul niets dan bergen. En wij cirkelden boven Kabul, wij cirkelden en wij cirkelden en toen lieten wij Kabul achter ons. Het zicht was te slecht om te landen. Wij gingen terug naar Sharjah. Ook een woestijn, maar dan anders.

Ik maakte kennis met het woord „knakmomentje”. Sommige militairen beleefden een knakmomentje. Al met al nam men het gelaten.

Een militair zei: „Het leger is wachten. Eerst wacht je op oorlog, dan wacht je tot je er bent, dan wacht je tot je in actie mag komen, dan wacht je tot je weer naar huis mag.”

Ik dacht dat film wachten was, maar het leger was er niets bij.

Een officier zei dat we waarschijnlijk wel hadden kunnen landen op Bagram, de luchtmachtbasis van de Amerikanen iets ten noorden van Kabul, maar dat we vermoedelijk om politieke redenen geen gebruik maakten van die luchtmachtbasis.

Officieel viel Nederland niet onder de Operation Enduring Freedom, ook wel genaamd OEF, de operatie waarmee Amerika in de herfst van 2001 was begonnen om de Taliban uit Afghanistan te verdrijven en Bin Laden op te pakken. Officieel hadden we daar niets mee te maken. Bagram was ook een gevangenis en men fluisterde dat het er niet altijd even netjes aan toeging. Officieel mogen we ook geen gevangenen uitleveren aan de Amerikanen, alleen aan de Afghanen en dan gaan we in de gaten houden dat de Afghanen niets naars met die gevangenen zouden doen. Ik had het dringende voorgevoel dat wij nooit gevangenen zouden maken, al was het maar omdat iedereen wel begreep dat de gevangenen het dood beter hadden.

Om politieke redenen vlogen wij dus terug naar Sharjah. De politiek zat het leger vooral dwars, met onnodige zorgen en gevoeligheden die geen enkel ander doel dienden dan dat de politicus zich kon indekken, mocht het misgaan. En mis zou het gaan. Bestond er één oorlog waar het niet mis was gegaan? Het bombardement van Belgrado in de lente van 1999, vanuit NAVO-perspectief gemeten, misschien.

Een militair werd aangewezen om de terugtocht naar Sharjah ordentelijk te laten verlopen. De verschillende militairen van de verschillende divisies werden opgenoemd. Tot slot riep hij: „Twee burgers die vallen onder kapitein Cynthia.”

Het was een goed gevoel ergens onder te vallen.

Weer Sharjah. Nog warmer dan daarnet. Weer drie stukjes citroentaart in een vitrine.

Pogingen zouden worden ondernomen ons in een hotel onder te brengen, maar de militaire attaché van de Nederlandse ambassade moest nog even bellen met een kolonel van de Verenigde Arabische Emiraten. Het was niet de bedoeling dat wij als toeristen het land zouden betreden. Zoals wij officieel ook nooit Afghanistan zouden binnengaan. De militairen vielen zowel in Afghanistan als in de Verenigde Arabische Emiraten onder het Nederlandse recht. Juridisch gezien gingen wij helemaal niet naar Afghanistan. Een majoor zou later tegen me zeggen: „Anders krijg je afgehakte handjes.”

Ik vroeg me af of ik ook onder het Nederlands recht zou vallen, mocht ik een misdrijf in Afghanistan begaan.

Op het vliegveld van Sharjah hingen wij rond in afwachting van een fax van defensie. Sommigen probeerden in de koffiebar met hun hoofd op tafel te slapen. Een jonge militair las een afscheidsbrief van zijn vriendin, gescheurd uit een schriftje. Haastig neergekrabbeld.

Ze beloofde hem dat ze veel pakjes naar Afghanistan zou sturen, maat wat er in die pakjes zou zitten, vermeldde ze niet.

Het wachten werd een toestand. Iemand zei: „We doen het voor een bed.” Maar elders werd geroepen dat we nu net zo goed op het vliegveld konden blijven.

Na lange onderhandelingen met de douaniers mochten wij Verenigde Arabische Emiraten betreden. In busjes werden wij vervoerd naar hotel Millenium. Een eeuwige zandstorm leek door deze stad te waaien.

Dan het hotel: de gemiddelde protserigheid van de ternauwernood betaalbare luxe.

Een gezamenlijke lunch met een kleine tweehonderd militairen. Zelfbediening, maar het werd nergens dringen.

Het Nederlandse leger, van hoog tot laag, kan uitstekend met mes en vork eten. En het leger liet het zich smaken.

Ik werd ingedeeld op een kamer met Dennis van luchtmobiel. Broederlijk lagen we naast elkaar. Broederlijk deelden we het internet op de kamer, we hadden allebei een laptop bij ons. Voor contact met het thuisfront.

Wel kwam Dennis zonder kloppen de badkamer binnen toen ik daar stond te douchen, maar ik begrijp dat oorlog en kloppen niet samengaan. Ik droogde mij haastig af, terwijl Dennis een plasje pleegde. Om de situatie niet onnodig te laten escaleren, informeerde ik: „Wat gaat luchtmobiel eigenlijk in Afghanistan uitspoken?”

„Wij gaan de PRT’s beschermen”, zei hij en hij trok door.

Daarna leek het me verstandig een rondje door de lobby van het hotel te lopen. Ook een luchtmobieler wil af en toe alleen zijn. Op een fauteuil zat sergeant Jody. Hij wenkte mij.

„Wat doe jij in het leger?” vroeg ik. „Waarom heb je getekend?”

„Ken je Apocalypse Now? De film?”

En of ik die kende.

„Weet je wat Martin Sheen zegt aan het begin? ‘I’m here a week now, waiting for a mission, getting softer. Every minute I stay in this room, I get weaker. And every minute Charlie squats in the bush, he gets stronger.’ Daarom ben ik bij het leger gegaan.”

Een lid van de Apocalypse Now-sekte, die kwam je niet vaak meer tegen. Maar ik was er ook lid van en ik kon hem aanvullen.

“En weet je wat Martin Sheen daarvoor zegt? ‘When I was here, I wanted to be there. When I was there, all I could think of was getting back into the jungle’.”

Waarschijnlijk is dat de kern van die stormachige prelude, begreep ik voor het eerst.

„Sergeant”, vroeg ik, „mag ik je kaasschaaf eens zien?”

(wordt vervolgd)