Stel je voor dat iemand gelukkig is

De meester-journalist H.L. Mencken is een Amerikaanse legende – ondanks of juist dankzij zijn recalcitrante opvattingen. Zijn liefde voor zijn Duitse voorvaderen vertroebelde zijn denkvermogen.

Marion Elizabeth Rodgers: Mencken. The American Iconoclast. Oxford University Press, 662 blz. €35,50.

Een wereldschrijver in Amerika: die reputatie had de journalist H.L. (Henry) Mencken (1880-1956) al bij zijn leven. Hij werd bewonderd door een groot publiek, maar ook door beroemde collega’s als Walter Lippmann, William Manchester en Alistair Cooke. Al in 1925 verscheen het eerste boek over Mencken en met de nu verschenen biografie van Marion Rodgers nadert het aantal levensbeschrijvingen en monografieën over zijn werk de twintig. Mencken is een Amerikaanse legende die ook vijftig jaar na zijn dood nog wordt gekoesterd en geknuffeld, ondanks – of misschien ook dankzij – de excentrieke opvattingen waarmee hij zich als ‘iconoclast’ tegen Amerika’s heilige huizen keerde.

Mencken was vooral bijzonder dankzij zijn veelzijdigheid. Hij opereerde als een ouderwetse generalist die de genres van politieke polemiek, sociale reportage en literaire kritiek met even groot gemak beoefende. Lange tijd schreef hij dagelijks in de Baltimore Sun een politieke column en bestierde hij tegelijkertijd zijn eigen literaire tijdschrift, waarin hij Eugene O’Neill en F. Scott Fitzgerald liet debuteren.

In zowel politieke als literaire kwesties hanteerde Mencken het even simpele als moeilijk toe te passen uitgangspunt dat alles wat onecht is, niet deugt (‘I hate fraud’). In de persoonlijke omgang was hij een joyeuze gentleman, onafscheidelijk van wandelstok, hoed en sigaar. Maar achter de typemachine kwam er een ander mens te voorschijn: de vileine kwajongen, de provocateur die grossierde in beledigingen, altijd solidair met een venijnige grap, die hij serveerde in een even directe als ritmische stijl.

Mencken kon over elk onderwerp een pakkend stuk schrijven. Maar het meest interessant waren zijn commentaren op de Amerikaanse samenleving die hij uitwerkte tot beroemd geworden boeken. In Notes on Democracy maakte hij geen geheim van zijn weerzin tegen het vulgaire politieke systeem dat in Amerika voor democratie doorging, maar dat in zijn ogen werd beheerst door de heerschappij van het plebs: mob rule. Demagogen hadden hier vrij spel, zoals volgens Mencken telkens weer bleek bij de presidentsverkiezingen. De kandidaten die elke vier jaar boven kwamen drijven, waren bijna nooit anders dan leeghoofden: ‘The American people prefer vacuüms’.

Moeder

Een ander heilig huis dat tot zijn favoriete doelwitten behoorde was het religieus geïnspireerde moralisme dat bekend stond als puritanisme. In zijn boeken Treatise on Gods en Prejudice definieerde Mencken deze zendingsleer als de knagende angst dat er iemand ergens gelukkig zou kunnen zijn. Het puritanisme was in zijn ogen als een maatschappelijke plaag en de inspiratiebron voor het type politicus dat hij haatte: de hervormer en wereldverbeteraar. Een van de meest weerzinwekkende explaren van dit soort was in zijn ogen de Democratische president Woodrow Wilson (1913-1921), die met zijn slogan ‘making the world safe for democracy’ zijn hervormingsijver tot voorbij de grenzen van zijn eigen land projecteerde. Het optreden van deze zeloot, de leider van een wereldmacht in opkomst, inspireerde Mencken tot de vertwijfelde diagnose: ‘The world is run by an ass’.

Zijn meest interessante boek schreef hij over een aspect van de Amerikaanse samenleving dat hem wél beviel en dat zijn dagelijkse instrumentarium was: de taal. In The American Language, waarvan tijdens zijn leven vele door hemzelf bijgewerkte edities verschenen, besprak hij talrijke varianten van het Amerikaanse slang. De Amerikaanse taal was volgens Mencken veel levendiger en kleurrijker dan het Brits en hij voorspelde een opmars van het Amerikaans die binnen afzienbare tijd de Britse taal tot een dialect zou reduceren.

Na de verschijning van de voortreffelijke biografie die Fred Hobson, hoogleraar Amerikaanse literatuur aan de universiteit van North Carolina, in 1994 publiceerde, leek het onmogelijk deze prestatie te overtreffen. Toch is de freelance journaliste Marion Rodgers, die meer dan twintig jaar aan haar boek werkte, daarin geslaagd. Hobson is misschien beter in de analyse van Menckens boeken, maar Rodgers geeft een veel completer portret van Mencken als persoonlijkheid én laat zien hoe die persoonlijkheid op het werk een stempel drukte. Gebruikmakend van door haarzelf opgespoorde persoonlijke correspondentie, legt Rodgers de nadruk op twee thema’s: de Duitse voorvaderen van Mencken en zijn verhouding tot vrouwen, vooral de band met zijn moeder.

De ouders van Mencken waren kort voor zijn geboorte als immigranten in Amerika aangekomen. Henry, in familiekring ‘Harry’ genoemd, was gefascineerd door het land van zijn voorgeslacht. Ik kom uit een familie, zo grapte hij vaak, die al driehonderd jaar met goede reden een hoge dunk heeft van zichzelf. Hij voelde een diepe verwantschap met een overgrootvader die hoogleraar aan de universiteit van Leipzig was geweest. Mencken hield van Duitsland, dat hij geregeld bezocht, als het land van de cultuur die hij in het vulgaire Amerika miste. Die gevoelens van verbondenheid gingen zo diep dat het door hem zo gevierde gezonde verstand af en toe werd uitgeschakeld. Hij bewonderde keizer Wilhelm II en schaarde zich achter diens regering toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij gruwde van de pro-Britse propaganda die in zijn ogen verantwoordelijk was voor de anti-Duitse emoties die de Amerikaanse publieke opinie beheersten.

In het voorjaar van 1917 reisde hij, nog meer gedreven door solidariteit dan door nieuwsgierigheid, naar Berlijn en vervolgens naar het oostfront. Juist op dat moment kwam de oorlogsverklaring van Amerika aan Duitsland en alleen dankzij zijn goede contacten in Duitse regeringskringen kon Mencken aan arrestatie ontkomen en terugreizen naar Amerika.

Bijziendheid

Zijn pro-Duitse bijziendheid nam nog pijnlijkere vormen aan nadat in 1933 Hitler aan de macht was gekomen. Deze leider was volgens Mencken weliswaar een pathologische geval, maar het gevaar dat hij zou vormen werd in zijn ogen schromelijk overdreven. Het nationaalsocialistische antisemitisme achtte hij een bijzaak, een variant van een algemeen Europees verschijnsel dat in de Angelsaksische wereld werd misbruikt om uitsluitend Duitsland zwart te maken.

Nog in 1938 reisde hij naar Berlijn en kwam terug met de boodschap dat het met de onderdrukking en het racisme allemaal reuze meeviel. In zijn hart wist hij beter. Hij spande zich in om joodse vluchtelingen toe te laten tot de Verenigde Staten, maar bleef zich zelfs na het begin van de Tweede Wereldoorlog verzetten tegen Amerikaanse inmenging aan de zijde van de Britten.

Op subtiele wijze maakt Rodgers duidelijk dat de hechte band met zijn moeder de belangrijkste oorzaak was van de feilen die Mencken in zijn oordeel over Duitsland vertoonde. Het was deze vrouw die zijn diepe verbondenheid met dit land belichaamde. Hij hield teveel van zijn moeder om de waarheid over Duitsland onder ogen te kunnen zien. Tot haar dood in 1925 (Mencken was toen 45 jaar oud) woonde hij met haar samen in het ouderlijk huis. Nooit vergat hij zijn moeder te bellen als hij wegens drukke werkzaamheden de avondmaaltijd niet haalde. Met haarzelf gebakken Kuchen zorgde zij voor de Geselligkeit die hem deed smelten. Als hij niet meer wist wat hij van iets moest vinden – dat gebeurde overigens zelden – gaf zij hem raad.

Dat deze intieme band een handicap was in zijn relaties met andere vrouwen, weet Rodgers goed duidelijk te maken. Mencken was gefascineerd door het andere geslacht, zoals ook blijkt uit zijn boek In Defence of Women. Vooral het vrouwelijke vermogen om de mannelijke soort te doorzien, oogstte zijn waardering: ‘they see the actual man within, and know him for a shallow and pathetic fellow’. Hij had talloze affaires met vrouwen, van wie de een nog mooier was dan de andere. Hoewel hij met zijn kleine en vierkante gestalte allerminst aantrekkelijk oogde, beschikte hij over een charme, humor en generositeit die een grote aantrekkingskracht uitoefenden. Maar telkens weer strandden zijn relaties in wat Rodgers zijn ‘lack of commitment’ noemt: de angst zich te binden.

Toch trouwde hij uiteindelijk, toen hij al bijna vijftig was, met de zeventien jaar jongere schrijfster Sara Haardt (ook zij had Duitse voorouders). Maar de voorgeschiedenis van dit huwelijk was bizar. Hij kende Sara al heel lang, zij was een van zijn beste soul mates, maar ook in deze verhouding leek hij zich niet vast te willen leggen. Tot zij met een ernstige nierziekte werd opgenomen in het hospitaal, waar zij te horen krijgen dat ze nog drie jaar te leven had. Dat was het moment waarop Mencken haar ten huwelijk vroeg. De voorspelde drie jaar werden er vijf. Na haar dood was hij ontroostbaar. Hij keerde terug naar het ouderlijk huis, waar hij tot zijn dood, nu vijftig jaar geleden, zou blijven wonen.

Rodgers vertelt in deze sublieme biografie het persoonlijke drama, maar verheft dit tot een belangrijk hoofdstuk uit de Amerikaanse cultuurgeschiedenis.