Sire, een Titiaan voor u

Kunst speelde in de Europese geschiedenis een grote politiek rol. Dubieuze handelaren, naïeve ambassadeurs en ambitieuze verzamelaars sloegen hun slag.

Leen Huet (vertaling en bezorging): De brieven van Rubens. Een bloemlezing uit de correspondentie van Peter Paul Rubens.Meulenhoff/Manteau, 419 blz. €34,95.

Jerry Brotton: The Sale of the Late King’s Goods. Charles I & His Art Collection. Macmillan, 456 blz. €43,–

Toen de schilder Peter Paul Rubens op 25 juni 1629 een privé-onderhoud met de Engelse koning Karel I had, was dat niet om over kunst te praten. De Venetiaanse ambassadeur Contarini vermoedde al zoiets bij aankomst van de Antwerpse kunstenaar in Londen: ‘Ik weet niet of de koning met hem [Rubens] zal willen spreken, maar wellicht gebeurt dat onder het mom van schilderijen, waar hij zo dol op is’, schreef hij in een van zijn diplomatieke missiven.

Rubens was in Londen met een politieke missie, niet om een artistieke opdracht in de wacht te slepen. Als geheim agent van aartshertogin Isabella, landvoogdes van de Spaanse Nederlanden, had hij tussen 1625 en 1628 door Europa gereisd om te onderhandelen over een mogelijke vrede tussen Spanje en Engeland. Zo’n politiek verbond zou wellicht ook een einde maken aan de vijandelijkheden tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

In april 1629 werd Rubens door Isabella naar Londen gestuurd om een vredesverdrag voor te bereiden en in het kader daarvan ontmoette hij Karel I in diens zomerpaleis te Greenwich. Over dat gesprek onder vier ogen weten we het een en ander, dankzij een uitvoerige brief die de schilder een paar dagen later schreef aan de hertog van Olivares, de eerste minister van Philips IV, koning van Spanje.

Rubens was een enthousiast correspondent, van wie 252 (veelal Italiaanse) brieven bewaard zijn gebleven, gericht aan familie, vrienden, wetenschappers, kunstenaars en aan politieke kopstukken zoals Olivares. Die correspondentie is gepubliceerd, in diverse edities zelfs, maar verbazingwekkend genoeg ontbrak tot nu toe een Nederlandse editie. Met haar selectie en elegante vertaling van 157 brieven, voorzien van beknopte, heldere inleidingen, heeft Leen Huet nu in die lacune voorzien, en zo kunnen we onder meer de voortgang van het vredesproces in de zomer van 1629 volgen.

Het verblijf in Londen viel Rubens in eerste instantie zwaar, omdat ‘het klimaat er zo hemelsbreed verschilt van het verrukkelijke Italië’. Maar de ‘barbarij’ was er minder erg dan hij had gedacht en hij moest toegeven dat hij nog nooit zulke schitterende kunstcollecties van ‘eersteklas meesters’ had gezien als in de paleizen van de koning en diens voormalige vertrouweling, wijlen de hertog van Buckingham. Die had in zijn Londense stadspaleis York House een fenomenale verzameling opgebouwd. Rubens kreeg er toegang via zijn vriend Balthasar Gerbier, kunstadviseur van Buckingham en het meesterbrein achter de schilderijenverzameling. Met een blanco cheque op zak had Gerbier in 1621 in Italië inkopen voor zijn broodheer mogen doen en hij had er in razend tempo werken van Guido Reni en Tintoretto, en een absoluut topstuk, Titiaans Ecce Homo gekocht.

Aartsrivaal

Buckingham mocht dan zelf weinig van kunst af weten, als gewiekst politicus en hoveling realiseerde hij zich maar al te goed dat schilderijen meer betekenden dan alleen decoratie aan de wand. Zijn politieke aartsrivaal, de graaf van Arundel, was daarentegen een groot kunstkenner: hij had zelf fameuze collecties Italiaanse schilderijen en antiquiteiten tijdens zijn diplomatieke reizen door Europa bijeengebracht, en aan zijn kunstagenten gaf hij gespecificeerde opdrachten. Ook hij besefte hoe kunst op het politieke slagveld kon worden ingezet.

In de keiharde strijd die Buckingham en Arundel om de gunst van de koning voerden, was een hoofdrol voor hun kunstbezit weggelegd. Kunst was een effectief en elegant middel om aanzien te verwerven en gunsten te verkrijgen. Wie iets wilde van Karel I of van iemand uit de kring intimi rond de koning deed er goed aan een Italiaans meesterwerk cadeau te doen.

De politieke dimensie van kunst vormt de rode draad in The Sale of the Late King’s Goods van de Britse historicus Jerry Brotton. De laatste jaren heeft het onderzoek naar 17de-eeuwse kunstverzamelingen een hoge vlucht genomen, vooral in Engeland, waar het ontstaan, de opbouw en het uiteenvallen van de collecties van Buckingham, Arundel, Karel I en andere aristocratische hoofdrolspelers in detailstudies is gereconstrueerd. Deze inzichten heeft Brotton samengebracht en verwerkt tot een meeslepend verhaal over politieke en artistieke wedijver, macht, oorlog en revolutie in een wereld vol dubieuze kunsthandelaren, naïeve ambassadeurs en ambitieuze verzamelaars.

Voor het verzamelen van kunst had de jonge Karel nooit veel belangstelling, in tegenstelling tot zijn broer Hendrik, prins van Wales en beoogd troonopvolger. Dat veranderde toen Hendrik in 1612 onverwacht aan de koorts bezweek. Dankzij Hendriks uitgebreide netwerk van adviseurs, agenten, handelaren en andere verzamelaars in Engeland en op het continent, wist Karel zich snel om te vormen tot een connaisseur van formaat.

Tijdens een verblijf in Madrid in 1623 waar hij vergeefs naar de hand dong van de Infanta Maria, raakte de prins diep onder de indruk van de Spaanse kunsbezit. Vooral het werk van Titiaan waarin de Habsburgse dynastie op magnifieke wijze werd verheerlijkt, raakte een snaar. Dat de Spaanse koning hem uitgerekend het majestueuze Karel V met Ulmse dog cadeau deed, zal door de prins als een expliciete politieke boodschap zijn begrepen; als uitnodiging om zich tot het katholicisme te bekeren en zo deel te kunnen nemen aan de Habsburgse macht.

Mogelijk zinspeelde het tweede cadeau van Philip IV, Titiaans erotisch geladen Venus, op het vooruitzicht van vleselijke geneugten als het huwelijk met de Infanta eenmaal gesloten zou zijn. Zelf kocht Karel in navolging van zijn vriend en reisgenoot Buckingham op lokale veilingen werk van Titiaan en Tintoretto, en legde daarmee de basis voor zijn vooral Italiaans georiënteerde collectie.

Na de troonsbestijging in 1625 groeide Karels verzameling door schenkingen en aankopen snel uit tot een van de rijkste in Europa. Op aanraden van zijn politieke adviseurs, zelf ook allemaal hartstochtelijke collectioneurs, haalde hij Anthony van Dyck als hofschilder naar Londen. Dankzij de ingenieuze machinaties van de Vlaamse koopman-kunsthandelaar Daniel Nijs kon Karel I zich in 1629 eigenaar noemen van het leeuwendeel van de legendarische Gonzaga-collectie van de hertogen van Mantua – al gingen financiële tussenpersonen aan de transactie failliet, omdat de koning niet altijd zijn rekeningen betaalde.

Burgeroorlog

Ook Rubens wist daarover mee te praten. Voor het plafond van het nieuwe Banqueting House (Karels belangrijkste representatieve gebouw) ontwierp hij een grandioze serie allegorieën op het voorbeeldige koningschap van Karels vader, Jacobus I. In 1636 stuurde Rubens deze schilderijen naar Engeland via Gerbier, die hem vervolgens liet weten dat de koning er zeer tevreden over was. ‘Ik ben echter nog niet betaald,’ berichtte Rubens op 16 maart 1636 – en daar verbaasde hij zich niet over: ‘Lange ervaring heeft mij geleerd hoe traag vorsten zijn als het gaat om iets wat tegen hun belangen indruist; hoeveel gemakkelijker het voor hen is om kwaad te doen dan goed.’

Dat waren profetische woorden. Onvrede over Karels binnen- en buitenlandse politiek, over zijn absolutistische heerschappij, over zijn religieuze hervormingen en over de spilzucht van zijn hof, leidde nauwelijks zes jaar later tot een bloedige burgeroorlog die de koning letterlijk de kop kostte. Toen hij op 30 januari 1649 naar het schavot werd geleid, liep hij dwars door het Banqueting House, onder de schilderingen van Rubens door.

De dood van Karel I betekende het einde van zijn magnifieke kunstcollectie. Vrijwel direct bepaalde het parlement dat de ‘Late King’s Goods’ geïnventariseerd, getaxeerd en openbaar verkocht zouden worden, ongeacht of het om tafels, stoelen, pispotten of schilderijen ging. De opbrengst was bestemd voor de staatskas, het leger en de vloot. Het voormalig koninklijk personeel kreeg hun achterstallig salaris in natura – ook schilderijen – uitbetaald. De verkoop diende ook een politiek doel: de koninklijke goederen werden van hun symbolische betekenis ontdaan door er, letterlijk, een prijskaartje aan te hangen. Zo kon, in theorie, iedereen een stukje koningschap aan de muur hangen.

Door de ‘Sale of the Century’ ontstond in Londen een nieuwe kunstmarkt, waar militairen, voormalige bedienden en loodgieters zich als kunsthandelaren ontpopten. Zij verkochten hun aankopen vaak met grote winst door naar het buitenland of traden als tussenpersoon op voor de gretige Franse en Spaanse ambassadeurs. Op die manier kwam het doek Karel V met Ulmse dog bijvoorbeeld weer terug in Madrid.

Het is uit Brottons aanstekelijk geschreven boek duidelijk dat hij het liefst een andere afloop van de Grote Verkoop had gewenst. Daarbij waren de schilderijen ook daadwerkelijk bij alle lagen van de bevolking terecht gekomen en gebleven – een democratischer verdeling van topkunst, zou je kunnen zeggen. Maar daarvan was geen sprake. Integendeel, na het herstel van de monarchie in 1660 eiste Karel II de 1300 ‘koninklijke’ schilderijen terug en op driehonderd stuks na slaagde hij daar ook in. Zijn Titiaans was hij kwijt – maar dat verlies werd goedgemaakt door de Staten-Generaal die hem, bij wijze van felicitatie, voor 80.000 gulden aan schilderijen schonken. Het Portret van Jacopo Sannazaro is tot op de dag van vandaag de enige Titiaan in de Engelse koninklijke collectie.