Ouwe meuk

‘Taaldiscussie is taboe’, stelde Henk Harmsen, regioverslaggever van De Gelderlander, in het vakblad De Journalist. Hij heeft het over de Engelse woorden en de manier waarop velen voor de microfoon van radio en televisie het Nederlands uitspreken. Ja, dat kan verschrikkelijk zijn. Maar Harmsen heeft gelijk: dat is geen onderwerp van discussie meer. Wel verschijnen er voortdurend beschouwingen, boeken over de taal, de nieuwe woorden, de leenwoorden, het bargoens, vloeken, de nieuwste spelling, en daarvoor is veel belangstelling. Maar begin je over een wadiopwesentatow die de r niet kan uitspreken, of weer een Engels woord dat een goed Nederlands heeft vervangen, of daar komen de protesten. Meneer is zeker boven de veertig. Hou toch op met die ouwe meuk.

Op het gevaar af dat ik voor een schuimbekkende frik wordt aangezien, maak ik nu, voor het eerst en het laatst in deze eeuw een lijstje van zich verbreidende wantoestanden.

1. Geslachtsvervreemding. Amsterdam met haar grachten in het zomer.

2. De aarzelende, breedsprakige onnauwkeurigheid in de spreektaal. Jaaaa, dan krijg ik zoiets van dà-hàg, bekijk het maar. Zeg maar. Toch?

3. Het lettergrepen slikken. Viel me voor het eerst op toen ik onze minister-president over het kookhuis hoorde spreken. Hij bedoelde het koninklijk huis. De gewoonte verbreidt zich nu ook onder de nieuwslezers.

4. De woekering van het Engels. Onze mooie uitroepen ‘lazer op’ en ‘sodemieter op’ zijn vervangen door ‘fuck off’. Een nog betrekkelijk nieuw woord als ‘opleuken’ heeft het ook niet kunnen bolwerken. Is vervangen door ‘pimpen’. Pimp is Engels voor pooier. ‘Oppimpen’ hoor je ook. ‘Oppooieren’, zeg maar.

5. Zinloze toevoeging van lettergrepen. Huren en schatten zijn lang geleden vervangen door inhuren en inschatten. Nu zijn we bezig, ‘vinden’ te vervangen door ‘terugvinden’. Ga zelf na wat het oorspronkelijk verschil tussen deze twee werkwoorden is. De geest van de tijd, denken we, dwingt tot verhoging van de snelheid, maar veel woorden worden langer.

6. Terloopse verdachtmakingen. Piet, inmiddels vierenveertig. Wat betekent in dit verband ‘inmiddels’? Dat de schrijver Piet als een ouwe zak beschouwt. Had er gestaan: Piet, 44, dan waren we ook nauwkeurig op de hoogte geweest. Maar door dit ‘inmiddels’ kunnen we vermoeden dat Piet niet goed kan internetten. Had er gestaan: Piet, inmiddels alweer 44, dan was het nog erger met Piet gesteld geweest.

De vraag is waar het allemaal vandaan komt. Het is een samenloop van factoren. a. Slordig onderwijs. b. De reclame die altijd streeft naar de overtreffende trap. Na de ontdekking dat er een eind is aan de overtreffende trappen nemen de tekstschrijvers hun toevlucht tot fratsen en strapatsen. c. De zucht tot zelfprofilering die vooral de sprekers in het openbaar eigen is. d. En dan bij de gewone mensen de groeiende overtuiging dat het zo hoort.

Volgens mij is het allemaal begonnen toen Ot en Sien uit het lespakket verdwenen. Het lespakket!