Ophef over dienstauto onnodig

Voorpaginanieuws van NRC Handelsblad: ‘Veerman overtrad regels dienstauto’(2 augustus). De minister van LNV heeft, volgens de krant, de afgelopen vier jaar zijn dienstauto voor privé-doeleinden misbruikt. Daarnaast zijn ten onrechte privé-vliegkosten gedeclareerd en heeft de ambtelijke top van het ministerie de declaratieregels overtreden.

De volgende dag blaast de oppositie in de Tweede Kamer eroverheen, weer op de voorpagina van deze krant: ‘Veerman moet alsnog betalen; minister loopt nu tweede gele kaart op.’ Het hoofdartikel spreekt van Veermans tekort aan integriteit en transparantie.

Wat is er nu eigenlijk aan de hand? Veerman maakte gebruik van zijn dienstauto voor zijn vakanties in Frankrijk. In Nederland worden bewindslieden geacht de dienstauto zakelijk en privé te rijden. Niets had Veerman in de weg gestaan zijn dienstauto te gebruiken tijdens een vakantie in Nederland.

Het Voorzieningenbesluit ministers en staatssecretarissen 2002 verbiedt het gebruik van de dienstauto op vakantie in het buitenland. Dit besluit maakt daarmee onderscheid tussen Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie. Dat is discriminatie naar nationaliteit. Het beperkt de ministers en staatssecretarissen om hun dienstauto te gebruiken als toerist in een andere lidstaat van de EU.

De Europese interne markt vormt een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd. Nationale maatregelen die het vrije verkeer tussen de lidstaten beperken, zoals het Voorzieningenbesluit, zijn onder Europees recht verboden, tenzij deze maatregelen gerechtvaardigd kunnen worden om een reden van algemeen belang.

Door het gebruik van de dienstauto in Nederland toe te staan maar niet in Frankrijk, komt het Voorzieningenbesluit in strijd met het verbod op beperkingen van het Europese vrije dienstenverkeer. Dit Europees recht heeft voorrang op Nederlands recht.

Een strijdige beperking is niet per definitie verboden. Er bestaan zogeheten rechtvaardigingsgronden die ertoe kunnen leiden dat een beperkende nationale maatregel toch toegestaan is. Zo kan de beperking uit het Voorzieningenbesluit gerechtvaardigd worden op grond van openbaar gezag, openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.

Maar dat is nog niet het hele plaatje. De maatregel die het vrije verkeer beperkt, moet namelijk voldoen aan de eisen van het ‘evenredigheidsbeginsel’. Kort gezegd houdt dat in dat de maatregel een van de bovenstaande gronden van algemeen belang moet behartigen. Verder moet de regel geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken en mag zij niet verder gaan dan noodzakelijk.

Een volledig verbod op het vrije verkeer, zoals in het geval van het Voorzieningenbesluit ten aanzien van vakantie buiten Nederland, strandt vaak bij toetsing aan het beginsel van evenredigheid. Een absolute beperking op het vrije verkeer is natuurlijk lang niet altijd strikt noodzakelijk.

Als minister Veerman in Nederland met zijn dienstauto op vakantie mag, moet hij dat in heel Europa kunnen doen. Net als alle Nederlanders – en iedereen die de nationaliteit van een lidstaat van de EU bezit – is Veerman ‘gewoon’ EU-burger. Daarom kan hij gebruikmaken van de vrijverkeerrechten die het Europees recht biedt. Het is aan de Nederlandse overheid om de maatregelen die het vrije verkeer beperken te rechtvaardigen. Dit zal er ongetwijfeld toe leiden dat de huidige commotie achteraf op niets gebaseerd zal blijken te zijn.

Mr. Herman van Harten is als docent en promovendus verbonden aan het Europa Instituut/Amsterdam Center for International Law van de UvA.