Lekker knoeien met Hafnium

Wie in de VS een mini-kernbom wil ontwikkelen vindt snel miljoenen voor onderzoek. Een kwakzalver lukte het bijna om 400 miljard dollar los te krijgen.

Sharon Weinberger: Imaginary Weapons. A Journey Through the Pentagon’s Scientific Underworld. Nation Books, 270 blz. € 16,40.

In 1999 kwam bij een interview met een ontwerper van atoomwapens van het Sandia National Laboratory de miniaturisering van kernladingen ter sprake. De Verenigde Staten hadden zichzelf een moratorium op de ontwikkeling van nieuwe kernwapens opgelegd, dus ook van deze mininukes. Maar het kón volgens de ontwerper wel degelijk. ‘In theorie zouden we zelfs een nucleaire handgranaat kunnen ontwerpen.’ Niet dat je daar ook iets aan had, voegde hij er meteen aan toe, want de gooier zou de blast natuurlijk niet overleven. Maar, zei hij, ‘er zou zich vast wel een marinier als vrijwilliger komen aanmelden’. De aanwezigen barstten in lachen uit.

Uit Imaginary Weapons van Sharon Weinberger, hoofdredacteur van het Amerikaanse militaire vakblad DTI, blijkt nu dat op dat moment niet alle Sandia-medewerkers het ontwikkelen van een nucleaire handgranaat onzinnig vonden. Sterker, een ontwerp hiervoor van een hoogleraar natuurkunde Carl Collins van de Universiteit van Texas, gooit dan hoge ogen binnen het Pentagon, de gelieerde onderzoeksinstituten en de defensie-industrie. Productie wordt serieus overwogen. En dat, zo schrijft Weinberger, terwijl het ontwerp is gebaseerd op natuurkundige lariekoek, slim verkocht door een wetenschappelijke parvenu.

Maar Imaginary Weapons gaat over meer dan over een enkele high-tech knol die het Pentagon zich als een citroen heeft laten aansmeren. Weinberger legt bloot hoe het Pentagon en de kluwen onderzoeksinstellingen, adviesorganen en defensie-industrieën de controlemechanismen moedwillig negeren zodra de vage belofte van exotisch wapentuig, een silver bullet, gloort.

Imaginary Weapons legt nog iets uit: hoe grote projecten om kantoorpolitieke en financiële redenen een eigen momentum kunnen krijgen en dat ze, ook als de bestaansredenen tussentijds zijn vervallen, toch nauwelijks meer te stoppen zijn.

De Hafniumbom komt op de radarschermen van de Amerikaanse militaire wereld wanneer Collins in de Physical Review Letter van begin 1999 beweert dat hij een Hafnium-isomeer heeft bestraald met röntgenstraling. Dit materiaal zou zelf zestigmaal meer stralingsenergie hebben gegenereerd dan het had ontvangen. Sandia-functionarissen fungeren als co-auteur van zijn wetenschappelijke paper. Collins reist daarop stad en land af met zijn in PowerPoint vervatte bevindingen, compleet met een ontwerp van de Hafniumhandgranaat met een explosieve kracht van een slordige twee kiloton TNT. De kernbom die in augustus 1945 Hiroshima verwoestte had een geschatte kracht van 15 kiloton.

Revolutionair

Nergens gaan alarmbellen rinkelen over de zinloosheid van dit wapen. Integendeel, het aan het Pentagon verbonden onderzoeksinstituut Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA) toont zelfs grote interesse in Collins’ onderzoek.

Dat is op zichzelf niet vreemd. DARPA heeft altijd al grote belangstelling gehad voor de militaire toepassingen van Hafnium. Dit zeldzame element heeft volgens fysici in isomere vorm (Hafnium-178) de eigenschap zoveel energie te kunnen opslaan dat de ontlading daarvan een revolutionair krachtig explosief zou opleveren. Strikt genomen is het Hafniumwapen ook geen kernbom, aangezien er geen sprake is van een nucleaire kettingreactie van splijtende of fuserende atomen, hoewel het isotoop wél uiterst radioactief is.

Civiele onderzoeksinstellingen proberen intussen of Collins’ resultaten ook reproduceerbaar zijn. Het probleem hierbij is dat Collins nogal karig is geweest met de precieze details van zijn proefopstelling. Dit geeft hem alle gelegenheid tot uitvluchten. Zijn universitaire collega’s menen hierom met een soort natuurkundige parvenu te maken te hebben. Ze maken al snel de vergelijking met de beruchte ‘koude kernfusie’, een al even veelbelovend, maar, naar later bleek, op niets gebaseerd onderzoek van de Universiteit van Utah in 1989.

Het idee dat Collins’ een natuurkundige kwakzalver is, wint aan kracht wanneer Weinberger zijn rommelige laboratorium bezoekt. Daar hangen wat onduidelijke Oost-Europese assistenten rond en geeft de onderzoeker grijnzend toe dat hij, behalve een afgedankt röntgenapparaat van een tandarts, ook oude auto-onderdelen heeft toegepast. Welke dat zijn blijft geheim.

Binnen de muren van het militair-industriële complex gelden heel andere criteria voor wetenschappelijk onderzoek dan die bij meer openbare onderzoeksinstellingen. Een paar handtekeningen van geïnteresseerde kopstukken volstaan meestal om een paar miljoen dollar voor vervolgonderzoek vrij te maken. En op een paar miljoen dollar meer of minder kijken ze niet bij een jaarlijks defensiebudget van een half triljard dollar.

Collins heeft het geluk dat het orgaan dat DARPA-projecten op wetenschappelijke criteria controleert – en die van andere militaire onderzoeksinstituten – om politieke redenen aan de kant is gezet. Deze commissie, JASON geheten, waarin veertig van de beste breinen van het land – roepnaam: ‘de Jasons’ – zitting hebben, heeft altijd zelf gezorgd voor nieuwe leden. Maar minister van Defensie Donald Rumsfeld wil de kandidatuur van drie van zijn protégé’s binnen JASON doordrukken. De Jasons worden aan de kant gezet.

Daarna neemt projectleider Kafka de ontwikkeling van de Hafniumbom helemaal over. Voor kritiek uit de civiele onderzoekswereld betoont DARPA zich Oost-Indisch doof: juist doordat het Hafnium geen geheimen prijsgeeft, doet het wonderen om fondsen voor vervolgonderzoek los te weken dat misschien wél wat oplevert.

Spookbeeld

Weinberger interviewt ook verschillende Pentagon-functionarissen die menen dat het er ook eigenlijk helemaal niet toe doet of Collins nu wél of niet iets heeft gevonden. Alleen al de theorie dat Hafnium een fenomenale bom zou kunnen voortbrengen, is genoeg. Het spookbeeld van het Pentagon dat Russen, Chinezen of terroristen om dezelfde reden al meer over de mysterieuze isomeer aan de weet zouden zijn gekomen dan het militaire establishment van de Verenigde Staten is voldoende reden om de kraan van het onderzoeksgeld helemaal open te draaien. De wetenschappelijke bewijslast wordt daarmee, met andere woorden, omgedraaid: toon maar eens aan dat van Hafnium géén bommen zijn te fabriceren.

En dat is nu precies wat civiele research suggereert. In simpel suiker, zegt zo’n onderzoeker, zit volgens dezelfde natuurkundige theorie meer energie opgeslagen dan in dat Hafnium. ‘Maar je krijgt het er niet in een klap uit.’

En het wordt nog erger. Het Pentagon realiseert zich dat, mocht het Hafniumbommen willen produceren, er veel meer van het radioactieve materiaal moet worden geproduceerd dan voorhanden is. Collins is een van de weinige eigenaren van een kleine hoeveelheid van het spul dat hij aan laboratoria verhuurt – wat hem aardig wat oplevert.

Het Pentagon, DARPA en het ministerie van Energie – dat vanouds de productie van kernwapens onder zijn hoede heeft – beleggen een vergadering. Daar wordt berekend dat kerncentrales overuren zullen moeten draaien om voldoende Hafnium te maken. Geschatte kosten: 400 miljard dollar.

Pas in 2004 haalt het gezonde verstand de Hafniumtrein in. De Amerikaanse politiek raakt gealarmeerd door de burgeronderzoekers die erop wijzen dat miljarden dollars dreigen te worden weggegooid. In de pers verschijnen ook verhalen, onder andere van Weinberger in de Washington Post. Het onderzoek wordt daarop beëindigd. Collins, en andere Hafniumgelovigen, houden nog altijd voet bij stuk.